← Table of contents
Jacob Cats

Editorial note — JACOB CATS

Reading edition

Geen noot moet eenigh man van sijn geselschap scheyden, Geen druck en moet het wijf van haren hoeder leyden, Geen harde slavernij, geen onverwachten rou En magh een vroom gemoet verswacken in de trou. Dit hebben soo betracht veel welgevoegde paren, Die, met een rechte sucht, ten vollen eenigh waren; Veel kan op dit geval hier worden by gebracht, Maer één beleefde daet is weert te sijn bedacht Een herder uyt het wout, terwijl hy aen der heyde Sijn jonge geyten dreef, sijn oude schapen weyde, Sagh van een hoogen berg, sagh in het lage dal, Sagh onder aen de strant een droevigh ongeval: Daer was een seker schip met roovers aengekomen, Die hadden Galathee sijn vrouwe weggenomen, Oock eenigh ander volck, dat onder aen de zee Was vlijtigh aen het werck, en wies het jonge vee De droeve Celadon, die sijn geselschap kende, En sagh hoe al het volck sich van den oever wende Sloegh op sijn droeve borst, en sagh den hemel aen En seyde: "lieve God, wat dient 'er nu gedaen?" Hy geeft hem naer de zee, de tranen op de wangen En riep: "hou vrienden, hou! hier is al meer te vangen En scheyt niet van de wal, tot dat 'er volle vracht Is op het lant gerooft, en aen het boort gebracht. Ghy hebt myn echte deel, van Gode my gesonden, En scheyt, dat reyne sucht te samen heeft gebonden. Ghy scheyt het beste paer dat oyt het echte bet, Dat oyt den hemel selfs te samen heeft geset. Ey lieve, waerom dat? ey, laet ons weder paren, Soo magh uw snelle barck geluckigh henen varen; Niet, dat ick weder eysch mijn lieve Galathee, Maer wensch benevens haer te varen over zee. Neemt my oock in den boot, al moet ick dapper roeyen Of harder dienst begaen, ten sal my niet vermoeyen: Neemt my oock in den boot, een kloeck, een rustigh man Die met een vollen wil een slave wesen kan; Neemt my oock in den boot, al moet ick sijn geslagen En dienen evenwel, ick sal het willigh dragen, Ick sal het willigh doen: neemt my oock in den boot, Of sooje niet en meught, soo schenckt my dan een loot!" Dit seyde Celadon, en gaf hem in de baren, En bad al even-staegh om meê te mogen varen; De roovers sijn verbaest dat iemant tranen schreyt, Om vast te sijn geboeyt, en wegh te sijn geleyt. Na langh en droef gepragh, men laet hem naerder komen, Men wijst hem na den boot, daer wort hy in genomen, En, als de rouwe jeught sijn handen binden wou: "O, bint my, sprack de man, aen mijn geminde vrou! Een knoop van soete min heeft my en haer omvangen, Laet hier oock éénen bant op onse leden prangen!" Hy bid noch andermael, en biedt sijn rechter-handt, En geeft hem mette vrou gewilligh aen den bant. Het schip doet sijnen loop, en snijt de soute baren, En komt in korten tijt te Thunis aengevaren; Daer wort het lieve paer den koninck voorgestelt, Den koninck alle dingh van eersten aen gemelt. De vorst die prijst de daet, besiet de jonge lieden, En toont met sijn gelaet haer gunst te willen bieden; Hy laetse metter daet verlossen uyt den bant, En maeckt van Celadon sijn eygen lijf-trouwant. De trouwe wort geloont, en hy, die aen der heyden Een bock, een schaep, een kalf, een geyte plagh te weyden, Is hoeder van den prins, niet sonder grooten lof, En, voor een vuylen stal, geniet het lustigh hof. 1) prijzenswaardig 2) begeeft zich 3) huwelijkspand 4) samenzijn 5) schiet mij dan maar dood 6) gesmeek 7) trawant 8) beloond

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings