Note 17 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSVORM.
Reading edition
Juist dit is Kant’s Copernicaanse revolutie: Het gekende, de natuur („die Erfahrungswelt”) heeft de algemene eigenschappen ruimtelikheid en tijdelikheid niet te danken aan onbekende, transcendente, algemene eigenschappen van het An-sich, het onafhankelik-van-kennen-Zijnde (deze worden ons dus niet als algemene „inhoud” der „ervaring” door het An-sich, door een transcendente ruimte en een transcendente tijd, gegeven;—zo ja, dan ware die algemeenheid slechts een voorlopige veronderstelling van op z’n hoogst feitelike, nooit noodwendige geldigheid, zodat onze axioma’s omtrent de oneindigheden tijd en ruimte met al hun apodictiese overschrijding aller ervaringsmogelikheid, gelijk de daarop gebouwde volkomen exacte wetenschappen meetkunde en phoronomie, louter zelfbedrog en dogma zouden zijn), maar aan ruimtelik- en tijdelikmakende eigenschappen van de kennende subjectiviteit; worden dus als „vorm” der ervaring door het Subject aan het gekende verleend en hun algemeenheid is eo ipso noodwendig en die noodwendigheid verklaard17. Ruimte en tijd zijn dus, Kantiaans gesproken, niet „phaenomenal”, maar „ideal”—zijn niet phaenomena („bene fundata”), maar functies van het „transcendentale” subject, van het geestelik prius der phaenomena. Dàt is hun „subjectiviteit”.