Note 4 — De Noormannen.
Reading edition
Toen de Noormannen den Christelijken godsdienst hadden aangenomen en als volk door de andere Christelijke volkeren waren erkend, bracht hun oorlogzuchtige en rustelooze geest, en misschien ook staatkundige troebelen, vele edelen er toe benden van avonturiers naar zuidelijke landen te leiden. Onder deze, die men dolende ridders, doch ook wel pelgrims zou kunnen noemen, waren eenige Noormannen, die zelfs het Heilige Land bereikten en wel ongeveer vijftig jaar, voordat de Noormannen Engeland veroverden en de Turken Jeruzalem innamen. Op hun terugtocht naar het vaderland landden zij in Italië. Daar vonden zij de Saracenen van Sicilië, die hun niet minder vijandig gezind bleken dan de Fatimiden, de kaliefen in Palestina. De Saracenen belegerden de stad Salerno, om haar te dwingen schatting te betalen; ofschoon de Noormannen slechts veertig in getal waren, noodzaakten zij, naar men vertelt, de ongeloovigen het beleg op te breken. De vorst van Salerno, Guaimar, was zoo onder den indruk van dit feit, dat hij de vreemdelingen verzocht in zijn dienst te treden, en toen zij weigerden, daar zij “slechts voor hun geloof en niet voor betaling streden”, gaf hij hun een boodschap, of gezanten, mede naar Normandië, in de hoop daar soldaten te zullen werven. Het was misschien ook deze troep pelgrims, die, toen zij uit Palestina terugkeerden, bij den Monte Gargano (zooals wij vroeger reeds hebben verteld) een zekeren soldaat, een gelukzoeker, Melus of Melo geheeten, ontmoetten. Er wordt verteld, dat deze man gevlucht was uit de stad Bari, die toen in handen van de Byzantijnen was, en dat hij met de Noormannen en met soldaten van Guaimar een overeenkomst heeft gesloten om zich op de Byzantijnen te wreken.4