Note 31 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD.
Reading edition
Wat wij dus kunnen „waarnemen”, „kennen” van het niet-ik, van het Zijnde onafhankelik van ons Zelf, zijn alleen de wijzigingen, die een Subject bij ’t gewaarworden ondergaat, doordat het zijn zinnen „afficirt”31 en zover wij onze gewaarwordingen als door dat niet-ik veroorzaakt beschouwen, levert hun inhoud dus niets van de werkelikheid zelve, maar slechts een heterosubjectieve functie (in mathematiese zin) van de werkelikheid. Heel de ruimtelike wereld, het objectief Heelal, is dus niets dan een ondersteld, fictief, potentieel, abstract systeem van subjectieve werkingen van het Zijnde, een „attribuut” der „Substantie”, gelijk zij er oneindig, immers willekeurig, vele heeft, grover gezegd: de vertolking van het Zijnde in de taal der zinnen32 (ik zeg hier overal opzettelik „zin” en niet „zintuig”, want dit laatste is alweer „object”, lichaamsdeel, ruimteding, dus phaenomeen, terwijl de zin als geestesvermogen, geestelike functie, tot het prius aller objecten behoort, deze pas „mogelik maakt”) en wij weten zeker dat dit Zijnde zelf, als transobjectieve, dus in die zin transcendente oorzaak (21) onzer gewaarwordingen, op zichzelf geen enkele eigenschap, aan de gewaarwordingsinhoud ontleend, kan hebben. (22)