← Table of contents
In Portugal

In Portugal. (continued 2)

Reading edition

Villa Real is een stadje van 7000 inwoners, zonder veel karakter, met rechte straten en met knappe huizen, meest van één verdieping. De zorg, om een schoonen of liever zindelijken gevel te vertoonen, is zoo groot, dat het minste vlekje dadelijk wordt verwijderd onder een laagje witkalk, zoodat de heele stad er net en welvarend uit ziet. De bevolking bestaat voor verreweg het grootste deel uit visschers en handwerkslieden; van die laatste zijn er ongeveer twee duizend, alle werkzaam in groote fabrieken, waar de sardines en ook wel andere visschen geconserveerd worden en voor den handel geschikt gemaakt.

De eerste kennismaking met de bevolking van Portugal strekt geheel tot haar voordeel; wij, vooral onze rijwielen, zijn wel het voorwerp van nieuwsgierigheid, maar de belangstelling blijft bescheiden, en wij worden niet lastig gevallen, als in Spanje, door een bende kleine bedelaars, gonzende, nare vliegen, die met vasthoudendheid den toerist vervolgen en hem zijn genoegen bederven. Het is waar, dat daarentegen, tenminste Andaluzië, de bekoring had van de bloemen in de haren der jonge meisjes. Die bevallige gewoonte, die van de stations, waar de jeugd zich rendez-vous geeft op de uren van aankomst der treinen, ware bloemperken maakt, en waardoor het traject van Grenada naar Sevilla ondanks zijn lengte alleraantrekkelijkst is, die aardige gewoonte bestaat in Portugal niet.

Maar toch, toen wij bij het verlaten van het station van Villa Real buiten waren gekomen, kregen wij den indruk van een heerlijk park, een grooten tuin. Rechts en links stonden tusschen het golvende graan korenbloemen en papavers in haar heldere kleuren; de dichte boomen gaven overal koelte en schaduw; niet enkel de olijfboomen met hun flets groen, maar altijd groene eiken met blauwgroen gebladerte, dennen met stijve naalden en een overvloed van boomen van allerlei breedten in oneindige verscheidenheid. Naast den oranjeboom, den citroenboom, den dadelpalm, den vijgeboom, den broodboom en eucalyptus en palmen, alle schaduw gevend of hun bloemenpracht ten toon spreidend te midden der velden en boomgaarden, omringd en ingesloten door hagen van aloës en cactussen met donkerblauwe vijgen er aan, groeien weelderig alle boomen uit ons land, eiken en kastanjes, olmen en platanen, kersen-, amandel- en perzikboomen.

De trein glijdt voort te midden van al dat groen, en de kleine huisjes van een vlekkeloos wit verhoogen de vroolijkheid van het landschap. Als men, evenals wij, komt uit de kale vlakten en dorre plateaux van Spanje, oefent de buitengewone plantenrijkdom van Algarvië een onweerstaanbare aantrekkelijkheid uit en maakt, dat de mooie provincie onmiddellijk den reiziger voor zich wint. De dorpen volgen elkaar op, alle bediend door een goedig treintje met allures van een voorsteedsche tram; aan de stations komen de dorpelingen met hun vilten hoed met breeden rand op het hoofd of met de wollen muts met omvallende punt, wat afleiding zoeken. Zonder dat ze flegmatisch of stil zijn, heeft hun houding toch niet die zuidelijke uitbundigheid, die men misschien zou verwachten. Maar de meeste van deze menschen zijn ook visschers, en de visscher heeft overal een beschouwende natuur.

Na Villa Real verdient Tavira een bezoek om de schilderachtige ligging. Gezien van den viaduct van den spoorweg, biedt dit stadje van bijna twaalf duizend inwoners met de kerk van den H. Franciscus en de kapel van het hospitaal, met de huizen, die van den heuvel dalen naar de oevers van de rivier Seco en de haven, waar vele schepen van visschers hun masten en ra’s vertoonen, een tooneel vol leven en kleur. Een Jardin public, letterlijk vol rozen en andere schitterende bloemen, loopt langs de haven op den rechteroever der rivier; wij bewonderen er palmen met reuzenstammen en prachtige veerbladeren en gaan dan op onderzoek uit naar een avondeten.

Dat is geen heel gemakkelijk werk, ten eerste omdat in Tavira, als in alle andere plaatsen van Algarvië, geen enkel uiterlijk teeken een hotel aanwijst, en ten tweede omdat wij, die vanavond alleen zijn en geen woord Portugeesch verstaan, bijna onoverkomelijke moeilijkheden hebben te overwinnen, om ons te doen begrijpen. Het duurt wel bijna een uur, waarin we heen en weer worden gezonden door allerlei straten, voor we ons doel hebben bereikt, dat is voor we in een huis zijn binnengelaten, waar we wel twintigmaal voorbij waren gegaan, zonder te vermoeden, dat achter die vensters de tabel d’hôte gedekt stond, waar wij zoo naar smachtten. Wij hebben ons dus vast voorgenomen, aan aanstaande bezoekers van Portugal den raad te geven, toch vooral een beetje Portugeesch te gaan leeren. Enkele woorden, waar het op aan komt, zijn voldoende, enkele substantieven van dagelijksch gebruik, dan kunnen gestes het overige wel doen; maar die paar woorden zijn onontbeerlijk. Laten ze vooral niet rekenen op een zakwoordenboek, of op geschreven schrift; in Algarvië is het onderwijs nog primitief en diegenen, die kunnen lezen, zijn, geloof ik, uitzonderingen.

De trein rolt voort, nu door een door de maan beschenen landschap en brengt ons naar Faro. O, die nachten in het Zuiden, als in de zuivere en doorschijnende atmosfeer de maan met onvergelijkelijken glans schittert, als de sterren bij myriaden fonkelen als zeer zuivere diamanten; die nachten, als het zoo licht is, dat verwijderde landschappen aan den horizon opduiken met volkomen helderheid, nachten, omstraald van glans en poezië, welriekend door de geuren van oranjes en eucalypten, nachten, die overal dezelfden zijn en overal zalig, in de tuinen van Sorrento, de heiden van Corsica, de bosschen van Algarvië, hoe zou men die ooit kunnen vergeten en hoe zou het mogelijk wezen, de bekoring ervan onder woorden te brengen!

Door de open raampjes ademen wij de landelijke geuren in; we kijken naar de witte huizen met de gesloten luiken en luisteren naar het gesnerp van de krekels en de doffe stem van den oceaan met haar eentonig en slaapwekkend rhythme. Er glijden groote wijngaarden voorbij, die hun nieuwe ranken reeds vertoonen, dat is Fuzeta, beroemd door het geheele land om de roode wijnen, die donker van kleur en rijk aan alcohol zijn; de dorpen volgen elkaar snel op; vijgen- en amandelboomen bedekken groote uitgestrektheden, terwijl oude versterkte plaatsen uit den tijd der Mooren hun schaduw tot onzen wagen doen reiken. Eindelijk houdt de trein stil onder een gewelf van eucalyptusboomen. Dit is Faro.

Boerin uit Algarvië.
Boerin uit Algarvië.

Boerin uit Algarvië.

We zijn in de hoofdstad van Algarvië, hoofdstad met het vreedzaam aanzien van klein stadje, dat zeker aan haar haven het te danken heeft, dat Silves er door onttroond is, de oude hoofdstad der provincie. De geschiedenis van Faro is nog al belangwekkend, en het oude slot heeft menig gevecht bijgewoond. Als het geheele land, behoorde Faro eerst aan de Mooren, die het in de 13de eeuw moesten ontruimen, in den tijd van de regeering van Alphonsus III, den populairen “koning der armen”. Op het eind der 16de eeuw, den ongelukstijd in de jaarboeken van Portugal, toen Filips II van Spanje over het land regeerde, ondervond de plaats den invloed van de onderdrukking. De beroemde nederlaag van de onoverwinnelijke vloot, die de vernietiging der zeemacht had na zich gesleept, gaf de stad onverdedigd over aan de invallen der Engelschen, die er in 1596 groote verwoestingen aanrichtten. Dat verleden is nu gelukkig niet meer dan een verre herinnering, en de rustige hoofdstad wordt bewoond door een bevolking van visschers en landbouwers.

Van het station bereikt men in enkele minuten een sierlijken en koelen tuin. De dichtbijzijnde haven is nogal levendig, en de vischmarkt geeft de gelegenheid, enkele typen van de kustbevolking beter te leeren kennen.

Aan zee ligt eerst een lange strook moerassig en onbebouwd land. Het is namelijk in het algemeen het geval, dat de weelderige en mooie plantengroei plotseling op eenigen afstand van de kust ophoudt en plaats maakt voor hard en kort moerasgras. De stad is in een halven cirkel gebouwd rondom de markt; de straten zijn druk, maar de bouwwerken van weinig beteekenis. Toch maakt de kathedraal uit den tijd der Renaissance, gelegen bij het bisschoppelijk paleis op een plein, waar men komt door een oud gewelf van het vroegere kasteel, een nogal schilderachtigen indruk met haar massieven toren en de onvoltooide campanila. Wat de Karmelieterkerk aangaat, aan de andere zij van de stad, men zou het gebouw, als het niet de beide rococo-torens had, door een balustrade verbonden, voor een of ander stijlloos ding kunnen houden voor onbestemd gebruik.

Deze nacht in Portugal heeft bij ons de herinnering nagelaten aan een hotel, dat op een haar geleek op de hotels op Corsica; slechts enkele kamers, eenvoudig maar netjes gemeubeld, op de een of andere verdieping van een huis; gewitte muren, witte, wat ruwe lakens, een bescheiden, goedige waard. Maar wat waren die bedden hard! En wat een stijfheid den volgenden morgen! Maar men gewent aan alles, zelfs aan portugeesche bedden, en men troost zich met de gedachte, dat ze bij warm weer inderdaad nog prettiger zijn dan de zachte, veeren bedden in sommige hoeken van Frankrijk, waar men neerzinkt in een bed van onaangename klamheid.

Het is warm in Faro en gelijkmatig, waarom de stad gekozen is als herstellingsoord bij verschillende ziekten; maar wij herhalen, deze geheele kust, die de uitgezochtste plaatsen zou aanbieden voor winterstations, is in den vreemde totaal onbekend. Als we er hebben bijgevoegd, dat Faro zetel is van een bisschop, en dat men er een heerlijk gebak eet, een specialiteit van de stad, gemaakt van droge vijgen met amandelen, geloof ik wel, dat er niets meer te zeggen valt van Faro. Trouwens men moet hier niet komen zoeken naar monumenten van bouwkunst of naar iets karakteristieks in zake de gebouwen. Al het genoegen van de reis en de vreugde voor de oogen zijn gelegen in het landschap; die kleine stadjes, zoo onbeteekenend, doen u behagelijk aan door het kader, waarin ze liggen, de helderheid van den hemel, de vroolijke en reeds warme Aprilzon en de pracht van het groen.

Het in Algarvië meest gebruikte voertuig.
Het in Algarvië meest gebruikte voertuig.

Het in Algarvië meest gebruikte voertuig.

De spoorweg door Algarvië brengt u door een zijlijn, die bij Tunes de hoofdlijn van Lissabon verlaat, naar Portimao en zal nog worden voortgezet naar Lagos. Die beide steden verdienen een bezoek om haar schilderachtige ligging en omdat beide de punten van uitgang zijn voor uitstapjes naar Monchique (Portimao) en kaap Sint Vincent (Lagos).

Na eenig oponthoud te Silves, dat mooi is gelegen op een heuvel bij de rivier, met de sierlijke kathedraal van de ruïne van de vestingwerken, maar zeer vervallen van haar vroegere grootheid, bereikt men in minder dan een half uur Portimao. Het station is op eenigen afstand van de stad gelegen, op den linkeroever van de gelijknamige rivier. Den toegang tot de stad geeft een houten brug van bijna tweehonderd meter lengte, van waar men een prachtig panorama geniet. Rechts lachende heuvelen, het bekoorlijke dal, waarin de rivier vloeit en aan den horizon de lijn van den Serra de Monchique; links de witte stad, een zeer drukke haven, waar talrijke visschersschepen voor anker liggen, en de rivier, die als een breed estuarium den oceaan bereikt.

Evenals te Tavira en te Lagos ligt een tuin vol bloemen aan de haven. In de schaduw van palmen zien wij naar den tegenoverliggenden oever, waar het dorp Ferrugado in het zonlicht glanst, terwijl men in het dichtbij zijn de hotel een smakelijk maal bereidt, waaraan wij geneigd zijn, groote eer te bewijzen. Krachtige soep, versche baktong, schapevleesch met rijst, malsche biefstuk, eieren in den dop, kaas en verschillende vruchten, koffie zonder cichorei, dat lijkt al heel weinig op het onsmakelijke eten, dat men ons had voorspeld! Tusschen twee haakjes, waarom worden de eieren altijd gepresenteerd op het laatst vóór het dessert, en waarom is een eierdopje een onbekend iets? De Portugees breekt zijn ei in een glas, klopt het, mengt er vaak suiker en melk doorheen en drinkt het mengsel; ik twijfel niet, of het zal wel lekker zijn, maar de bereiding is niet uitlokkend. Wij geven de voorkeur aan onze manier: een dik sneedje brood, waar het kruim in het midden uit is weggesneden, houdt het ei in positie en zoo krijgen we een geïmproviseerd eierdopje. Maar daar een ei alle dagen op het menu voorkomt, daar men dus alle dagen hetzelfde werk moet doen, om een primitieve bergplaats ervoor te maken, die het ei in verticalen stand houdt, zullen wij de volgende maal, als we weer in Portugal komen, eierdopjes meenemen.

Het dorp Odiachre in Algarvië.
Het dorp Odiachre in Algarvië.

Het dorp Odiachre in Algarvië.

Nog een opmerking, die niet onbelangrijk is. Er was ons verteld van de keuken der Algarviërs, dat ze niet alleen niet aanlokkelijk was om de schotels, die ze leverde, maar dat ze weerzinwekkend was om de vele olie van twijfelachtige verschheid, die er systematisch werd gebruikt. Hoe is het mogelijk, zoo van een land te lasteren! Niet alleen waren alle spijzen met boter bereid, maar op tafel stond bij elken maaltijd een schaaltje met versche boter, uitstekend van smaak.

De badplaats Monchique aan den voet van den Serra.
De badplaats Monchique aan den voet van den Serra.

De badplaats Monchique aan den voet van den Serra.

Doch nu naar Portimao! Op twee kilometer van de stad, bereikt men langs een cornicheweg, die de kronkelingen der rivier volgt, het strand van den oceaan bij een plek, de Rocha genoemd, waar een zeebad is, dat pas beginnend zich te ontwikkelen, een goede toekomst tegemoet gaat. Een hotel met een klein casino en een zeker aantal villa’s liggen er op de rots. Als de verkeersmiddelen in beteren staat waren tusschen Lissabon en Portimao, zou zeker deze plaats snel vooruitgaan, want het is onmogelijk, een veiliger strand te vinden, met fijner zand, een mooier zee en een schilderachtiger uitzicht op rotsen.

Van Portimao brengt ons een goede rijweg in drie uren naar Lagos door een golvende landstreek, waar de plantengroei altijd prachtig is en de dorpen altijd wit zijn. De Serra de Monchique beheerscht het landschap voortdurend, terwijl het land geleidelijk afdaalt naar de zee.

Een koele wind tempert de hitte van de zon. Telkens komen wij op ezels boeren tegen; hun bruine tint, hun groote oogen, hun scherp geteekende trekken wij zen op de Mooren, van wie ze afstammen.

Evenals Portimao is Lagos gebouwd aan een rivier, waarvan de breede golf aan den mond een goede haven vormt voor de visschersbooten. Net als te Villa Real doet de geheele bevolking aan vischvangst, terwijl de vangst door tal van fabrieken wordt bewerkt. Dit zeestadje was vroeger van groot belang, zooals nog blijkt uit de vestingwerken, die nog goed bewaard zijn gebleven en van waar men een ruim panorama overziet. Tot de rotsen van de Rocha breidt de reede zich in onmetelijke wijdte uit, die veilige reede, die de engelsche vloot zoo goed kent, omdat zij er geregeld binnenloopt, hetgeen een bron van welvaart oplevert voor alle bewoners.

Het lief gelegen Silves.
Het lief gelegen Silves.

Het lief gelegen Silves.

De straten zijn ongewoon druk. Er is iets aardigs in die fontein aan het eind van de Portastraat bij de vischmarkt, waar vrouwen en kinderen met de kruik op de zijde rustend, om beurten water komen halen, waar karren met in rijen geschaarde waterkruiken staan te wachten, om uit de levende bron hun vloeibare lading in te nemen. Als de avond is gevallen, maakt elke huisvrouw op den drempel van haar huis op een draagbaar fornuis het maal voor het gezin klaar, want het is altijd warm in Lagos en er is niet op schoorsteenen gerekend bij den bouw der huizen; van huis tot huis wordt er gepraat en gelachen, ook om de kuiten der toeristen, wier korte broek de aandacht trekt.

De koninklijke weg zet zich nog voort van Lagos tot Villo do Bispo over een afstand van 28 kilometer ongeveer door de dorpen Espiche, Almadena, Budens en Figueira. Ongemerkt is het landschap veranderd; men bemerkt, dat men die uiterste punt van Europa nadert, die vaak door stormen wordt geteisterd en waar de altijd woelige zee tegen de hooge rotsen breekt. Tot Villo do Bispo houdt intusschen de plantengroei aan, en de cultures volgen elkaar op. Daar eindigt plotseling de weg, en kleine ezeltjes, met wonderlijk hooge zadels zijn de eenige vervoermiddelen.

Villo do Bispo ligt op de punt van een driehoek, omvattend het Sagres-schiereiland en waarvan de basis gevormd wordt door een lijn, die de punt van Sagres met kaap Sint Vincent verbindt. Welk een landschap! Op eenigen afstand van het dorp wordt de plantengroei al armoediger; geen boom, geen stuk bouwland, de zandige en rotsachtige grond levert eerst nog distels op, waarvan de roode en witte bloemen de vlakte bedekken, maar dan verdwijnt alle spoor van planten; alleen enkele salieplanten en wilde immortellen en bramen leggen een beetje kleur op den rosbruinen grond. Welk een triestheid! Wat een verlatenheid! Welk een leegte! Aan den rechterkant verrijst kaap Sint Vincent met haar hooge, donkere rotsen, waarvan het zwarte gesteente altijd door nevelen is omgeven. Een machtige vuurtoren wijst aan de talrijke schepen op zee deze kust aan, waar zooveel schipbreuken hebben plaats gehad. Van het uiterste eind der kaap, die zich meer dan honderd meter boven de schuimende zee bevindt, dwaalt het oog over den onbegrensden oceaan; ons oud Europa eindigt daar in een bepaald grootsch panorama. Men kan begrijpen dat de Ouden, toen ze het beschouwden, er den naam van Promontorium sacrum aan gaven, heilige plaats, voorgebergte, door godsdienstig ontzag gewijd aan den god der zeeën.

Vlak naast den vuurtoren ziet men ruïnen, die moeten hebben behoord aan een oud klooster, dat beroemd was en gewijd werd aan den H. Vincentius, vandaar de naam van de kaap. De legende wil, dat het lijk van den heilige, dat na zijn martelaarschap te Valencia in Spanje begraven was, later, in den tijd der invallen door de Mooren in het Iberisch schiereiland, door vrome handen was overgebracht naar de verre schuilplaats van het heilige voorgebergte. Tien raven vergezelden den stoet. Aan de kaap verlieten ze het lijk van den heilige niet, en toen een kapel, die het bevatte, gebouwd was, vestigden de vogels zich duurzaam op het dak. Dit is een zeer oude legende. Edrisi, een arabisch aardrijkskundige uit de 12de eeuw zinspeelt erop in deze woorden, die de kaap beschrijven, waaraan hij den naam geeft van de Ravenkerk: “De kerk heeft geen veranderingen ondergaan vanaf den tijd der eerste christenen... Zij is gebouwd op een kaap, die in zee ver vooruitspringt; op den top van het gebouw ziet men tien raven; niemand weet, waarom die er verblijf houden, en niemand heeft ze ooit zien wegvliegen. De priesters, die met den dienst zijn belast, zeggen, dat het wondervogels zijn”.

Van kaap Sint Vincent naar Sagres vormt de kust diepe baaien, in welker diepte de zee onophoudelijk tegen de rotsen klotst. Als het mogelijk is, wordt het land nog troosteloozer. Sagres is nu niet anders dan een armoedig dorpje, welks ruwe bevolking om het leven kampt met den dorren grond en die, om haar dorst te lesschen, niets heeft dan het hemelwater, dat opgevangen wordt in zoogenaamde marete’s, réservoirs in de open lucht, die zoo zijn ingericht, dat ze aan den voet der hellingen al het vocht opvangen, vallend in deze kuststreken. Het is een zwart, vuil water, maar de menschen stellen het op hoogen prijs.

Kaap Sagres is eerder een schiereiland dan een kaap. Dat schiereiland wordt afgesloten door oude, lage, massieve vestingwerken, in welker midden een poort door een bastion gekroond is. Het dorp is evenals de kust vol van herinneringen aan den infant Hendrik, die de plaats in 1419 zou hebben gesticht en er werven zou hebben aangelegd en scholen, met het doel, de zeevaart te ontwikkelen en de groote zeevaartkundige ontdekkingen. Men laat u zelfs in Sagres het huis zien, waar hij zou hebben gewoond en waar hij ook gestorven zou zijn; ook merkt men er een marmeren plaat op, die er in 1839 is geplaatst boven de binnenpoort van de plaats op bevel van koningin Dona Maria II, teneinde voor altijd de herinnering levendig te houden aan den grooten Infant. Maar hier raken wij aan een probleem, dat de portugeesche archaeologen lang heeft bezig gehouden en nog niet met rust laat, namelijk waar precies de plek is van die “Villa do Infante”.

Er zijn twee inrichtingen; de eene pleit energiek voor Sagres, en de andere, steunend op de termen van een charter van Dom Hendrik, gedateerd van 19 September 1450 en op verschillende andere bescheiden en getuigenissen, bestrijdt die meening en plaatst de stad van den Infant dichter bij kaap Sint Vincent, op de plek, die Beliche genoemd wordt. Na onderzoek van de stukken zouden wij geneigd zijn tot de laatste opvatting. Hoe het ook zij, het staat wel vast, dat op deze kust en binnen een bekenden kring van ongeveer een mijl de infant omstreeks 1460 een dorp heeft gesticht, waaraan hij zijn naam verleende. Dat dorp had ten doel, zoo zegt het charter, hulp en bijstand te verleenen aan de talrijke schepen, die door tegenwind gedwongen waren in deze streken een schuilplaats te zoeken, en waarvan de bemanningen dikwijls op deze kusten aan land werden geworpen. De gedenkplaat van 1839 spreekt bovendien van een beroemde school van cosmographie, van een sterrenkundig observatorium en van werven voor den bouw van oorlogsschepen. Het lijkt dus wel zeker, al blijft nog open de discussie over enkele vragen naar personen, tijden en plaatsen, dat de omgeving van kaap Sint Vincent in vervlogen eeuwen het tooneel is geweest van groote maritime werkzaamheid; dat energieke zeevaarders en misschien groote vloten van daar zijn vertrokken, om verre landen te ontdekken en onbekende streken te leeren kennen. Men gevoelt nog duidelijker dan anders de ijdelheid van de aardsche dingen en de onstandvastigheid van het werk der menschen, als men deze treurige en verlaten streken doorreist, nu de stroom der jaren alles heeft verplaatst en zooveel heeft vernield, na het eerst te hebben opgebouwd.

De ezeltjes hebben bij het verlaten van Sagres hun tragen gang hervat; de doodsche streek ontvangt het laatste licht van den stervenden dag; de nacht valt langzamerhand over de kust en geeft aan de hooge rotsen schimachtige gedaanten, terwijl de maan over de rustig geworden zee een reuzendraperie van zilver legt.

Van Algarvië hebben wij tot nu toe slechts de vlakten en het strand gezien; wij moeten nog, voor we Alemtejo onder handen nemen, doordringen in dien Serra de Monchique, dien men ons als schoon heeft beschreven en waarvan de sierlijke vormen een wonderprachtig belvedère schijnen, geplaatst door de natuur juist aan het begin van ons oud Europa.

De rijweg, die naar de badplaats Monchique voert, gaat van Portimao uit en loopt langs den stijgenden rechteroever der rivier. Het uitstapje, met de onvermijdelijke bestijging van la Foia, het hoogste punt van de bergketen, kan desnoods in een enkelen dag gebeuren; maar als men het onvergelijkelijke schouwspel van den zonsondergang wil genieten, is het te verkiezen, naar beneden te gaan, om te logeeren in het hotel van de badplaats Monchique, van waar men gemakkelijk den volgenden morgen in Portimao terug kan zijn op het uur van het ontbijt. Wij kunnen dit uitstapje niet hartelijk genoeg aanbevelen; het is niet ver en niet vermoeiend, noch kostbaar, ongeveer 2000 of 2500 reis, dus zes of zeven gulden, voor een rijtuig met twee paarden. Maar ook kan men den toerist niet ernstig genoeg waarschuwen voor een vergissing, waarvan hij noodzakelijk het slachtoffer moet worden, als hij zich toevertrouwt aan de aanwijzingen van den officieelen gids der portugeesche spoorwegen.

Men vindt inderdaad in de genoemde gidsen ten zuiden van Beja, op de lijn van Lissabon naar Villa Real de Santo Antonio, een station, dat antwoordt op den naam Saboia Monchique en dat, naar de kaart te oordeelen, vlak bij den Serra moet liggen. Dat is echter een grap en niets anders, of ja, het is meer, en die aanwijzing, die door niets gerechtvaardigd wordt, moest onmiddellijk verdwijnen, want zij stelt er den reiziger aan bloot, om te goeder trouw een allervervelendste vergissing te begaan. Het station Monchique ligt ongeveer vijf uren van het dorp van dien naam, en het is zoo goed als onmogelijk er te komen. Er is inderdaad geen weg, geen pad zelfs; noch paarden, noch rijtuigen, noch ezels kunnen er u brengen door den doolhof van heuvels en dalen. De rampzalige reiziger is genoodzaakt in dat verloren land te wachten op den volgenden trein, dat wil zeggen philosofisch stil te zitten van vijf uur ’s morgens tot twee uur in den namiddag, of van twee uur ’s middags tot twee uur ’s morgens. Hij zal dan leeren begrijpen, dat de kortste weg tusschen twee punten niet altijd de rechte lijn is, want om zijn doel op andere wijze te bereiken, zal hij nog bijna vier uur moeten sporen en drie uur per rijtuig afleggen, samen 90 kilometer.

En nu wij toch op dit onderwerp zijn gekomen, laat ons nu dan zeer luid zeggen, dat die omweg onzin is. Monchique, een prachtig gelegen plaats, een middelpunt, als aangewezen voor een lustverblijf, dat warme, zeer geneeskrachtige bronnen heeft, moest daarheen de toegang niet op alle mogelijke manieren gemakkelijk zijn gemaakt? Zooals de toestand nu is, levert alleen Algarvië de bezoekers, zoodat feitelijk enkel die provincie er van profiteert. Is het dan zoo moeilijk, een weg van twintig kilometer aan te leggen, zelfs in een land met geaccidenteerd terrein, en er een automobieldienst in te stellen, zooals reeds met goed resultaat op veel plaatsen in Portugal werkt? Waarom neemt de staat niet het initiatief tot die onderneming, en waarom is er, als de staat zich onthoudt, niet een groep kapitalisten, die een zaak wil exploiteeren, waardoor Monchique minder dan tien uren van Lissabon zou zijn verwijderd, en die dus een schoone toekomst zou tegemoet gaan?

Nu dit gezegd is, keeren we tot ons onderwerp terug. Na de geheele bovenstad te zijn doorgegaan, verlaat de weg Portimao en daalt in het dal af. De boerenhoeven volgen elkaar op met hun wijngaarden en vruchtboomen. De grondeigendom is zeer verbrokkeld in deze streek. De boomgaarden hebben alle hun vruchtbaarheid te danken aan de noria’s, die er vlijtig werken aan de besproeiing. Zoo’n noria is een origineele pomp, gevormd door een primitief rad, op welks schoepen potten of kannen van aardewerk of tin zijn bevestigd of oude inmaakblikken en melkkannen, die elk op hun beurt het water scheppen uit het réservoir. Een ezel, die geresigneerd rond loopt in een cirkel, brengt het toestel in beweging.

De weg loopt over de rivier en gaat dan met een flauwe helling in het dal omhoog, dat nauwer wordt en in den Serra verdwijnt. De rivier, die tot beek wordt, kabbelt onder eucalyptusboomen; de hellingen worden steiler, de horizon wordt wijder en Caldas de Monchique verschijnt in een wonderlijk dichte massa groen.

De bergketen van Monchique heeft twee alles beheerschende toppen, den Foia van 903 meter en den Picota van 780 meter hoogte. Op de zuidelijke helling van den Picota liggen de baden of caldas van Monchique ter hoogte van 250 meter, en op zes kilometer afstands van de stad van denzelfden naam. De badplaats ligt aan den ingang van een ravijn, waar zes warme bronnen ontspringen; het badhuis bezit alle moderne hydrotherapeutische inrichtingen; de talrijke badkamers hebben ieder op de deur een aanwijzing in groote witte cijfers, hoeveel het abonnement kost, een prijs, die niet voor alle gelijk is. Van de bronnen is die van Sint Jan de voornaamste, waarvan de opbrengst in 24 uur 280.000 liter bedraagt; het water werkt vooral goed op aandoeningen van rheumatischen aard en huidziekten. Het aantal baders wisselt af tusschen zes- en zevenhonderd.

De ligging van de badplaats is verrukkelijk. Van het badhuis zelf is het uitzicht beperkt; maar wanneer men slechts vijftig meter is gestegen op de helling der bergen, door de lanen van een park vol bloeiende mimosa’s, kan men een heerlijk panorama genieten, dat telkens wijder en schooner wordt bij elke bocht van den weg. Op den voorgrond zware bosschen, waarin lichtgekleurde optrekjes zich in het groen verbergen. Verder daarachter een ware zee van bergen, die onmerkbaar dalen en waarin het spel van het licht zonderlinge tegenstellingen vormt; dan de breede gordel van den kustzoom van Algarvië, bestippeld met tal van dorpen, en eindelijk de zee, zich aan den horizon aansluitend bij het blauw des hemels.

Van de badplaats bereikt men in een uur het stadje Monchique, in de schaduw der kastanjes en acacia’s. Op de zonnige hoogvlakte, vruchtbaar gemaakt door vele bronnen, zijn overvloedige tuinen van oranjeboomen, en de tuinbouw levert er in het algemeen prachtige resultaten. Monchique voorziet Algarvië van de beste groenten, de heerlijkste vruchten, en het tuinbouwbedrijf is een bron van rijkdom voor het land. De waarde is meer dan vertienvoudigd in de laatste jaren; terreinen, die vroeger verkocht werden voor eenige honderden francs brengen nu 5000 francs en meer als koopsom op. De bevolking is toegenomen in rechte reden met den rijkdom; ze heeft zich in dertig jaren verdubbeld.

Kaap Sint-Vincent.
Kaap Sint-Vincent.

Kaap Sint-Vincent.

Het stadje is bekoorlijk met zijn Dos Chorocsplein, waar een honderdjarige eik staat, zijn straten, die den heuvel beklimmen, het kerkje met de eigenaardige, uit de hand bewerkte deur en de terrassen bij de woningen vol oranjebloesem en andere bloemen. Wij hebben reeds elders gesproken over de hartelijkheid van de ontvangst door den gemeenteraad, de overal ons toegestoken handen, de aanbiedingen van gastvrijheid, treffend van eenvoud en die openhartige blijdschap van menschen, die gelukkig zijn met een bezoek en dat niet verbergen.

En nu op weg, vlug op weg, om vóór zonsondergang het hoogste punt van den Serra te bereiken, den Foia. Een cavalcade van ezels is gauw klaar met het onvermijdelijke geroep en gelach, de dwaze vertooningen en nuttelooze aanmoedigingen. Arr burro!

Arr burro! Ondanks dien keelklank, die bedoelt, hen aan te zetten, nemen de kalme beesten een kalmen gang aan met een hardnekkigheid, een zacht verzet, dat misschien niet onpolitiek is. Van tijd tot tijd wappert de staart en de ooren gaan overeind staan, en het dier schijnt ons te willen zeggen: “Harder loopen? Dat zou ik u wel eens willen zien doen!”

Inderdaad stijgt het pad verschrikkelijk en de ezels raken buiten adem. Na anderhalf uur ongeveer van geradbraakt worden op een zadel van een onmogelijke breedte, bereikten wij de obelisk op den top. Welk een prachtig tooneel! Geheel Algarvië en Beneden Alemtejo liggen aan onze voeten, als een aardrijkskundige reliefkaart; in het Zuiden van kaap Sint Vincent tot kaap Sainte Marie; in het Noorden tot de hoogten van Coïmbra en kaap Espichel breidt het land zich tot in het oneindige uit over wel twintig districten. Maar het glanspunt is de zee, waar de wijde ruimte vóór ons ligt. In het Westen gaat de zon onder, de golven stralen in goud, purper en oranje, en de gouden bol daalt langzaam in het water in een apotheose van stralen, een uiteenspatting van vonken. Toen het donker was, daalden wij naar beneden, naar Monchique, nu onder den indruk van het landschap bij maneschijn.

Zoo is dat zoo goed als vergeten Algarvië. Het land is het waard, dat men er veel dagen vertoeft, en wij betreuren het, dat ons de tijd maar schraal is toegemeten, de tijd, die snel voorbij is, en dat wij al van het mooie land afscheid moeten nemen.

Alemtejo is ook al belasterd, de provincie, die met Algarvië het Zuiden vormt in Portugal, en dus de streek van achterlijkheid en primitieve toestanden, naar men in het overige land denkt. Alemtejo beteekent “over de Taag”, met een ietsje van minachting. Men zou kunnen denken aan een mooie dame, die met een minachtend lachje zou spreken over een “zekere wereld”, een van die plaatsen, waar men geen goed gezelschap aantreft, en waarheen men zich slechts begeeft, om aalmoezen uit te deelen of kiezers op te scharrelen.

De kopermijn van Aljustrel in Alemtejo.
De kopermijn van Aljustrel in Alemtejo.

De kopermijn van Aljustrel in Alemtejo.

Laat ons eerlijk zijn. Alemtejo is vlak, zeer vlak over twee derden van zijn oppervlakte, met een vijfde geheel onbebouwd. Het is de provincie van bouwland en van groote domeinen, landgoederen, waar de portugeesche markiezen van Carabas niet in een enkelen dag hun bezittingen kunnen rondrijden. De hertog van Palmella is bijvoorbeeld een van die grondbezitters.

De indruk van eenzaamheid is des te sterker, daar de spoorweg zelden dicht langs de steden en dorpen gaat. Sommige stations liggen op twee of drie mijlen verwijderd van de plaatsen, waarbij ze behooren, met wegen, die uit den tijd der Westgothen stammen, om ze ermee te verbinden. Die uitgestrekte, dorre, schaduwlooze streken, zonder water en ver van de zee, zijn de warmste van het land, maar men kan er veel warmte verdragen, daar de lucht er niet vochtig is; 35 graden Celsius verdraagt men met gemak, soms 40 graden, terwijl aan de kust 25 of 30 graden iemand al doodop maken.

Dit geldt natuurlijk voor den zomer, want in den winter daalt de thermometer in den zonneschijn en bij de heldere lucht dikwijls tot 7 of 8 graden. Dan bibberen de reizigers in de derde klasse, die als in de open lucht reizen in wagens zonder glas in de vensters, en ze droomen van het tropenland bij het wapperen der gordijntjes. De nachten zijn trouwens nooit te warm, en de toeristen zullen goed doen, er aan te denken, dat alleen in de koudste maanden een mantel noodig is. In elk geval zijn de waggons eerste klasse even goed en even dicht als bij ons, zonder nog te spreken van het rijtuig met zijgang, dat tusschen Lissabon en Villa Real de Santo Antonio rijdt.

Dus in tegenstelling van Frankrijk is het Noorden van Portugal verheven boven het Zuiden, dat, het is waar, er geen roem op draagt het monopolie te hebben van de groote mannen, ministers, zangers, schrijvers, generalen, noch zelfs dat van de vele wijnen.

Bij den eersten aanblik begrijpt men den trots van het Noorden, maar als men beter toeziet, acht men dien toch oppervlakkig en ongegrond.

Vooreerst heeft de Portugees aan Alemtejo het witste brood te danken, dat hij eet, en de paarden krijgen van daar hun haver. Niet veel gouden appelen en weinig rozen, het is waar, maar graan en koren in overvloed, die dan toch een kracht zijn in het leven. De boerenhoeven zijn zoo groot en het bedrijf wordt zoo goed gedreven, dat men ze nergens zoo vindt dan misschien in Engeland en Hongarije. Het zijn groote ondernemingen, waar men een talrijk personeel onderhoudt, in ruime gebouwen, in aantal genoeg om aan een gehucht te doen denken.

Men moet aan de stations of in de steden de boeren en de herders zien, met hun zware gordels, hun breedgerande hoeden, hun korte, gegalonneerde buizen en hun wijde broeken, om een denkbeeld te krijgen van hun beteekenis en hun rijkdom. Daarbij zijn ze ook forsch en gebruind, stevig van bouw; ze dragen het hoofd hoog; hun baard is goed geschoren, hun kleeding onberispelijk, hun zindelijkheid tot bij het kleingeestige af. Of de heeren van het Noorden het goed vinden of niet, zulke boeren hebben al heel weinig van Zoeloes of Botokoeden, en ze hebben dat nog minder, als men in de gelegenheid is, hun welwillendheid en beleefdheid op de proef te stellen.

Alemtejo heeft nog meer in zijn grond, namelijk koper. Een rijke ader loopt er in door, van de spaansche mijnen van Tharsis en Rio Tinto. Santo Domingo en Aljustrel zijn de beide voornaamste mijnen der provincie.

De eerste, dichtbij de grens van Spanje, wedijvert met haar machtige buren en zendt haar product langs een eigen spoorweg naar Pomarao aan de Guadiana, waar de groote stoombooten ze laden voor Engeland. De exploitatie wordt aan de vrije lucht gedreven in een reusachtige uitgraving onder leiding van een engelsche maatschappij. Aljustrel behoort aan een belgische maatschappij en zendt haar koper vooral naar Duitschland. Zooals men ziet heeft de Portugees in dezen geen geest van initiatief getoond, hoewel hij anders niet zoo lui is, als de legende wil, en wel degelijk werkt en bouwt en oogst, en daarbij geen moeite spaart. Van die beide mijnen, waaruit men reeds voor honderden millioenen, misschien voor milliarden heeft getrokken, behoort de eene aan Engelschen, de andere aan Belgen, of met andere woorden, van die fortuinen blijft er in het land, dat ze voortbrengt, niet anders dan de loonen van de arbeiders en de uitgaven van het hoogere personeel. Al het overige gaat het land uit en gaat den buurman verrijken, hetzij in den vorm van dividenden, hetzij in dien van bestellingen van machines.

Het is zonderling op te merken, hoe alles, wat voordeel kan opleveren, in handen is van vreemdelingen. De Portugees heeft geen ondernemingsgeest, of als hij die wel heeft, kan hij geen geld krijgen om hem te helpen. Er zijn weinig kapitalen, dat is zeker, maar het is vooral, dat die, welke er zijn, het rechte vertrouwen missen, en daardoor mislukt bijna elke nationale onderneming. Die soort van apathie vol vrees verklaart ook de ongeschiktheid van den Portugees voor bestuursfuncties. De wil, de vaste wil, die tot nauwlettende studie voert, die tot een beslist oordeel en tot snel besluiten leidt, ontbreekt bij den Portugees. En men moet vandaag leven, dat is waar, maar wat morgen aangaat, dat kunnen we dan wel zien! De haven van Lissabon, die door een fransche maatschappij aangelegd en geëxploiteerd is, kwam den 7den Mei j.l., bij het afloopen der concessie, onder een portugeesche directie. Niemand twijfelt er aan, of het loopt spaak, en op een goeden dag zal men moeten terugkeeren tot den ouden staat van zaken, zoo overtuigd is men, dat het nieuwe stelsel maar tijdelijk zal wezen.

Tevergeefs beproeft de regeering daartegen te reageeren. Te Santarem heeft zij een franschen practischen ingenieur laten komen voor de rectificatie van den alcohol. Er is een fabriek gebouwd met moderne machines voor meer dan 250 000 francs. Men wilde een nieuwe industrie in het leven roepen en leerlingen vormen. Maar de practicus in quaestie heeft noch een leerling, noch een klant gekregen, en hij is moeten vertrekken, toen zijn engagement was afgeloopen, de machines prachtig gepoetst achterlatend, die, als er weer eenige jaren zullen zijn verloopen, een goede voorraad oud roest zullen zijn.

De Koninklijke Spoorwegmaatschappij wordt bestuurd door een fransch ingenieur, aan wien ze haar ordelijken toestand en haar voorspoed te danken heeft; de trams te Lissabon loopen met geld en ijzer uit het buitenland: fransch is de groote brug van Santarem; belgisch de brug van Dom Luiz te Oporto, een der glories van die stad; engelsch, duitsch of fransch bijna alle scheepsgelegenheden... zoo is het met alles... Maar wij waren aan de mijnen; keeren we daarheen terug.

Ze zijn onderworpen aan de regelen van de fransche wet van 1810, dus wordt er onderscheid gemaakt tusschen den eigendom van de oppervlakte en van den ondergrond. Maar als de eigenaar van den ondergrond een put zou willen graven aan de oppervlakte, moet hij zich natuurlijk ook het bezit daarvan verzekeren. De eigenaar van de laatste kan zich daar niet tegen verweren, want er wordt spoedig tot onteigening overgegaan, maar dan met de verzachtende omstandigheid, dat de bezitter van den bovengrond het dubbele ontvangt van de geschatte waarde.

Men kan wel nagaan, dat de beide groote mijnen van Alemtejo een groote waarde vertegenwoordigen, in dezen tijd, nu het koper zoowel om de reëele waarde, als voor de speculatie zoozeer op prijs wordt gesteld. Met koortsachtige belangstelling wordt dat metaal gezocht en de opbrengsten zijn verbazend toegenomen.

De mijn van Aljustrel geeft aan 400 mijnwerkers arbeid, tegen een dagloon van 3.50 francs in vijf putten, en aan 1400 andere arbeiders tegen 2.50 francs per dag. Het syndicaat, zooals het bij ons te lande werkt, is er nog onbekend. Er bestaat alleen een coöperatie, in April 1907 gesticht voor de verschaffing van levensmiddelen en een hulpkas, die van Februari dagteekent. Daardoor heeft elke werkman tegen een storting van twee francs per maand recht op geneeskundige hulp, geneesmiddelen en verpleging in geval van ziekte.

Zoo de Aljustrelmijn interessant is uit het oogpunt van moderne exploitatie in Portugal, ze is dat nog meer uit een ander oogpunt, namelijk als vindplaats van zeer belangrijke overblijfselen van den arbeid der Romeinen.

Vipasca, dat thans bekend is onder den arabischen naam van Aljustrel, was een der belangrijkste kopermijnen en tevens waren er zilvermijnen in den romeinschen keizertijd. In 1876 ontdekte men onder de slakken en het puin van den mijnput van Algaras een bronzen plaat, O.78 meter hoog, O.52 meter breed en O.08 tot O.13 meter dik, waar een latijnsch opschrift op te lezen was.

Daar waren de oudheidkundigen klaar met hun lorgnetten.

Want inderdaad, hier was iets buitengewoons te lezen. Men kreeg nu niet, zoo dacht men te hooren, de voor de eeuwen vastgelegde edelmoedigheid van den een of anderen goedigen rijkaard, die een groote som offerde, om in de tijden van Hadrianus de leegloopers te vermaken, maar men zou het reglement van de mijn leeren kennen, en dus inzicht krijgen in het openbare of particuliere leven van de bevolking in den omtrek, die van de mijn leefde. Als er toen een Bond van den Arbeid had bestaan, wat zou die daar een ervaringswijsheid hebben kunnen opdoen! Welk een tribune voor zijn ontevredenheid! Wat zou de sabotage daar hebben kunnen uitwerken. Om de waarheid te zeggen, de vrijheid van handel en bedrijf zou gevaar hebben geloopen.

Maar het bleek, dat de tekst over eenvoudige dingen handelde. Na de bepalingen omtrent den honderdsten penning, te betalen bij iederen verkoop in het openbaar, en over het uitstel van drie dagen, waarna de kooper dubbel zal moeten betalen, bepaalt het geschrift bij voorbeeld, dat men zich alleen mag laten scheren en haarknippen door zijn slaaf, als men een vrije is, of door zijn medeslaaf, als men zelf onvrij is. Elke barbier, die van buiten komt tegen het bevel, moet boete betalen, verliest zijn gereedschap en moet de Vicus Vispascensis verlaten. De kleermakers, schoenmakers en dergelijke mogen slechts hun bedrijf uitoefenen onder stipt vastgestelde voorwaarden. De bestuurder der baden, die de zegeningen van een wekelijkschen rustdag niet mag kennen, moet dagelijks, ook des Zondags zijn vuur, zijn water, zijn stoom enz. gereed houden.

Er kwam nog een naspel bij deze vondst, toen in 1906 een nieuwe bronzen plaat werd opgegraven, die werkelijk de regels der concessie en der exploitatie van de mijn bevatte. Men leerde toen, dat de romeinsche wetgeving in dergelijke zaken zeer veel van de onze verschilde. Er werd toen een stuk grond gegeven aan diengene, die meende er metaal uit te kunnen halen; er werd hem niets gevraagd, maar hij moest graven, graven zonder uitstel het vastgestelde aantal putten, en deelen met den fiscus in gelijke deelen wat zijn exploitatie hem opbracht.

Het belang van den een was dus ook het belang van den ander, en de staat, die de beschikking had over onbeheerde gronden, had, hoe de zaak ook afliep, geen risico, en de concessionaris behoefde niemand uit zijn bezit te verwijderen. De beide platen bevinden zich op het oogenblik in het Museum te Lissabon.

Aljustrel heeft met zijn naam ook een arabisch voorkomen aangenomen, nog te herkennen in de lage huizen, wit en blauw geverfd, die langs de wegen staan, op de manier van de dorpen in Alemtejo. Alleen verheffen zich in den omtrek een paar heuvels, waarop met een zonderling geknars die windmolens draaien, waar Portugal het monopolie van heeft, en waarvan de wieken uitsluitend uit zeilen bestaan. Er is geen spoor meer over van het oude kasteel, dat in de 13de eeuw zijn muren boven Aljustrel verhief.

Alemtejo is een land vol geschiedenis. Wij hebben er zoo juist een bladzij van gelezen, in brons gegrift. Een andere, roemrijker pagina wordt daar dichtbij opgeroepen door den enkelen naam Ourique.

Ourique, een arm en onbeteekenend dorpje, verloren te midden der vlakte, is tegelijk het graf van de moorsche dynastie en de wieg van het koninkrijk.

Ten noorden van het dorp, op de plek tusschen Ourique en Castro Verde, genaamd Campo d’Ourique, verpletterde Alphonsus Henriquez, afstammeling van Hugo Capet, achterkleinzoon van den hertog van Bourgondië Robert, en zoon van Hendrik van Bourgondië, die het “graafschap” Portugal had ontvangen toen hij de dochter van den koning van Castilië trouwde, verpletterde, herhaal ik, die Alphonsus Henriquez in 1139 het muzelmansche leger, dat aangevoerd werd door vijf generaals en dat al de strijdkrachten van het koninkrijk Algarvië in zich vereenigde.

