Note 9 — c. 1200–1300.
Reading edition
In hoeverre Dominicus zelf deze gruwelen goedkeurde of er toe aanzette, of er zelfs een werkzaam aandeel in had, is onzeker; het staat echter vast, dat de Inquisiteurs van Toulouse hem vereerden met den titel van “Kettervervolger”9 en dat de geheele inrichting van de Inquisitie kort na zijn dood werd toevertrouwd aan de Dominicaner broeders. Maar of wij het recht hebben om, zooals sommige schrijvers doen, te verzekeren, dat hij buitengewoon en duivelachtig onmeedoogend was, dat hij zonder eenige ontroering keek naar de rookende puinhoopen van Beziers, waar op bevel van den abt Arnold twintig duizend menschelijke wezens werden vermoord, is in hooge mate twijfelachtig. Hij was zeker volstrekt niet onbewogen. Zijn gemoed werd waarschijnlijk diep ontroerd door hetgeen hij de liefde tot God en de menschen noemde, door een innig verlangen om de zielen van zijn medemenschen te redden van datgene, wat hij met volkomen oprechtheid even verschrikkelijk achtte als de hel zelf, vrijheid van gedachte. Laten wij geen inquisitie over zijn karakter houden, ofschoon wij nauwelijks in staat zijn zonder te huiveren de Spaansche Kapel of de S. Maria Novella zelf binnen te treden en een vreemde droefheid ons hart binnendringt, wanneer wij staan voor Angelico’s wondere “Kruisiging” in het klooster S. Marco.