Note 29 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD.
Reading edition
Haar „eigenschappen” zijn louter betrekkingen tot dat Subject—denkt men dit weg—dan is heel die wereld mee verdwenen (cum grano salis: „ohne Gedanken kein Phosphor”). Wat de zon is voor de jaargetijden, dat is dus de geest voor de stof. Denken wij ons nu, gelijk wij allen doen zonder uitzondering, van kind tot Kant, en van Hegel tot Ziehen—(zelfs Fichte of Berkeley dacht niet anders!) onze gewaarwordingen veroorzaakt door een Niet-Ik,—dus als een verandering die ons Ik ondergaat, dank zij de inwerking van iets anders, van de werkelikheid, van het van de geest onafhankelik-gedacht bestaande of zijnde, van het „Ding-an-sich”29, dan is het dus ook duidelik, dat we door al onze „ervaring”, door alle waarnemen, door welk nog zo diep of inwendig onderzoek ook (20), zij het met behulp van mikrotoom en mikroskoop, met chemie, met spectraalanalyse, nooit van dat An-sich, van enige eigenschap, die iets „op zich zelf” heeft (onafhankelik van waarneming) ook maar een zweem leren kennen,—zelfs van een naderen of benaderen van het An-sich (zoals enige Kant’s „An-sich” verdonkeremanende „Neo-Kantianen”, als Cohen en Windelband en vooral Natorp en König willen) kan dus voor Kant en voor ons geen sprake zijn: