← Table of contents
Karolingsche Verhalen

JOS A. ALBERDINGK THIJM (continued 2)

Reading edition

Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg 'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u voorbracht."

De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is dood, ziet daar ligt hij.
De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is dood, ziet daar ligt hij.

De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is dood, ziet daar ligt hij.

Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde, dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.

Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone, bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen kunnen korten, in de vlucht."

Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende: "Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"

Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u, want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."

—"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak: "Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.

Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het Ros, en ik zal het u geven."

Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.

Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende: "Och, mijn kind is dood!"

Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter dan dy."

De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."

Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende, dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.

Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had. Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet. Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.

Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.

HET ZEVENDE CAPITTEL.

Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf hij niet.

De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen, en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren voorzien van eene volledige uitrusting.

Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar kwamen zij te Parijs[2].

Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus genaakten zij ten Hove.

Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn alzoo gedaan heeft.

Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u haat en die u doodvijand is?"—"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."

Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.

Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste in dertig jaren, dat de Koning—Haymijn ongewapend had gezien. Roelant bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'

En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.

Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of niet."

Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."—"Voorwaar!" zeide Reinout: "zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen met mijn lijf—maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en ik élk begiftigen zal—zoo zal ik u niet geven!"

Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"

Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.

Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar de honden meest liggen—zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een ieder werd gediend van spijs en drank—maar Haymijns kinderen gaf men niet.

Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen, en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier is genoeg van alles."

Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.' Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder; daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij—het blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den Koning, zwegen zij en gingen heen.

Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap—ik zegge u voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder misdoen; sloegt gij mij—uw doodsuur lag daaraan."

Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.

Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij, die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.

Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.

Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.

Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan toe—zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.

Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.

Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren, gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.

De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden zich bij hen.

Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder tijd!"

De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop, insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen regen hem zijne mouwen vast.

Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen, opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert—Drossaart, Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.

Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk ter kerke.

Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.

Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.

Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.

Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.

Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten; toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.

Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.

Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong, bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.

Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten, zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû spreken.

Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem, en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.

Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte. Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant de tijd verdroot.

Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en Vorsten.

Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of leenen ontvangen wilden, hem volgden—hij zoude elk na zijnen staat mildelijk beschenken."

Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren; luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.

Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove, zonder zij alleen—en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften; en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders hem iets misdaan hebben."

Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne Kinderen en bracht ze voor den Koning.

En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden: "Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste van uw broederen—het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in Poelgiën[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert, derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van Artezië, Angrico[6] en Blois."

Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.

Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.

Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun binnen kort weder nemen!"

Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."

Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel—'t zal zich-zelf openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig jaar—wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik 't niet om mijn eigen eer—ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den steen!"

Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den prijs.

Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed—hij zoû u trekken bij den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót u."—"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst met mij werpen."

Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide: "Vader! wat is u misdaan?—ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed verliezen."

Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht, schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male. Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet wreekt, en den steen om het verste werpt met hem—-ik zal het besterven. Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar blijven."

—"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."

"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."

Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"

Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.

En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag. Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn worp overdoen—en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan hij!

Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen had.

Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.

Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.

En Lodewijk nam den steen nog éen maal—en konde hem zoo ver niet werpen als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en monde uitsprong.

Haymijn zag naar Reinout—dat hij zijn krachten aan den steen zoude toonen.

Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.

En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep: "Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"

En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven Reinout den prijs.

En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen, die ge zijt! dwazen, die een huurling—die om geld gehuurd is (deze hier geve hem al uit voor zijn zoon!)—dus lofprijst! Een grove dorper zij soms zoo sterk als een Edeling—des is hij nog geen prijzens waerd."

Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."—Toen lachte Reinout en zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"—"Zegt mij, zone!" sprak Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten volle getoond—ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér ontworpen."

En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.

Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen? Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u. Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal—gaat dan in den boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan gij. En wil hij dan daartegen opkomen—zoo zult gij zeggen, dat drie van ons het gehoord hebben; en is 't van noode—wij zullen er nog wel meer toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr, zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal durven doen."

Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad, en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die 't schaakbord beter verstaat dan ik."

Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn, en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk, zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de oogen neder en sprak niet.

Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan, dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den muur sprong.

Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den steen—maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het wonder, dat ik toornig ben?"

Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken: en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"

—"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk—"maar ik eisch, dat ge mij volgt in een kamer—daar zullen wij een ander spel beginnen." Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede oorkondden, en zeiden dat het waar was.

Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.

Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen hoofd."

Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten—dat doe ik gaerne!"

Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om uw hoofd en 'et mijne!"

Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods Name—moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe ik mijn wil, want ware Lodewijk dood—ik droege nog eenmaal de kroon te Parijs." Lodewijk had den eersten zet—om dat hij des daags Koning gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9]; zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich mijner! mijn ongeluk is groot."

De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen toon: "Had uw broeder den prijs van den steen—hier blijf ik uw meerder: in waarheid, ik voorzet 'et u—ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning, zoo gij mijn hoofd wonnet—en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor, ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"

Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"

Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En Adelaert won vijf spelen achter-een.

Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op, zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem verdroot uw leven."

De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in 't aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper, zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.

Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie heeft u geslagen?"

Adelaert andwoordde: "Niemant!"—"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult 'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag." —"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."

Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd. Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal, om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg 'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het zwaard op.

Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven—maar niet van uwe hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan; als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande houden—ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."

Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."

HET ACHTSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout—Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze Koning Carel gevangen zoû leveren.

Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe Adelaert met Lodewijk gevaren was—van 't begin tot het einde. Toen Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende, en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.

Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil—ik zal 'et hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.

Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.

Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten. Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep Reinout—Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning Carels aangezicht sprong.

En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen! die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van wapenen, op een schoone vlakte.

Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"—"Geef mij Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het vlieden is ons geen schande—want Carel is onze Koning!"—"Dat en zal niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"

Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert—vertrouwen en blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en hun vijand klein achtten.

Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den paerde viel.

Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en menigen vijand onder den voet reed.

Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen moest.

Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't hem zeer leed.

Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn! geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het, met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde: "Indien men hem ving—ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen had'.

Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant: "Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen; 't koste dat 't mag."

Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"—"Neen ik," zeide Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en moeder wijten?"

—"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.

HET NEGENDE CAPITTEL.

Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte, om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.

Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was, "want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."

Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was, en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.

De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe, de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren werwaards zij hunnen weg zouden nemen.

Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen schreiden om hun wechreizen.

Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel dat men de valbrug nederliete.

De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet. Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."—"Wildy gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat, Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat, dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.

Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar, en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden, vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning, dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en wisten wij niet, waar ons te onthouden."—"Wat is ons aan dit verblijf gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het zoude onder onze handen koper worden."

Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem, dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet—het zal hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen." De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning, mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide: "Zeg uw Heeren—inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!—dat ik ze noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.

Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet, Heer!"—"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze have[1] eischtet?"—"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet meer een penning."—"Zeide hij dat?" riep Reinout.—"Ja hij, Heere! en hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet mij in 'et vuur."

Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide: "Ik beveel u en Writsaert—Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."

—"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat beters!"—"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.

Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg. "Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet kleeden—geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede, dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog berouwen!"

De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave u kleederen noch schat."

Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!—Maakt u des wech—men geeft u niet een mijte!"

—"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....—

"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en 'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote felheid.

Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout te paerd gezeten—en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot, zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat zij veel volks versloegen.

Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen—en hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.

"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn bedwang—nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te sneven."—"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan niet zijn!"

Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van overbleef.

"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed," zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."

—"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker verblijf."—"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.—"Bij Ywein van Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand, daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan," ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en er een goed verblijf vinden."

"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.

"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.

Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.

In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat Yweins slot."—"Welk is 'et?" zeide Reinout. —"Naast aan de rotsen; bij dat woud: dat hooge kasteel—daarginds —met dien breeden ringmuur en die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"

—"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders; legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.

Zij spoedden zich onverpoosd voort.

Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"

Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden —om hen te zien en het Ros met de schoone gestalte.

Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem neder.

"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en dag, en u uit ál ons vermogen helpen."

Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."—"Dat loone u God!" sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." —"Zoo 't u gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."—"Al-te-gader," zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn, de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel ridder. Nu kent gij onze namen."

HET TIENDE CAPITTEL.

Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich versterkte tegen den grooten Koning Carel van Frankrijk.

Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde, dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne wonden genezen waren.

Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe, prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de goede Ridders zaten moedig op.

Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit Ywein groote schade gedaan werd.

Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.

Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan drie jaren.

Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij erfschap gekomen ware.

De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.

Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen zone Lodewijk zoû uitleveren."

Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning —en spoedig bracht men hem voor Ywein.

"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel, de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."

De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk hadden doodgeslagen.'

Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden, opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.

"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak? Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze den Koning niet—zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen land."

Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't ook niet—u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de keel."

Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen dienst—zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert—uw huismeyer[4]. Verriedt gij ze—'t ware een wandaad."

Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar gewapend nader.
Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar gewapend nader.

Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar gewapend nader.

Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout: "Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning! En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren—daar is alom menig Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije, in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk—de hoogsten van het land zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden. Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."

Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem ten spijt—ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens Carel."

Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze zoû doen folteren en dooden—dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar volgt ge mijn raad, Heere—gij zult ze in Poelgiën of een ander land laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."

Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar vallen."

Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning—ik had 'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan! nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer bewaren—zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen bij uw dochter te verwekken—dan is hij op het innigst aan u verbonden, en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."

—"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan, dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."

De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.

"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.

"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]—ik zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen voorzien.... Nu zegt mij—wilt ge handelen als de wijzen, en mijn voorstel aanvaerden?"

—"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde staat een rots—wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang, waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."

Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."

—"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw zone—zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste Jonkvrouwe van Christenrijk!"

Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."

Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein geroepen.

"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken, opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"

—"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone, roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er bij."

Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.

Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met éen woord, een groote, goede bruiloft.

Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen aanstonds het huis te vesten.

Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had. Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen; twee paar muren gingen er om rond.

Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen, vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500 personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede gesticht.

En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij: "Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"

—"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."

—"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."

HET ELFDE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden "Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.

Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob. Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo schoon."—"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich over 't water zetten.

Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein—Reinout met zijn dochter gegeven had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'

Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'

De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk; hij is uit zijn land verdreven."

—"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout. Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der burcht, aangelegd een schoone stad."

—"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."

Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket genade: en hij zal ze u doen."

Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."—"Wilt gij u dan tegen Koning Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone Lodewijk!"—"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen—ik wil hem Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit zeggen?—Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met mij te dreigen."

Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide: "Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet mijn boodschap aan den Koning."

Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer gedaan.'

Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout, verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te helpen.

Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang. En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.

HET TWAALFDE CAPITTEL.

Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze wilde doen hangen.

Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert, zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van rouw."

—"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't mag, ik moet mijne moeder zien."

—"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren, kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen. En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen voor de onzen."

Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't, dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben —maar een ander Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als waren onze kleederen nog wat beter—doet 'er meê dat gij wilt."

Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns Kinderen, die ze aantrokken.

Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.

Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land, te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat gij ons inlaat."

Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet doen."—"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."—"Om Gods wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen! laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood, God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat ze God van der dood behoeden wil!"

Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en spijzigen ter liefde der Jonkheeren."—"Dat loon u God!" zeide Reinout. Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"

—"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout, "wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën, en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst als thands."

Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en drinken geven."

De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.

Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"

De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide: "Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte—ik duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij, Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel wijn niet drinken, als gij alleen doet."

Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ... reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij dat ik u mijn leven lang danken zal!..."

De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.

Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij, "ik wilde dat ik meer had van dien wijn!—want had ik nog een schale, ik en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens wech van Reinout.

Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide: "Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt 'et gezworen; en wilt gij 't niet doen—zoo zal ik tot den Koning rijden en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."

Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders begeven!"

Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende, werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder. "Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide: "Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere, Koning Carel, wien ik het gezworen heb."

Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft ons raad! Weet gij ons geen raad te geven—wij zijn verloren; want Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide: "Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas, geen anderen raad!"

Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden voor de kamer staan.

Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert: "die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef dood, of zeer gekwetst.

Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste; maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op; hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne slagen.—Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden zwak."

Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem vluchtte als den dood.

Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij geraakt—het blijft er ál dood."

Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben, maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen! Sloegt gij onzen vader dood—die vreeselijke misdaad mochten wij nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel verworven wij nimmermeer zoen!"

—"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem haastelijk tot Koning Carel."

De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan; want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede." Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan, indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.

"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude gedaan hebben."

De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't paerd ligt?"

Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan; ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!" De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden. Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem: "Zijt wellekom, Heer Haymijn!"—"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u, ontferm u mijner!"—"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik 't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."

—"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.

Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich wapenen zouden; zoo Edel als onedel.

En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar tenten begonnen te slaan voor het kasteel.

Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons geenen raad?"

Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig: "Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan; hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn broeders moest laten.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings