Note 1 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSVORM.
Reading edition
Onder „dingen” versta men hier dus vooral niet de ruimte„dingen”—de „voorwerpen” der natuur, maar Kant’s „afficirende” „Dinge an sich”,—de van waarneming onafhankelik bestaande werkelikheden.—Ook Kant dacht hier, naar ik uit tal van plaatsen zou kunnen bewijzen (vgk. opm. 30), aan tijdelike, en wel met eigen phaenomenaliteit gelijktijdige, subjectieve, niet-ruimtelike, niet-materiële werkelikheid, dus het An-sich wel als van-waarneming-onafhankelik, niet als van-bewustzijn-onafhankelik, dus niet in de strenge zin van het onvoorstelbaar grensbegrip, waaraan geen enkel praedicaat meer kan worden toegekend tenzij door negatieve analogie. Dit is de verklaring van het anders onoplosbaar raadsel, dat Kant van die beroemde „Widerspruch” van een „affizierendes Ding an sich” niets gemerkt heeft.—Zie daarover de tekst p. 70 ss. ↑