Note 28 — DE DOGMATIESE VERDUBBELING VAN DE GEWAARWORDINGSINHOUD.
Reading edition
Het inzicht, dat het objectieve immanent, niet transcendent is, verleidt gemakkelik tot een soort individualistiese overschatting dier „immanentie”, tot de waan nl., dat het objectieve reeds onmiddellik binnen het bereik van individueel bewustzijn zou liggen, in plaats van verstandelike gevolgtrekking te behoeven, als onderstelling. Bij Berkeley komt dit herhaaldelik voor, bij Kant zo kras mogelik, op een plaats in de 1e uitgave van zijn K. d. r. V., die hij gelukkig zelf geheel geschrapt heeft, p. 313 ss.: „Nun sind aber äussere Gegenstände (die Körper) bloss Erscheinungen, mithin auch nichts Anders, als eine Art meiner [!] Vorstellungen, deren Gegenstände nur durch diese Vorstellungen etwas sind, von ihnen abgesondert aber nichts sind. Also existiren eben sowol äussere Dinge, als ich Selbst existire und zwar beide auf das unmittelbare Zeugniss meines Selbstbewusstseins, nur mit dem Unterschiede: dass die Vorstellung meiner Selbst, als des denkenden Subjects, bloss auf den innern, die Vorstellungen aber, welche ausgedehnte Wesen bezeichnen, auch auf den äussern Sinn bezogen werden. Ich habe in Absicht auf die Wirklichkeit äusserer Gegenstände eben so wenig nöthig zu schliessen, als in Ansehung der Wirklichkeit des Gegenstandes meines innern Sinnes, (meiner Gedanken), denn sie sind beiderseitig nichts als Vorstellungen, deren unmittelbare Wahrnehmung (Bewusstsein) zugleich ein genugsamer Beweis ihrer Wirklichkeit ist.”—Vergelijk reeds het inzicht van p. 318, over de verhouding van waarneming en daaruit af te leiden objectieve werkelikheid en de, zij het ook juiste, petitio principii, „dass ohne Wahrnehmung selbst die Erdichtung und der Traum nicht möglich sind.” In plaats van het teruggenomene brengt dan de 2e druk in de zgn. „Widerlegung des Idealismus”, en de daarbij behorende noot der voorrede, wanhopige pogingen, om te „bewijzen”, „dass äussere Erfahrung eigentlich unmittelbar sei”. Kant bedoelt te bewijzen, dat we „äusseren Sinn”, „äussere Wahrnehmung” hebben en niet „bloss äussere Einbildungskraft”. Evenwel: „Ob diese oder jene vermeinte Erfahrung nicht blosse Einbildung sei, muss nach den besondern Bestimmungen derselben und durch Zusammenhaltung mit den Kriterien aller wirklichen Erfahrung, ausgemittelt werden.” This is all that I contended for. ↑