← Table of contents
Jacob Cats

Note 13) aanvaard — JACOB CATS

Reading edition

Hier meynt men dat het kint, als onder hen gelegen, De spenen van den wolf heeft in de mont gekregen, En dat hier uyt het beest, verweckt tot beter sucht, Het kint heeft aengeveert

, gelijck een eygen vrucht. 't Is menighmael gesien, gelijck men kan betuygen,

Wanneer daer eenigh beest komt vreemde borsten suygen,

Dat stracx het voetster

-dier het suygelingh bemint, Niet als een vreemt gebroet, maer als een eygen kint; Siet, wat de borst vermagh! misschien om dese reden, Soo heeft de felle wolf het menschen-kint geleden

;

Doch hoe het wesen magh, of wat 'er is geschiet, Men twijffelt aen de saeck en haere waerheyt niet; 't Is ja het eygen kint, dat, in het bosch gebleven, Had bij de seven jaer in 't wilde moeten leven, Dit blijckt eerst uytten tijt, die op den jongen past,

Maer dit bewijs alleen en ware

niet te vast; Men weet op beter gront de saecke na te sporen, Om dat men aen het kint, juyst als het was geboren, Een selsaem overschot van kleyne leden vant, Ses teenen aen de voet, ses vingers aen der hant;

Dies als de gansche buert quam, met een groot verlangen, Het vreemde maecksel sien, wanneer het was gevangen; Soo wert er vast gestelt, dat hy de jongen was, Wel eer door ongeval verloren in het gras. Het kint, door goet beleyt van wreetheyt afgeweken,

Begon op d' achtste maent naer menschen aert te spreken, Ontdeckt

voor al het volck, hoe dat hy was gevoet, Met vlees van eenigh beest, of met geronnen bloet; Seyt mede, dat de wolf en alle wilde dieren Hem plegen over al te streelen en te vieren;

En dat 'er nimmermeer een schaep en was gevat, Of dat hy met 'et beest oock van de bouten at. Ten lesten, als het kint vergat sijn vinnigh woeden, Soo woond'et in het dorp, en leerde schapen hoeden; 't Is neerstigh om de kost, en veerdigh over al,

En vlytigh in de weer, en yder lief-getal

. Maer hoort een selsaem dingh: noyt schapen hem bevolen En worden aangeranst

, of van het wilt gestolen, Geen beir, geen loose vos, geen dier van al het wout, En beet aen eenigh vee, den jongen toe-betrout;

Al wat hy metter hant maer eens en quam te raken, Dat sagh men nimmermeer by eenigh dier genaken; Men hout, dat om de kracht van sijnen wilden aert De kudde was bevrijt en voor het wilt bewaert: Dit bracht hem groote winst, want als de lieden sagen

Dat oock syn speecksel selfs was machtigh wegh te jagen De klaeuwen van den wolf, soo bracht hem ieder gelt, En kocht van sijner hant de vrydom van het velt; Dit bleef den jongen by geheele seve jaren, En doen is dese kracht allenxen

wegh gevaren,

Soo dat voortaen de wolf sijn ouden vrient vergat, En sonder onderscheyt van alle schapen at.

1) toegerust 2) saamgejaagd 3) kleur 4) redelijke taal 5) opmerkten 6) verzacht 7) werpen 8) breekt ... op 9) het houtkappen 10) bevangen 11) buiten zich zelf 12) voor zich roepen 13) aanvaard 14) met rust gelaten 15) vertelt 16) lieftallig 17) aangerand 18) allengs

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings