← Table of contents
Jacob Cats

Note 1) de Nijl — JACOB CATS

Reading edition

Een prinsse die het rijck, dat Nylus overstroomde, Met konincklijcke macht voor desen eens betoomde, Hadt in sijn hofgesin een aengenamen vrient, Door wien hy in den raedt en elders was gedient; Men kende niet een mensch, die in sijn gantsche leven Door soo een staegh geluck geduerigh wert verheven; Geduerigh over-al in voorspoet hooger klam, Soo dat het segen scheen al wat hy ondernam: Sondt hy een schip ter zee, het keerde wel geladen, Ja, kond' op eene reys een gierigh hert versaden; Hoewel hy buyten tijts in dorre gronden zaeyt, Men vint dat hy gestaegh gewenschte vruchten maeyt; Wil hy een harder sijn van schapen, geyten, koeyen, Men siet een kleynen hoop tot groote kudden groeyen; Indien hy met een kaert of met een teerlingh speelt, Het schynt dat sijn geluck een yeders beurse steelt; En, waerom langh verhael? al wat hy magh beginnen, Dat heeft als vollen macht om gelt en goet te winnen. Het scheen dat al het luck naer hem te poste liep: Sijn net (gelijck men seyt) dat vingh oock als hy sliep. Als dit de vorst vernam, hy stont geheel verslagen Van soo een staegh geluck, en soo veel schoone dagen; Hy sprack de joncker aen, en seyde! "lieve vrient, 't Geluck heeft u te langh en al te veel gedient; Ick hebbe dit geleert uyt wyt beroemde boecken, Dat yemant, dus gestelt, het onheyl dient te soecken; Want soo dit lange duert, daer is geen twijffel aen, Het wispelturigh radt sal anders ommeslaen." De ridder was met sorgh hier over gantsch beladen, En stelde flucx te werck al wat hem was geraden; Hy droegh een rijcken steen, smaragdus is de naem, Verheven over-al door vleugels van de faem. Het was een selsaem stuck: by lichte was het duyster, En in de swarte nacht soo gaf hy schoone luyster. De joncker voer in zee, daer 't water 't hooghste liep, En gooyd' het schoon juweel te midden in het diep. "Godinne (sey de man) die al de menschen streelen, Siet daer het schoonste stuck van alle mijn juweelen, Uw gunst is my te groot, uw zegen al te sterck, Neemt dit van mijner handt als tot een offer-werck; Ick ben wel onderricht dat ghy hebt vreemde rancken, Daer uwe vrienden selfs haer weynigh af bedancken. Ick bidde, keert u om, en soo het mach geschien, Laet my uw kalen neck, en niet uw voor-hooft sien. Uw schoon gekrinckelt hayr, daer by ghy sijt te vatten, Waer in de volheyt is van alle rijcke schatten, Geeft my dat voortaen niet, maer aen een kalen bloet, Die u door sijn gebedt een stagen offer doet. Een yeder roept u aen tot hem te willen komen, Maer ick, opdat uw gunst van my mocht sijn genomen: Ghy, treet mijn huys voorby, of houdt uw beurse toe, Want ick en wil u niet, maer ben uw segen moê. Ick weet dat mijn versoeck u selsaem schijnt te wesen, Mits ghy om 't tegendeel van yeder sijt gepresen: Ick weet dat ghy my schat òf dul òf bijster geck, Om dat ick u verbelch, en hoop op uw vertreck; Ick ben hier, toe gebracht door uwe vreemde kuren, Die ick als 't wesen mocht, wel niet en wou besuren. Ick ben wel onderricht dat ghy vol grillen sijt, En schoon ghy somtijts kust, dat ghy oock dapper bijt." Daer sweegh de joncker stil, maer sijnde t' huys gekomen, Soo heeft men dit bedrijf door al het hof vernomen; Het doet al wie het hoort, doch meest de juffers wee, Dat soo een puyck-juweel is eygen aen de zee. Siet, naer een korten tijt, soo heeft men daer vernomen Dat even in de stadt een zee-man was gekomen; Een zee-man die 'er bracht een ongemeenen visch, Die niet en scheen te sijn als voor eens koninx disch. Hier quamen metter daet veel menschen toegeloopen, Maer siet, de visscher riep: "de visch is niet te koopen; Dit is soo schoonen vangh als ick mijn leven sagh, Die noyt gemeene man voor spijse nutten magh. Komt, leyt my by den Vorst, ick wil den koninck schencken, Daer by men langen tijt een zee-man magh gedencken. Want als ick desen visch op gister avond vingh, Vernam ick naer gewoel, dat vry wat selsaem gingh: Mijn schip dat gaf een krack, en scheen te willen splijten, My docht, dat eenigh spoock daer op bestont te smijten De nimphen van de zee die sprongen uyt het diep, Het scheen dat Thetis selfs haer tot den handel riep. Ick sagh noch onder dies, te midden in de baren, Dat veel ontrent het werck niet eens gesint en waren: Een deel wou desen visch noch houden in de zee, Een ander scheyd' hem af van al 't beschubde vee. Wat dit beduyden mach en weet ick niet te seggen, Die wijser sijn als ick, die mogen 't overleggen; Dit gaet ten minsten vast, dat hier wat anders is, Als bot, of kabelliau, of maer een slechter vis." Al wat de visscher sprack, dat schijnen losse grillen, En veel die niet een woordt hier van gelooven willen; De visch was evenwel den koninck aengenaem: Dat nieuw of selsaem schijnt is voor het hof bequam. Waerom hier op gestaen? de visscher wert beschoncken, En straeks wordt om het gelt een bly gelach gedroncken; Maer op de staendevoet soo wort den visch ontweyt, En voor het middagh-mael in aller ijl bereydt. De koninck is belust het beest te sien ontleden, Omdat het selsaem was van boven tot beneden, Daer liep een yeder toe; maer siet, een wonder dingh! Te midden in den rop daer stack een gouden ringh! Daer riep al wie het sagh: ey! dit sijn vreemde saken! Maer stracks soo liet de vorst het kleynoot suyver maken, En als de vuyle slijm is van den ringh gedaen, Soo liet de jonghe prins hier op sijn ooghen gaen. Daer wordt de steen gekent, daer roepen al de luyden; Siet daer een wonder stuck! wat magh'et doch beduyden? De koninck sagh het aen, maer is geheel ontstelt, Om dat 'et (soo hy meynt) sijn lieven ridder gelt. En als hy langen tijt hier op had sitten malen, Soo riep hy wacker volck, en liet den joncker halen; Hy seydt hem: "waerde man, ick ben geheel bedroeft, Om dat ick uwen staet ten vollen heb beproeft. Ick voel, als metter handt, dat u de Goden haten, Want u naeckt groot verlies, na soo veel groote baten; Dit sulje niet ontgaen, dat houd' ick voor gewis, Want dit verstaet men selfs van desen stommen visch. Ick sie voor u bereydt soo ongemeene slagen, Dat ick 't gesicht alleen onmachtigh ben te dragen; En daerom is 'et best dat ghy mijn hof verlaet, En, buyten mijn gebiedt, in vreemde landen gaet. Met ongeluckigh volck sijn staet te willen mengen, Plagh groote prinssen selfs in ongemack te brengen. 't Is seker, waerde vrient u naeckt een droeve tijt, En wat bouvalligh is behoort te zijn gemijt, Het is een droeve smert, die niet en is te stelpen, Een vrient in noot te sien, en niet te konnen helpen. Schoon ick een kroone draegh, uw gantsch rampsaligh lot Is buyten mijn geweldt, en boven mijn gebot. Al sijn wy (soo het schijnt) als Goden bij de menschen, 't En gaet ons echter niet gelijck ons sinnen wenschen. Wat ons van boven af den hemel nedersent, En kan door onse macht niet werden afgewent. Ick heb u langh betrout oock al de grootste saken, Die my niet slechts alleen, maer oock de kroone raken. Ghy waert my in het rijck gelijck een met-gesel, Maer dat is nu voorby, dus vaert voor eeuwigh wel! Maeckt, maeckt u vaerdigh wegh!" het woort is nau gesproken, De man is wan-gesien, sijn vrientschap afgebroken, Sijn gunst in haet verkeert, sijn vrydom opgeseydt, En hy dien eygen stondt ter poorten uytgeleydt. De ridder, gantsch bedwelmt van soo een selsaem wesen, Nam dit gelijck een storm in haesten opgeresen, Hy meynt, dat hem de slagh ontstopt uyt sware nijt, Die veeltijts in het hof met felle tanden bijt. Noch gaf hy lijckewel sijn hoope niet verloren, Hem docht dat hy alleen tot voorspoet was geboren; Daer was een dingh gebeurt, waer door sijn dom gemoet In desen vreemden luym noch meer wert aengevoet: Sijn dochter had gedroomt (het dient hier oock geweten) Oock doen hy in het hof vol weelde was geseten, Het scheen, in haren slaep, dat hem den hemel wies, En dat een koude wint hem om de leden blies; Noch scheen hy van de son oock dese gunst te krijgen, Dat hem een vette salf quam van de leden sijgen. Dit wert van stonden aen den ridder aengeseyt, En hem tot groot geluck en voordeel uytgeleyt. Hem dunckt, dat lucht en windt, ja son en hare stralen, Hem eer of hulde doen, en op hem nederdalen. Dit was soo bijster vast den joncker ingebeelt, Dat hem dit evenstaegh ontrent de sinnen speelt; Doch hoe het wesen magh, men heeft wel haest bevonden Dat in den hemel selfs sijn saken qualijck stonden; Want schoon hy sich vermat te schouwen alle druck, Soo trof hem lijckewel een grousaem ongeluck; Want seker machtigh prins, op hem van oudts gebeten, En die sijn wrangen haet niet kond' of wou vergeten, Die vingh hem met bedrogh, eer hy het recht bedacht, En heeft na groot verdriet hem schendigh omgebracht. Maer wat mocht desen mensch soo bijster seer verlangen Na d' uytkomst van den droom? hy wert eylaes! gehangen; Den droom werd waer gemaeckt en tot het licht gebracht, Maer op een ander wijs als by hem was gedacht. Ick hebbe dit verhael in mijne jeught gelesen, En 't heeft my nu gedacht hier nut te sullen wesen, Op dat het blijcken mocht dat vreught en staegh geluck By-wijlen wert verkeert in ongemeenen druck.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings