Note 22 — HOOFDSTUK I.—INLEIDING.
Reading edition
Reeds methodologies schijnt het mij stellig ongeoorloofd, het feitelik gegevenzijn der synthet. oordelen a priori (in de wetenschappen) te loochenen, omdat ze een raadsel, een „onmogelikheid” zouden zijn, en te zeggen, als Bergmann (Untersuchungen über Hauptpunkte der Philosophie, p. 91 ss.): wat èn a priori is èn werkelike kennis (niet tautologie), b.v. de meetkundige waarheden,… moet eo ipso niet-syntheties,—analyties zijn! „Aber eben desshalb, weil ich sie [sc. „die mathematischen Wahrheiten und das Princip der Causalität”] für a priori und für wirkliche Erkenntnisse halte, kann ich sie nicht mit Kant für synthetisch halten.” (p. 95, Ueber den Satz des zureichenden Grundes). Voor wie zó schrijft (vgk. ook p. 25) heeft Kant vergeefs geleefd. Hij erkent dan ook zelf, dat hem K.’s oplossing, te weten het begrip „Form” met z’n geldigheid a priori voor alle mogelike inhoud of „Materie”, „völlig unverständlich” is gebleven (p. 94). Daar het B. „vollkommen evident” toeschijnt (p. 101), „dass die Erkenntnis des dreifachen Raumes analytisch ist”,… zou volgens hem het begrip „vierdimensionele ruimte” een contradictio in adjecto zijn en zouden de metageometriese axioma’s, als contradictoor aan de Euklid. grondwaarheden, tegenstrijdigheden moeten opleveren. ↑