Note 33 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD.
Reading edition
Wel echter spreekt het vanzelf dat ook voor Kant de aard onzer gewaarwordingen mede bepaald wordt door het transobjectief „afficirend” An-sich (de bovengenoemde An-sich-loochenaars laten ons door de immanente „objecten” affizieren, de objecten die als zodanig aan dat Affizieren.… hun ontstaan te danken hebben!). Wat zou Kant zich verbaasd hebben over de voortwoekering van het misverstand, als zou de aanname van een Ding-an-sich een „inconsequentie” geweest zijn … immers hij zelf had het transcendent „gebruik” der Kategorieën „verboden”, onmogelik gemaakt, dus ook die der „werkelikheid” en „causaliteit” bij ’t „Affizieren”. Zo Hartmann b.v. e tutti quanti! Ook Windelband en heel ’t teleologies apriorisme (Rickert vooral)—bij ons te lande wijlen Prof. Bellaar Spruyt en een enkele zijner leerlingen—menen ’t An-sich te moeten laten vallen! Zij allen vergeten het fundamentele verschil, door Kant gemaakt tussen waarnemen, beleven (= „erkennen”) en denken (= „erwägen”). Denken kan ik zonder zweem van de befaamde, door Maimon uitgevonden, contradictie (zolang ik maar zonder contradictie blijf, „wenn ich mir nur nicht selbst widerspreche” K. d. r. V. Vorr. z. 2. Ausg.), „was ich will”—zo goed het niet- als het ongekend-bestaande, goden en duivels, het niets, het An-sich, eens anders bewustzijn zo goed als het onbewuste, √-2, etc. etc. Maar kennen, beleven, waarnemen (of weten als mogelike ervaring) kan ik alléén het aan zinnen en verstand „gegevene”, de werkelike (of mogelike) „Modificationen des Gemüts” (23). Een Ander-Ik b.v., een geest, is wonderwel te denken, maar onmogelik waar te nemen (—wat jammer is voor de clairvoyante geestenzieners als Leadbeater c.s.33—). Ja zelfs noemt Kant de niet-kenbare dingen terecht slechts denkbaar, „intelligibilia”, elders „Gegenstände des Denkens”.