← Table of contents
Kamertjeszonde

Voorwoord bij den 5den druk.

Reading edition

Toen dit boek van jeugdige gisting eind 1896 was geschreven, bleek het moeilijk er een uitgever voor te vinden. Nu gaat een vijfde druk ter perse, eene belangstelling waarvan allerminst ik dupe ben. In vroegere periodes van openbare schriftuur achtte een auteur zich dikwerf met vuil besmeten door een publiek, dat om uitnemend andre redenen dan die hem tot arbeid dreven, kocht, las, smulde. Wij peinzen minder romantisch en determineeren een big als big. Het is eene ongezellige methode die evenwel aan strenge wetenschappelijkheid weinig te wenschen overlaat.

Met dat al schijnt dit zeer onvolkomen boek, dat de fouten en kwaliteiten van jongelings-onstuimigheid bezit—mede de sporen van een vermoeiend driejarig journalistiek scholierschap—eenigen menschen tot verheffing te zijn geweest, hebben waarlijk enkelen zich tot epistelen van heetbloedigheid gezet die de kalmte des tijds ontsieren. In een moerasgrond dient men zacht-aan te stappen. Op lateren leeftijd betreurt men verloren schoenen en verslibberde reputatie. Het bezadigen is eene vreugde.

De lotgevallen van Alfred Spier en Georgine Casper zijn voor een bijkomstig deel aan bepaalde gebeurtenissen ontleend, voor het overwegend geheel schakelen zij, wat in alle eeuwen het recht des schrijvers was, de herinnering aan meer dan één levenslot, incident, voorbijgaand geschieden. Toen Habbema in 1896 van werkelijkheid sprak, vermoedde de windmolen-kampioen niet dat de dartele hollandsche lezer een plat-pamphlet-achtig photographeeren van lévende personen in dit boek zoude zoeken. Het antwoord aan J. T. kon denkende menschen overtuigen dat het om iets principieelers ging, dat fantasie zich in werkelijkheids-weergave omzet, dat men geen schamperen toon tegen gerenommeerden voert, als men niets anders in z’n mars heeft dan eene chronique scandaleuse, dat het eene eenvoudige zaak van compositie wordt het karakter, het wezen, de daad van hoofd- en bijpersonen naar vrije willekeur, naar absolute ingeving van het oogenblik te vervormen. Maar de hollandsche lezer, ondergaande het realisme van dit boek, lodderde den pogenden, boetseerenden auteur voorbij. ’n Man die zóó schreef, moest door ’t leven met ’n reporters-boekje loopen, was ’n kiekjes-verzamelaar. Sprak hij niet zelf beslist en fel van werkelijkheid? Bleef er dan ruimte voor beginsel en ziening-in-de-verbeelding?

Nu de eigen naam eenige meerdere bekendheid verwierf, lijkt het billijk in rechte lijn het verder gekakel der bittertafel, der reine gehuwden en der tintelende lettrés te aanvaarden. In den kern van het boek, dat geheel ongewijzigd ter perse gaat, is sinds 1896 geene verandering gekomen. Het huwelijk marcheert nog. De achtenswaarde koppeling van afhankelijken, ras-zieken, geïnfecteerden, de negotie in lichamen, het schaapachtig-bol gebler over de vrouw met wat ze noemen ’n smetje, ’t blijmoedig begroeten van den man-hoer—’t marcheert nog.

Dit boek is slechts een kuchje, een slappe keelschraping bij geraas, getier en gebulder. Men kucht zoo ééns in prettige onnoozelheid. Geen tweeden keer.

HERM. HEIJERMANS Jr.

Katwijk-aan-Zee, Maart 1903.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings