Editorial note — JACOB CATS
Reading edition
Een jongh en aerdigh paer, een weynigh tijts geleden, Was, na een langh gevry, in echten staet getreden. De tijt doet haren gangh, de bruyloft is gedaen, De vrienden zijn verreyst en hares weeghs gegaen. De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen Dat sy den maeghde-krans niet meer vermocht te dragen, Die nam haer nieuwen vrient soo wat ter zijden af, Daer sy hem ondergingh en dese lesse gaf: "Phileta (sooje weet) wy zijn nu echte lieden, En moeten by gevolgh verschil en onlust vlieden; De vreed' is voor de vrou, en even voor de man, Het beste dat men oyt ten echte brengen kan. Ick wil in dit beleyt mijn kracht en jonge leden, Ick wil tot ons gemack mijn gansch vernuft besteden; Ghy, tracht, gelijck als ik, tot ons gemeene rust, Soo wert ons 't huysgesin tot enckel herten-lust. Wel aen nu, tot een gront van dit geluckig leven, Wil ick, tot uw bericht een nutten regel geven, Ick bidde let 'er op. Want sooje dat betracht, Soo wort ons gansch bedrijf in goeden stant gebracht: Ick heb een selsaem hooft, en dickwils losse vlagen, Die somtijts verre gaen, en niet en sijn te dragen; Maer wie slechts voor een wijl mijn luymen vieren kan, En kryght 'er nimmermeer verdriet of hinder van: Siet als mijn schorte-kleet is uyt sijn plaets geweken, Of dat het metter hant ter zijden is gestreken; Soo weet dat my de schroef dan niet te vast en staet, En let dat ghy voor al mijn luymen gade slaet. Weet ghy dan mijn gebreck een weynigh toe te geven, Wy sullen met vermaeck en in gerustheyt leven; Wy sullen buyten twist verslyten onse jeught, En leven onder een als in gestage vreught." Philetas hoort 'et aen al wat hem Psyche seyde, Het schynt dat hy haer woort als aen syn herte leyde; En naer hy sich hier op een weynigh had bedacht, Soo heeft hy met bescheyt sijn antwoort in-gebracht: "Het is my, waarde lief, een wonder groot behagen, Dat ghy de gronden leght voor onse goede dagen; Ick wil u weder zijn een soet en rustigh man, En brengen tot het werck al wat ick immer kan. Ick heb van u verstaen en wil het over-wegen, Hoe dat in uw gemoet de saken zijn gelegen, Ick wil u van gelijck ontdecken mijnen aert, En 't is de rechte wegh om wel te zijn gepaert. Ick heb een vijsen kop en wonder vreemde kueren, Soo dat 'er niet een mensch by my en kan gedueren; Maer wie mijn grillen viert, of handelt met bescheyt, Die siet den wrock versoent, en haestigh af-geleyt. Maer, op dat ghy verstaet wanneer ick ben te mijden, En hoe dat met gedult mijn rancken zijn te lijden, Soo let op dese peyl: De roos van mijnen hoet Sal u een teycken zijn, wanneer ghy swichten moet. Als die niet recht en staet, dan heb ick vremde grillen; Siet dan mijn hevigh breyn met alle macht te stillen: En soo ghy dat besorght en hier op vlijtig acht; Soo word' ick metter daet in beter stant gebracht." Hier op wert onder hen een soet verbont gesloten, Bevestight door een kus, en met den wijn begoten; Een yder die belooft te passen op het stuck, Op dat haer stil gesin mocht wesen buyten druck. Maer let, hoe dat het volck den wegh hier toe bereiden, En hoe sy nader-hant haer saken over-leyden. Soo haest het vrouwen-kleet is scheef en buyten stant, Soo haest was oock de roos verdraeyt en over kant. Want als Philetas sagh, dat Psyche sou beginnen Te stellen in het werck haer ongetoomde sinnen, Sijn geest was in de weer, sijn bant die wert verset, En soo wert alle twist van stonden aen belet. De vrou in tegendeel had staegh het oogh geslagen Op sijn verdraeyden hoet en sijn verkeerde vlagen Sy viert hem watse magh, en hy verschoont het wijf, En soo blijft yder een gerust in sijn bedrijf. Wel aen dan, wieder is in echten staet getreden, Die prent in sijn gemoet den gront van dese reden: Ghy vrouwen eert den hoet, ghy mans het vrouwe-kleet, Soo blijft het huys gerust en buyten alle leet. 1) aanklampte 2) dat ik niet te best gehumeurd ben 3) verstand 4) eigenzinnig 5) uithouden 6) toegeeft 7) grillen 8) kenteeken 9) opgewonden