Dat was de genadeslag, aan den Islam toegebracht aan dezen kant van de Guadiana en die een eeuw later werd gevolgd door de overgave van Silves, de hoofdstad, waardoor geheel het grondgebied van de moorsche heerschappij werd bevrijd.

Men kan nagaan, dat zulk een heldendaad den weerklank van een donderslag had en den roem van Alphonsus ten top deed stijgen. Deze, die even handig als dapper was, liet, zegt men, te Lamego een vergadering bijeenkomen van vertegenwoordigers van alle klassen der bevolking. Hij zelf verscheen er met geen andere teekenen zijner waardigheid dan den grooten degen, dien hij te Ourique had gedragen. Hij werd levendig toegejuicht, waarna Lourenco Vigas, de procureur der vergadering, voorstelde, hem den titel van koning toe te kennen, wat vol geestdrift werd aangenomen. De aartsbisschop van Braga zette hem, zoo wordt erbij verteld, de gouden kroon op het hoofd, die door de westgothische koningen gegeven was aan de abdij van Lorvao. Alphonsus begon toen zijn regeering, en de portugeesche dynastie was gegrondvest.

Niets dan een bescheiden obelisk herinnert aan een gebeurtenis van zoo groot gewicht voor de monarchie, voor het portugeesche volk en voor de zegepraal van de arische beschaving. Maar het is een legende, en de geschiedschrijver Herculano is daaromtrent zeer sceptisch gestemd.

Als men Ourique en Aljustrel voorbij is, volgt de vlakte, steeds de vlakte, met velden waar het jonge koren golft tusschen grijze steenachtige plekken. Nu en dan glijden ons eucalyptus-boomen voorbij en teekenen hun ingescheurd gebladerte af op een lucht, die wel gemaakt schijnt van rose en blauwe pasteltinten. Die boomen moeten gezondmakend zijn, vijanden van miasmen; maar het zijn tevens sombere boomen, vooral als ze alleen staan, verlaten in wijde ruimten, die ze vullen met hun kruiderigen geur als van cypressen. Eindelijk vertoont zich op een kleine hoogte, maar van waar men een wijden horizon overziet, een stadje met een hoogen toren, dat is Beja.

Niets doet een fransch oog wonderlijker aan dan die eng begrensde stadjes, waar geen enkel huis uit de rij naar voren springt, waar geen boom wat leven brengt, zonder eenig détail dat het oog rust geeft van de eentonigheid der huizengroep. Het leven schijnt er uitgestorven en de vreugde eveneens. In Spanje zijn zulke dorpen regel, en men gewent eraan, maar in Portugal is alleen Beja zoo triest, gevend den indruk van eenzaamheid en geslotenheid. Ieder raadt het u dan ook af, als ge zegt, naar Beja te willen gaan en er een poosje te willen blijven. Inderdaad, als men er komt, is die lust u ook al vergaan; is men er eenmaal vandaan, dan ademt men vrijer. En toch, ja toch, als men die omgeving van onbegrensde ruimte maar tracht te vergeten, heeft Beja nog wel zijn eigen aantrekkelijkheid. Men hervindt er zijn keurig zindelijk Portugal, vol bloemen; het is als een openbare tuin, netjes geharkt, met overvloed van rozen en welriekende geuren, het is een acacialaan, waar de balsemroke der witte bloemen hangt, het is een kerkje met een sierlijke poort, het zijn witte straatjes, leeg en schoon, aan welker eind men altijd weer den toren van koning Denys te zien krijgt.

Beja’s reputatie staat en valt met dien vierkanten toren, die zeer hoog is en nog voorzien van resten van kanteelen en van schietgaten, en die van wit marmer is opgetrokken. Jammer genoeg, is hij leelijk ingesloten tusschen middelmatige gebouwtjes, die het aanzien afbreuk doen; maar als men op eenigen afstand van uit de vlakte ernaar ziet, wordt de toren hooger, beheerscht den omtrek, rijst als het ware uit zijn omhulling vrij omhoog. Hij waakt over Alemtejo. Als het helder weer is, wat dikwijls het geval is, kan men hem tien mijlen ver zien; men onderscheidt hem van af de hoogten van Monchique, op dertig mijlen afstands in vogelvlucht.

Maar de aantrekkelijkheid van Beja is eigenlijk intellectueel en moreel, in zoo ver men hier heeft het stadje met doodschheid en stilte, maar ook met bewaard gebleven oude gebruiken; het stadje, waar niemand komt, waar de vreemdeling niemand onrust of verderf brengt, waar het leven van oudtijds zijn gang is gegaan met zijn vormen en gewoontetjes, zonder dat er iemand om durft te glimlachen of van ancien régime durft te praten, waar men gezichten achter de gordijntjes vermoedt, die tersluiks eens naar buiten kijken.

Portugeesche windmolen.
Portugeesche windmolen.

Portugeesche windmolen.

In zoo’n plaatsje ziet men hier nog den heer des huizes, die vader en echtgenoot, heer en pacha is gebleven, zijn maaltijden in eenzaamheid gebruiken, terwijl het verdere gezin eerbiedig wacht, tot hij, door heen te gaan, aan de anderen vergunt, om op hun beurt te eten. Stellig doet zoo iets aan arabische gebruiken denken, net als andere dergelijke gewoonten, die nog in het Zuiden van Portugal gangbaar zijn. Zoo is het in huizen, waar de meester wel toestaat, dat de leden van het gezin met hem het maal gebruiken, toch nog de gewoonte, dat men na den maaltijd bij het opstaan de dame des huizes groet en kust, of althans haar de hand geeft. Dat doet men zelfs in Lissabon, in de beste kringen.

Het duidelijkste merk teeken, dat de Arabieren hebben achtergelaten, is echter de tegenwoordige plaats der vrouw in de samenleving. Het is waar, ze is niet meer opgesloten, noch gesluierd, maar de traditie leeft toch nog, despotisch en waakzaam, en men moet er rekening mee houden, als men over de Portugeesche een oordeel wil uitspreken, dat geen afkeuring is.

De vrouw neemt bijna geen deel aan het openbare leven, gaat zelden uit in de wereld en komt zoo weinig mogelijk op straat. Vandaar die soort van beschroomdheid, die gegeneerdheid, bijna zou men zeggen, onhandigheid, gaucherie, die men aan haar bespeurt, zoodra ze uit haar gewone doen is. Zij is, wat wij een huissloofje noemen inde volle beteekenis van het woord, ze heeft een zekere onverschilligheid en weinig gevoel voor sierlijkheid en verfijning. Een goed gekleede vrouw in den zin, dien wij, Franschen, daaraan hechten, is in Portugal een groote zeldzaamheid. Weelde doet daaraan niets af; als een dame die ten toon wil spreiden, en zoo zijn er natuurlijk, als ze wil worden opgemerkt, dan verschijnen dadelijk groote veeren, ingewikkelde toiletten, buitensporige juweelen, dat alles tegelijk, met pracht en staatsie, maar zonder oordeel en smaak. Nooit daarentegen van die kleine aardige vondsten, die eenvoudige, maar bevallige bij zonderheden aan het toilet, die overeenkomen met de gestalte en het gelaat van de draagster en met het effect, dat ze wil bereiken.

Zijn er hier geen nieuwere costuumnaaisters, of bestaan er hier geen dames, die deze te voorschijn roepen? Ik los de quaestie niet op. Een feit is het, dat de Portugeesche, door zich over het algemeen slecht te kleeden, zichzelve onrecht doet en, wat erger is, maakt, dat ook anderen haar onrecht aandoen, want er zijn bekoorlijke vrouwen onder de portugeesche, die in haar slecht zittende japonnen een beeldig figuur verbergen.

Zij hebben niet iets zoo gracelijks, zulke vurige oogen met fluweelen blik als haar buurvrouwen in Andaluzië, maar bij vele van haar zijn de proportiën schoon en de vormen heerlijk; doch niets van dat alles komt tot zijn recht, door die stelselmatige vlucht uit de wereld, die wel haar fouten en valschheden heeft, maar die ten minste ons leert, hoe men zich moet kleeden, loopen, gaan zitten, babbelen, de hand geven en glimlachen. Men mag gerust zeggen, dat ook de portugeesche vrouw allen geest van initiatief mist, onmisbaar om de zeer werkelijke hoedanigheden die ze bezit, naar waarde te doen schatten.

Het zittende leven brengt nog dit bezwaar mee, dat het de vrouwen spoedig dik maakt en haar, voordat de jaren het meebrengen, dat zware geven en dat forsche middel, dat oud maakt, te meer daar ze niet zeer groot zijn en forschheid niet best verdragen. Het gelaat wordt dan ook gevulder en het fijne ovaal van vroeger is spoedig niet meer dan een herinnering.

Het geestelijke leven staat met het physieke in verband. Met een groote vriendelijkheid en voorkomendheid gelukt het toch der Portugeesche niet, beminnelijk te zijn, misschien omdat ze niet ontwikkeld is, zeker ook om de afwezigheid van die kunst van zich te kleeden en daarbij den geest te verzorgen, zooals men dat het lichaam doet. Het moet erkend, dat niet alle Parisiennes Aphrodites zijn en dat de Madames de Sévigné niet zoo talrijk zijn, dat men ze alle dagen ontmoet; maar de illusie van een goed toilet en een aardig praatje is te Parijs er algemeen genoeg, om als regel te kunnen gelden. In Portugal zijn dat uitzonderingen. Bovendien ziet men er de vrouw in een toestand van ondergeschiktheid aan den man, die lastig veel aan den Moor doet denken. Hoe voorkomend de heeren ook zijn, ze zijn tegenover de dames ten hunnen huize nederbuigend en tevens uit de hoogte, iet of wat beschermend als een sultan, die een privilege heeft uitgegeven en wenscht, dat men dat niet vergeten zal.

Het spreekt vanzelf, dat deze indrukken vooral zijn verkregen aangaande de Portugeesche van de gewone kringen, en dat de meeste van de vrouwen uit de groote wereld en het hof die in zoo sterke mate niet maken. Die hebben de ervaring van de aristocratische en wereldsche kringen, welke op alle breedten al zoowat eenzelfden geest verwekken en gelijkheid van manieren; boven een zeker niveau heeft men ook hier Parijs met zijn gebabbel en zijn vermaken. Wat het toilet betreft, men moet, om volkomen eerlijk te blijven, met zijn geweten te rade gaan, of bovengenoemd voorbehoud wel mag worden gemaakt. De galanterie moet scheidsrechter wezen en zij maakt uit, dat er in het koninkrijk mogelijk een honderdtal vrouwen zijn, die niet alleen mooi zijn, dat zijn er duizenden, maar van verfijnde élégance en smaak, waardoor ze zich uitstekend kleeden. De verhoudingen zijn nu wel zoo gegeven, dat de portugeesche dames zich nu allen zullen herkennen....

Kathedraal te Evora.
Kathedraal te Evora.

Kathedraal te Evora.

Mooi en aardig waren de weinige gezichten, die ik achter de vensters van de verlaten straten in Beja zag, met de donkere oogen, die den exotischen vreemdeling nakeken. De rust van dit stadje, waar geen vrouw op straat zich vertoonde, was noodig, om iemand het hoofd zoekend te doen rondspeuren om te zien, waar ze gebleven waren die dingen, die van de pool tot den aequator aantrekkelijker zijn dan de schoonste monumenten, de aangezichten van vrouwen, de belangstellende blikken en de bevallig gebogen halzen. In de haast om weg te komen, ben ik, dunkt mij, een beetje litterair geworden; en die witte marmeren toren heeft mij alleen geboeid, omdat ik aan andere dingen dacht.

Nu is ze er weer, de eentonige vlakte; langzamerhand verdwijnt de hoogte van Beja; de toren van koning Denys is nog op een afstand zichtbaar tegen een rosen achtergrond; dan wordt hij op zijn beurt klein en smal, verwasemt en verdwijnt.

Bogen van een waterleiding te Evora.
Bogen van een waterleiding te Evora.

Bogen van een waterleiding te Evora.

Te Casa Branca verandert men van trein in een station met een lichte overkapping, waar papieren fladderen en de geuren van eucalyptus hangen. In de verte teekenen zich heuvels af tegen de lucht; er is daar een berg van 430 meters; het vlakke Alemtejo is gedaan, de dalen beginnen, nog eerst met een zekeren schroom. Nog een klein uur, en men heeft de hoofdstad bereikt, Evora, een oude en merkwaardige stad, die het geheele geheim van haar lange geschiedenis geeft in een reeks van bouwwerken van beteekenis.

Terstond bij aankomst verraden de resten der muren het verleden; men vindt er romeinsche, westgothische en moorsche motieven in een wijden kring bijeen, waar de muren nu eens geheel zijn verdwenen, dan half ingestort zijn, maar het meest nog overeind staan in allerlei vormen, als vierkante torens, opeengestapelde platte steenen, kanteelen, poorten met ijzer beslagen, waaraan men de verschillende stijlen herkent, die elkaar zijn opgevolgd in het oude Ebora. De stad heeft de legioenen van Sertorius gezien, die er zijn hoofdkwartier had; toen ze een romeinsche kolonie was, heette ze Liberalitas Julia. Daarna was ze in het bezit der Mooren, tot de Ridders der Avizorde haar veroverden. Het hof van Portugal heeft er geresideerd, en van dat alles is nog een aartsbisdom overgebleven, dat het derde is van het rijk, na Braga en Lissabon, terwijl er buitendien nog leeft de herinnering aan een niet geheel vervallen grootheid.

Men bespeurt dat de vlakte teneinde is aan de oploopende straten, die golvende lijnen beschrijven als in de hoofdstad van het land, maar toch is de vlakte nog niet ver verwijderd, want Evora ligt aan den rand, als een vooruitgeschoven post van de terrassen, en uit de vensters der hoog gelegen stad ziet men over een onmetelijke vlakte tot in de grijze verte.

De praça do Giraldo is het midden der stad, met arcaden, waaronder de banken en de voornaamste winkels. Op het gladde plaveisel van mozaïek, met zwarte en witte strepen naar portugeeschen trant, wandelen de groepen, rookend en pratend, maar niets dan mannen, de vrouwen stellen zich tevreden met het leven van uit haar vensters gade te slaan.

Koninklijk paleis van Villaviçosa.
Koninklijk paleis van Villaviçosa.

Koninklijk paleis van Villaviçosa.

Van het plein gaan een menigte nauwe straatjes uit, smal en bochtig, dooreengeward en op- en neergaand, afgewisseld door kleine pleintjes, en fonteinen, waaromheen kruiken en watervaten wachten om te worden gevuld. Er is in die fonteinen en in diegenen, die er komen, iets bijbelsch, dat aan het schiereiland eigen is. Aan de altijd vriendelijk stroomende kraantjes komen vooral vrouwen uit het volk, het is haar forum en tevens haar praatsalon, waar nog drukker gebabbeld wordt dan op de Giraldo. Leunend op den rand van het bekken, waarin het frissche water neervalt, met een hand op de heup, de japon hoog opgenomen, houden ze haar steenen kruik vast, die al lang overloopt, eer ze aan het eind van het praatje weg gaan en de kruik opnemen. Dan neemt een andere de plaats in en in het oneindige zoo door, tot de kruiken, die in nette rijen op de straat staan aan eiken kant van de bron, alle gevuld zijn en meegenomen op evenveel hoofden als er vrouwen waren. De rijken en de waterkooplieden komen met ezeltjes, beladen met vier groote kruiken, twee aan elken kant van het zadel. Op bepaalde oogenblikken van den morgen en den avond ziet men bij de toegangen tot de fonteinen veertig of vijftig vrouwen, twintig ezels en legers van kleine kinderen, die er dooreenwoelen, zonder ooit de orde te verstoren in de aarden of metalen vaten, in een rij geschaard tot het eind van het pleintje.

Op het hoogste punt van Evora zijn de beide groote beschavingen vertegenwoordigd door twee gebouwen, den tempel van Diana en de kathedraal.

Hier zij opgemerkt, dat een tempel, waar men niets van weet, bijna altijd een tempel van Diana wordt. Maar te Evora is de vorm toch nog te onderscheiden en uit de rangschikking der zuilen en de inrichting der fondamenten kan men afleiden, dat het een gebouw moet geweest zijn uit de eerste eeuw na Christus. Tot in den laatsten tijd waren de ruimten tusschen de nog staande zuilen aangevuld door muren, en men had den tempel overdekt met een soort van toren, waar binnen een museum was ingericht. Een man van smaak is op het goede denkbeeld gekomen, aan de ruïne haar eigen uiterlijk weer te geven; het dak, de muren en het museum zijn verdwenen, en nu kan men de harmonie der veertien zuilen waardeeren met hun kapiteelen, die nog wel iets te veel zijn gerestaureerd.

Iets lager staat de kathedraal, een stuitende vermenging vertoonend van verschillende stijlen en plannen. De hoofddeelen zijn gothisch, met smalle vensters, dikke muren en kanteelen; er verheft zich in het midden een achthoekige toren met op de acht hoeken acht klokketorens, die, maar in het eenvoudige, doen denken aan den toren van Burgos, met dan nog een massieven steenen kegel er op, die te laag en te dik is.

De gevel mist alle symmetrie, met al die vensters, die op goed geluk schijnen aangebracht, en volkomen onmethodisch. Alleen het versieringswerk aan het portaal is mooi, maar in het inwendige is de kerk overladen, tegen onze verwachting, die aan de soberheid der primitieve gothische kunst gewend is.

Er was ons gezegd, en zeker terecht, dat acht dagen nauwelijks genoeg zouden zijn voor Evora, maar wij hebben niet zooveel tijd en moesten al spoedig naar Villaviçosa vertrekken. Daar komt men in een land van de Schoone Slaapster in het Bosch, in een stadje nog witter, kleiner en stiller dan Beja. Om de waarheid te zeggen, ontwaakt de schoone prinses er niet letterlijk naar het verhaal, maar zij komt er elk jaar eenige weken doorbrengen in het kasteel, waar zij het liefst vertoeft, het oude slot van Braganza. Als zij er is aangekomen, ziet men de koninklijke karossen af en aan rijden, het stadje ontwaakt ten leven, de straten worden druk, het gras op het marktplein verdwijnt en het kasteel wordt verlicht.

De koning en de koningin komen te Villaviçosa jagen en paardrijden; het kasteel is voor hen een echt familieverblijf, en het groote bosch, door muren ingesloten met vijvers en koepels, levert voor zulke vermaken een uitstekend terrein.

Het kasteel is intusschen vervallen van zijn oude pracht, sedert de bezitter, Johan, de achtste hertog van Braganza, het verliet, om als koning zijn intocht in Lissabon te houden onder den naam van Johan IV en in 1640 aldus de nog regeerende dynastie te grondvesten. Het was een groot oogenblik voor den vorst, die nog eens weer de Spanjaarden had verjaagd; maar het arme kasteel heeft er zijn kostbaarheden bij verloren, die bepaald koninklijk waren en eenigen tijd van te voren door den kardinaal Valentinus, pauselijk legaat, waren in oogenschouw genomen. Bijna alles werd naar Lissabon gebracht en verdween in de aardbeving van 1755.

Een stok als kruiwagen.
Een stok als kruiwagen.

Een stok als kruiwagen.

Toch ziet het kasteel er nu nog indrukwekkend uit met den grooten gevel, en de vertrekken hebben bij den grooteren eenvoud gewonnen aan intiemer karakter, dat de koningin aantrekt, wier smaak fransch is. De zoldering van de hertogszaal is verdeeld in een aantal vakken, waar de reeks van alle Braganza’s tot op den tegenwoordigen hertog geschilderd zijn; de jonge prins is er als baby afgebeeld, maar daar er geen plaats meer was aan de zoldering, hangt zijn portret aan den wand.

Te Villaviçosa begint het eigenlijke bergachtige Alemtejo. De bergen zijn niet hoog, 512 meter te Estremoz, de naburige stad, waar alle alcaraza’s of koelkruiken worden vervaardigd voor het schiereiland. Maar de kusten zijn diep ingesneden en de dalen diep en begroeid, zonder dat veel wegen er den weg in wijzen. Wij reisden verder naar Elvas aan den rand van een andere vlakte, het spaansche Estramadura, en hadden er een uitzicht tot Badajoz. Daar in de buurt troffen we, evenals bij Evora, een romeinschen aqueduct, bestaande uit vele bogen, die wankel genoeg leken, om zeer oud te zijn; maar de waterleiding bij Evora uit den romeinschen tijd vertoonde bogen, die uit de zestiende eeuw dagteekenden.

Onder de interessantste uitstapjes, die men van Lissabon uit kan maken, komen die voor naar Coïmbra en Bussaco. Die tocht, dien men gemakkelijk in twee dagen doet, is dubbel aantrekkelijk, want hij vergunt den toerist, een der schilderachtigste en oudste steden van Portugal te bezoeken, en een der mooiste landschappen van het schiereiland te bewonderen, beroemd om de pracht van het panorama en den rijkdom van den plantengroei.

De express van Oporto, die uit Lissabon vertrekt om half zes ’s avonds, is uitstekend geschikt voor dit reisje. Men komt om negen uur te Coïmbra aan, en den volgenden dag kan men dan rustig de stad bezoeken.

Behalve de bekoorlijke ligging heeft de stad Coïmbra, gebouwd tegen de helling van een hoogte langs de rivier de Mondego, haar hooge gebouwen der Universiteit, waarvan de toren blinkt tegen het blauw van den hemel. De geheele omgeving biedt een toerist allerlei zeer levendige herinneringen aan de geschiedenis van Portugal. Daar resideerden bijna alle koningen van de Alphonsische dynastie; daar was eertijds het ware middelpunt van het leven van het land; daar werden de eerste gevechten geleverd tegen de Mooren; daar werden de groote heldendaden verricht en daden van vaderlandslievende opoffering; daar speelden zich de episoden af, zoo romanesk en zoo tragisch, van de liefde van Dom Pedro en Ines de Castro; daar worden vromelijk aangebeden de overblijfselen van de echtgenoote van Dom Denys, Isabella de Heilige; en eindelijk was het deze stad, die de wieg werd van een zevental beroemde mannen, beroemd in de wetenschap, de letteren, de kunsten, en waar de eerste dichters van het land hun inspiratie kwamen zoeken, door den geest van Camoëns erheen gevoerd.

Maar de voornaamste glorie van Coïmbra, de schoonste parel aan de kroon der stad, is haar oude universiteit. Coïmbra is in hoofdzaak stad van wetenschap en studie, die beide begunstigd worden door het overheerlijk zachte klimaat, de poëzie van het landschap en de kalmte van het leven in de stad, en voordat wij den lezer er doen binnengaan, willen we hem iets vertellen van de geschiedenis dezer academie, waar men de heele geschiedenis van het land in kan terug vinden.

Een professor van de universiteit te Coïmbra.
Een professor van de universiteit te Coïmbra.

Een professor van de universiteit te Coïmbra.

Den 12den November 1288 richtten de abt van Alcobaça, de priors van Sainte Croix en Sint Vincent en andere geestelijken, te Monto-Mor-o-Novo bijeengekomen, een verzoekschrift tot den paus, waarin ze mededeelden, dat de koning Dom Denys tot de stichting had besloten van een algemeen college te Lissabon, tot onderhoud waarvan hij bestemd had de opbrengst van twee zijner kloosters en kerken; ze vroegen den paus, een zoo vroom en prijselijk werk wel te willen steunen en zegenen. Het antwoord liet zich bijna twee jaren wachten. Eerst den 9den Augustus 1290 zond paus Nicolaas IV van Orvieto de bul: De statu regni Portugaliae, waarin hij uitdrukkelijk het bestaan erkende van het Algemeen College van Lissabon en er verschillende voorrechten aan schonk.

Het College omvatte toen zes leerstoelen, het kanonnieke recht, civiel recht, geneeskunde, dialectiek, taalkunde en muziek. De theologie was buitengesloten van het leerplan, en dat zal niemand verwonderen, als men zich herinnert, dat de godsdienstige orden, vooral die der Dominicanen en Franciscanen, toen het privilege van het onderwijs in theologie hadden, en dat de Universiteit van Parijs, de alma mater studiorum, het monopolie had van de uitgifte der graden voor godgeleerde studiën.

De koning, Dom Denys, liet in Lissabon, in de wijk Alfama een gebouw oprichten, waarin het College werd geïnstalleerd en dat later de Beurs werd. Maar de inrichting te Lissabon had slechts een kortstondig bestaan. De voorrechten, aan de studenten toegestaan, leidden tot oneenigheden tusschen de geestelijke en wereldlijke autoriteiten, en aan den anderen kant werkten de schilderachtige omgeving van Coïmbra, de ligging in het midden des lands, de voordeelen, die het eenvoudige leven daar bood, ertoe mee, die stad te doen kiezen als zetel voor de academie. In het kort, reeds in 1308 was de overplaatsing van het College een feit geworden en ze werd geautoriseerd door twee pauselijke bullen van Clemens V, gedateerd van Poitiers en gericht, de eene aan den aartsbisschop van Braga en den bisschop van Coïmbra, en de andere aan den koning.

De eerste statuten van de universiteit zijn van dezen tijd afkomstig; zij werden goedgekeurd door koning Dom Denys, den 15den Februari 1309. Er worden een paar merkwaardige bepalingen in gemaakt. De tractementen van de professoren bijvoorbeeld waren als volgt geregeld: 21 600 reis per jaar voor den professor in wetgeleerdheid, 18 000 reis voor den rechtsgeleerden professor, 7200 voor den geneeskundigen en dien voor taalkunde, 3600 voor den professor in logica en 2700 voor dien in muziek, wat tegen den tegenwoordigen koers zoowat uitkomt op 14 francs. Twee aanzienlijke burgers der stad, die den titel van conservatoren ontvingen en een jaarlijksch inkomen van 1440 reis, moesten waken voor de handhaving der privileges van de universiteit en den koning raadgeven bij elken aanslag, die erop zou worden beproefd.

De koning Dom Denys stierf den 13den Januari 1325. Zijn opvolger, Alphonsus IV, bracht den zetel der universiteit naar Lissabon over in 1338, maar in 1354 werd hij weer naar Coïmbra overgebracht. Dom Johan I, grootmeester van de Avizorde, door de staten tot koning gekozen, die zijn gunst aan de instelling wilde betoonen, deed de universiteit weer naar Lissabon terugkeeren en bevestigde haar in al haar privileges, terwijl hij haar voor vast in zijn hoofdstad vestigde, waar ze bleef gedurende een tijdsverloop van 160 jaren, namelijk tot 1537. Onder zijn regeering werden de godgeleerde en wiskundige studievakken ingevoerd aan de universiteit, aan welker hoofd werd geplaatst een directeur van de studie, door den koning benoemd.

Coïmbra op een heuvel aan de Mondego.
Coïmbra op een heuvel aan de Mondego.

Coïmbra op een heuvel aan de Mondego.

De latere statuten van de universiteit zijn gedagteekend van den 16den Juli 1431; ze bevatten een menigte belangwekkende bepalingen over de organisatie der studievakken en het verleenen der graden, bijzonderheden, waarin wij hier niet kunnen treden. Laat ons echter toch deze bijzonderheid doen uitkomen, dat het bestuur der universiteit een volkomen autonomie bezat; het inwendig bestuur, de administratieve organisatie, de financiëele leiding, de verkiezing der rectoren en andere ambtenaren was alleen afhankelijk van het corps der leerlingen. In dien tijd werd opgericht een college voor de arme studenten, om hun op die wijze het studeeren gemakkelijker te maken; dat was de oorsprong van de colleges van dien aard, later te Coïmbra met hetzelfde doel gesticht.

Sinds den dood van den infant Dom Henrique in 1460, die de groote beschermer der universiteit was, tot de troonsbestijging van Dom Manuel, was er een openlijke strijd met de kroon, die geleidelijk aan de studenten hun voorrechten ontnam en voor hen in de plaats wilde treden in het bestuur der universiteit. Maar Dom Henrique keerde tot de oude gebruiken terug. De studenten verkozen hem uit dankbaarheid tot beschermheer der universiteit, en van dien tijd af bleef dat protectoraat als een apanage van de kroon bestaan.

Nog later werden voor de derde maal statuten opgemaakt in het begin der 16de eeuw. Ze regelden tot in de kleinste bijzonderheden de studiën en de uitreiking der graden, bepaalden het ceremonieel bij de stellingen of besluiten, die in de kathedraal werden verdedigd, een ceremonieel, dat de eeuwen bij na onveranderd heeft getrotseerd; ze noemden de onderscheidingskleuren voor iedere faculteit, wit voor de theologie, groen voor het kanonnieke recht, rood voor het burgerlijke recht, geel voor de medicijnen, blauw voor de kunsten. Wat de professoren aangaat, zij werden na een examen of concours, dat twintig dagen duurde, en waarin allerlei bewijzen van bekwaamheid moesten worden gegeven en steekspelen met woorden werden gevoerd, gekozen niet alleen door de rectoren en de in functie zijnde professoren, maar ook door de candidaten en studenten van de faculteit, die twee jaar studie achter den rug hadden.

In 1537 werd de universiteit weer naar Coïmbra overgebracht en verliet Lissabon, om er niet terug te keeren. Daar de instelling zich zeer had ontwikkeld, was het moeilijk een huis te vinden, om alle studievakken in onder te brengen. Dus werden voorloopig de faculteiten gescheiden, de faculteiten van het recht, van wiskunde, rhetorica en muziek werden geïnstalleerd in de koninklijke paleizen; de Colleges van Sainte-Croix namen de theologische faculteit op en de lessen in Latijn en Grieksch, geneeskunde en kunst. Maar die indeeling was niet van langen duur, omdat ze nadeel deed aan de goede administratie en de tucht, en vanaf 1544 werden alle faculteiten vereenigd in de koninklijke paleizen. Tot dankbaarheid voor zijn gastvrijheid ontving de prior van Sainte-Croix het voorrecht, de graden van doctor te mogen uitreiken, een privilege, dat eertijds aan den bisschop toekwam. De priors van Sainte-Croix hebben dit prerogatief behouden, evenals den titel van kanselier, tot in 1834.

Ter herinnering aan het verblijf te Sainte-Croix van de theologische faculteit, hield lang een gewoonte stand, die in Coïmbra allerlei schilderachtige vertooningen meebracht. De uitreiking der doctorsgraden in de theologie bleef plaats hebben in de kerk van het Heilige Kruis; voor de andere faculteiten werd de plechtigheid gehouden in de koninklijke paleizen. Maar in beide gevallen was het de prior-kanselier, die de graden schonk in tegenwoordigheid van den rector, de professoren e. a. en dus was er altijd een stoet, die zich naar het eene of het andere punt moest begeven. In het eerste geval ging de stoet van den rector van de paleizen naar de kerk; in het tweede begaf zich de optocht van den prior-kanselier naar de hoogten van de stad, waar de koninklijke paleizen waren. In beide gevallen woonde de oude stad een eigenaardigen optocht te paard bij, vol karakter en schilderachtigheid en ook wel met begeleiding van komische effecten. De doctoren en kanunniken, de dienstdoende geestelijken, kerkeknechten, koorknapen, edelen en anderen, gezeten op fraai opgetuigde muilezels of op paradepaarden, vergezeld door schildknapen en voorafgegaan door trompetters en bekkenslagers, wandelden zoo naar de plechtigheid der viering van een volkomen vreedzame gebeurtenis met een ridderlijke omslachtigheid, die alleen door de traditioneele wijze van ontstaan geheiligd werd.

In dien tijd, ongeveer 1548, werd het College voor de Kunst gesticht, dat zoo beroemd zou worden en eenige jaren later onder de leiding zou komen van de paters Jezuïeten. Dat College, dat in de eerste maanden dichtbij het Heilige Kruis lag, werd eenige jaren later overgebracht naar een lokaal, gelegen op de plek, waar thans het hospitaal der universiteit is.

De universiteit bereikte toen het toppunt van haar glorie, en de geleerden en professoren, die er werden gevormd, waren zoo talrijk, dat ze overal naar andere universiteiten werden beroepen, om er het licht hunner wetenschap te laten schijnen. Zoo straalde in de zestiende eeuw de roem van Coïmbra in Parijs, in Leuven, in Rome, in Pisa, in Bologne, in Montpellier en in Salamanca. Maar kort daarna begon de achteruitgang met de vestiging in Portugal van het Hof van Inquisitie, bij pauselijke bul van Paulus III van 23 Mei 1536, en den toenemenden invloed van het Genootschap van Jezus. Pas in Portugal gevestigd, begonnen de Jezuïeten dadelijk zich meester te maken van alle onderwijsinrichtingen in het land. Het College van de Kunst was het eerste, dat in hun handen kwam in 1555; ze kregen terzelfdertijd gedaan, dat het onderhoud van dat College werd opgedragen aan de universiteit, waar men op deze wijze een zware zorg aan opdroeg. En toen riepen zij ook nog door de stichting van de universiteit van Evora een lastige concurrentie in het leven. Maar laten wij niet te lang stilstaan bij die periode, die meer dan 200 jaren duurde, toen het College van de Kunsten als een strijdmiddel was tegen de oude universiteit. Om op rechtvaardige wijze lof en blaam te verdeden in dien kamp, waaraan de herinnering nu nog het bloed doet koken van de oude kampioenen voor Coïmbra, zou men een grondige kennis moeten hebben van de feiten, die wij niet bezitten. En zoo komen we eindelijk bij de hervorming van markies Pombal.

Door een besluit van 23 December 1770 was er in het leven geroepen een vereeniging, genoemd de “Junta da Providencia litteraria” met het doel, een rapport op te maken over den toestand der Universiteit. Haar streven moest verder zijn de oorzaken op te sporen van het verval der instelling en middelen aan te geven voor de opheffing en den bloei van het oude instituut. Die commissie, onder het bestuur van kardinaal da Cunha en markies Pombal als raadgevers van den koning Jozef I, zette zich aan het werk en zes maanden later gaf ze een Verkorte Geschiedenis uit, waarin ze haar meening gaf. Die uitgaaf werd gevolgd door talrijke vergaderingen, waarin de verschillende artikelen werden besproken van een plan tot reorganisatie. Dat ontwerp werd door het koninklijk charter van 28 Augustus 1772 goedgekeurd en het is bekend als de “Statuten van Pombal.”

Volgens dat document wordt de universiteit verdeeld in drieën, namelijk de faculteit der geneeskunde, die der rechtsgeleerdheid met twee onderdeden, en die van wiskunde en wijsbegeerte. Zonder de vorige bepalingen en wetten totaal op zijde te zetten, stellen deze statuten uitvoerige regels vast voor het onderwijs, het professoraat, de graden en de uitreiking van de diploma’s. Het voorlezen dezer statuten was een schitterende plechtigheid, waarbij markies Pombal op het eind van September het voorzitterschap bekleedde.

Sedert de hervorming van Pombal tot die van 24 December 1901, die de laatste groep wettelijke bepalingen gaf, hebben de verschillende faculteiten eenige wijzigingen ondergaan, waaronder de belangrijkste zijn die van 1836 en 1844, die tot resultaat hebben gehad, de faculteiten van het kanonnieke en het burgerlijke recht te doen samensmelten, het stelsel der cursussen te veranderen, het aantal leerstoelen te vermeerderen, de inwendige politie, de promoties der studenten en de examens te regelen.

Het decreet van 24 December 1901 over de hervormingen in de studie der universiteit van Coïmbra, verdeelt het onderwijs in vijf faculteiten, de theologie, die 21 leerstoelen omvat en twee annexen, waarin algemeene cursussen worden gegeven en speciale cursussen voor opleiding tot den geestelijken stand; het recht, met 54 leerstoelen met algemeene cursussen en speciale ter voorbereiding voor de administratieve, diplomatieke en koloniale loopbaan; de geneeskunde, met 15 leerstoelen; de wiskunde met 11 en 3 annexen; en eindelijk de wijsbegeerte. Die laatste faculteit omvat, buiten een algemeenen cursus, verdeeld in de twee secties der physisch-chemische wetenschappen, een der natuur-historische, een voorbereidenden cursus voor genie en artillerie, een voor zeeofficieren en twee voorbereidende cursussen voor geneeskunde en pharmacie.

Op den tijd, toen wij Coïmbra bezochten, bestond het personeel der universiteit uit een onderwijzende groep van 76 personen en het universitaire personeel van 151 personen; er waren 1050 studenten. Maar de gebouwen en pleinen waren bijna geheel verlaten, want men was in een periode van crisis, die toen juist ten einde liep en die verscheiden weken de universiteit in spanning had gehouden. Een rechtsgeleerde had bij zijn promotie, toen hij de stellingen moest verdedigen, die hem het doctoraat zouden verschaffen, zich den toegang geweigerd gezien. Daar de stellingen een sterk socialistisch tintje hadden, werd door een aantal studenten heftig geprotesteerd en ze beweerden, dat de beslissing, hoewel met algemeene stemmen genomen, door politieken hartstocht was ingegeven. De candidaat was kundig, de stellingen waren Schitterend, de verdediging onberispelijk en dus de weigering ongerechtvaardigd. Er schijnt in den grond wel een politieke quaestie aan ten grondslag te hebben gelegen, maar als onze inlichtingen juist zijn, was de universitaire beslissing zeker aan den kant van het recht, en de studenten zouden voor hun verzet een verkeerd voorwendsel hebben uitgekozen.

De beweging nam weldra toe in omvang. Van de groep der ontevredenen ging ze over naar de rechtsgeleerde faculteit, van die naar andere faculteiten; van de universiteit bereikte ze andere steden en ging van het hooger onderwijs tot het middelbaar over, en daarna zelfs naar het lager onderwijs. De werkstaking werd algemeen, de studie werd stilgezet in het geheele land, en Portugal zag met schrik dat schouwspel van solidariteit, dat al heel ongewoon was, wanneer men jongens van acht jaar hoorde weigeren naar school te gaan uit overtuiging en esprit de corps en om de eischen der ouderen ingewilligd te krijgen. Ik denk, dat die lieve kleinen er niet rouwig om waren, eenige vacantiedagen te veroveren door het avontuur; enkele strenge kastijdingen, door vaderlijke handen toegebracht, zullen wel spoedig den weerstand hebben gebroken, want de werkstaking der kleinen duurde maar kort. Maar met het hooger onderwijs was het anders; bij ons vertrek duurde de werkstaking nog voort, ofschoon ze op haar eind liep, en de resultaten van het academisch jaar waren voor goed bedorven.

Men zou echter ongelijk hebben, als men om deze kleine revolutie, die aan enkele redenen tot ontevredenheid een einde heeft gemaakt, zich ging voorstellen, dat de studenten van Coïmbra frondeurs en opstandelingen zijn. De geest, die onder de leerlingen heerscht, is integendeel uitstekend, de jongelingschap is vlijtig en heeft de bewustheid, dat in Portugal, nog meer dan elders, het goed onderwezen zijn een verzekerde toekomst waarborgt. En als ze daarenboven jong en wat onstuimig is, als ze er van houdt, zich te ontspannen van de ernstige studie door luidruchtige feesten, waar de vroolijkheid harer twintig jaren uitraast, des te beter.

Het schijnt ook niet, dat de jaren, gesleten in de schilderachtige oude stad, bij de ouderen nare herinneringen hebben achtergelaten. Staatslieden op gewichtige posten, ernstige magistraten, officieren, ingenieurs, advocaten, allen, die wij hebben ontmoet, vatten hun herinneringen samen in het uitdrukkingsvolle woord “saudade”, dat wil zeggen “heerlijk”, met den melancholieken bij smaak van schoone dingen, die voorbij zijn. Een van hen heeft eenige jaren geleden de ervaringen van zijn jaren aan de academie geboekt in een werkje, waarin het academische leven aan de universiteit van Coïmbra de onderwerpen levert voor bekoorlijke schetsjes, verteld met veel humor en geest.

Hoe vluchtig ook de behandeling is van de geschiedenis, de organisatie, de zeden en gewoonten van de universiteit van Coïmbra, zooals wij die in het voorgaande gaven, onze lezers kunnen er toch een juister denkbeeld door krijgen van de stad, en zij zullen met meer belangstelling de verschillende gebouwen bezichtigen, waardoor ze worden rondgeleid, zoo ooit een gunstige wind hun verzeild doet raken in die bekoorlijke stad.

Als men het station van Coïmbra verlaat of de hotels, die er onmiddellijk bij zijn gelegen, is het eerste, dat de aandacht trekt, de Mondego, die geheel portugeesche rivier, portugeesch van haar bronnen tot haren mond, een onstuimig stroompje in den winter, een kabbelend water in de warme zomerdagen, onder wilgen door stroomend tusschen weelderig begroeide heuvels.

Rechts laat het groote klooster van Santa Clara de eindelooze rijen van zijn vensters zien tegen den achtergrond van den Monte da Esperanza. Daar rust in een zilveren reliquieënkast de Heilige Koningin, een voorwerp van openbare vereering. De stad ligt amphitheatersgewijs aan de linkerhand in een schilderachtige warreling van klimmende straatjes, beheerscht door den toren der universiteit, die meer dan vierhonderd jaar oud is. In de morgenuren is het in de steile straten zeer druk; men ziet oude wagens en karren met zware, knarsende wielen, langzaam door aangespannen ossen getrokken, melkvrouwen, die op het hoofd de metalen waterkannen dragen, boeren met zwarte mutsen, op kleine rosse ezeltjes gezeten, en nu en dan een student, gewikkeld in zijn langen mantel van donkere kleur.

Men stijgt en stijgt maar steeds en gaat voorbij huizen, die eens paleizen waren, tot men komt op het plaveisel vóór een zeer schoon gebouw, de oude kathedraal Se Velha. De gekanteelde muren, de contreforten, de romaansche toren geven er een indrukwekkend en streng voorkomen aan; maar het inwendige is zoo vaak onder handen genomen en hersteld en weer hersteld, dat er van de primitieve constructie van de 12de eeuw niets dan iets zeer ongelijksoortigs is overgebleven. Men doet tegenwoordig pogingen, de bedroevende veranderingen, die er in het gebouw zijn aangebracht, te niet te doen door een restauratie, die met zorg wordt geleid en uitgaat van het verstandige initiatief van den bisschop van Coïmbra. Maar hoe dan ook, de oude kathedraal is nog het indrukwekkendst type van romaansche bouwkunst, dat Portugal bezit.

De nieuwe kathedraal, waar een smalle en donkere straat heen leidt, overwelfd door een boog uit het bisschoppelijk paleis, is vooral belangwekkend door de schoone verzameling gewijde voorwerpen, die haar schatkameren vult. Het gebouw, dat gebouwd werd op het eind der 16de eeuw, om te dienen tot kapel voor het Jezuïetencollege, is tot kathedraal geworden in 1772. De gevel is niet onschoon; wat de altaren betreft, die van goud schitteren, ze zijn interessant, omdat men er de architectuur uit den tijd der Renaissance uit kan leeren kennen, vanaf het zuivere en rustige begin, tot de buitensporigheden van versiering, die van slechten smaak getuigen en de periode van verval getuigen, waarvan ook de voorste kapellen der kerk blijk geven.

In de drukke straten van Coïmbra.
In de drukke straten van Coïmbra.

In de drukke straten van Coïmbra.

De schatkamer is een zaal, waarvan men ons met zware en vele sleutels de deur opent, die met ijzer is beslagen en door drie sloten wordt afgesloten; er is daar een bewonderenswaardige collectie van vazen en gewijde voorwerpen uit de 12de eeuw en ook uit volgende eeuwen, alsook een reeks kazuifels, welker met goud omboorde zijden stoffen aan het oog de harmonische tinten vertoonen van hun onvergelijkelijke borduurwerken. Deze verzameling, bestaande uit voorwerpen, die aan het kapittel hebben behoord, aan het bisdom en aan een groot aantal kloosters, is in het bezit van enkele kostbaarheden, die in de eerste musea der wereld zouden worden beschouwd als dingen van de hoogste waarde om hun zeldzaamheid of om de fijnheid der bewerking. Men kan er de zoo goed als volledige geschiedenis nagaan van de portugeesche zilverkunst vanaf de 12de eeuw.

Van de Sé Nova komt men op het Pombalplein, waarvan het noordelijke eind uitloopt op een terras, dat op het landschap een mooi uitzicht biedt; hier zijn we op universitair terrein. Het gebouw, dat men aan zijn linkerhand heeft, en waarvan de voorgevel, de dorische vestibule, de breede, vorstelijke trap inderdaad iets grootsch zijn, is opgericht door markies Pombal op de plaats van het Jezuïetencollege of dat der Elf duizend Maagden; het herbergt de faculteit der geneeskunde en die der philosophie. Het Museum voor natuurlijke historie bezit een volledige verzameling van de fauna van Portugal, mooi tentoongesteld, en ook van de koloniën; alles wordt geprepareerd in de aangrenzende zalen. Na een blik op het laboratorium voor scheikunde en het hospitaal der universiteit, dat sinds 1754 gevestigd is in de gebouwen van het College der Kunsten en van den H. Jeronimus, na een bezoek aan het bisschoppelijk paleis, een der zeldzame typen van een vorstelijke woning uit de 16de eeuw, die Portugal bezit, wenden we ons naar de universiteit. Haar gebouwen beslaan den geheelen top van den heuvel, en zijn gebouwd rondom een aardige begroeide binnenplaats.

Daar is de ijzeren deur, die zooveel malen door de studenten is gepasseerd, de prachtige bibliotheek met de luisterrijk versierde zalen, waar meer dan 150 000 boekdeelen zijn bijeengebracht; daar heeft men de zalen voor de verschillende cursussen van de faculteiten, de zaal der plechtige samenkomsten, de kapel, waar de professoren den eed afleggen en hun belijdenis doen van het katholieke geloof, naar de formule, voorgeschreven door paus Pius IV in 1564, de karakteristieke toren, die de stad beheerscht, en die onder zijn klokken ook de beroemde klok heeft, die de Cabra of Geit wordt genoemd; daar is eindelijk het observatorium voor sterrenkunde met de mysterieuse instrumenten, die zoo ingewikkeld en samengesteld zijn. Daar moet men komen, om zich van de ligging van Coïmbra rekenschap te geven, daar moet men zijn oogen te gast laten gaan aan het droomschoone tooneel. Rechts stijgen de kronkelende straten der stad tegen den heuvel op; weelderige tuinen loopen naar beneden naar de Mondego met haar heerlijke oevers, aan den horizon bieden de hoogten van den Serra de Lavrao, wiens sierlijke golvingen in de verte verdwijnen, aan het verrukte oog hun met lenteweelde bedekte hellingen aan.

Als men naar beneden afdaalt, heeft de Botanische Tuin in de schaduw van zijn planten een uurtje van aangename ontspanning te bieden. Men kan dan, de stad rondgaand door de nieuwe wijken, zich naar de kerk van het Heilige Kruis begeven; de merkwaardige preekstoel, de monumentale graven, de sacristie en het dichterlijke klooster van het Zwijgen zijn belangwekkende specimina van den gothischen stijl en van dien der Renaissance. Deze kerk behoorde bij het oude klooster van het Sainte-Croix, waarvan de priors, zooals we reeds zeiden, gedurende drie eeuwen kanseliers der universiteit waren. De gebouwen van het klooster worden niet meer gebruikt en zijn ten deele in beslag genomen door het Raadhuis; een bezoek eraan geeft niet veel belangrijks te zien.

Wat de Liefdebron aangaat, die bekleed werd door de verbeelding en door de volkspoëzie met de droefgeestige herinnering aan Ines de Castro, dat is een bekoorlijk doel voor een wandeling. Men gaat de Mondego over langs een brug, van waar het gezicht op Coïmbra prachtig is, dan voorbij de ruïnen van het oude klooster van Santa Clara, waarboven gedurende drie eeuwen de herinnering zweefde aan Elisabeth de heilige, en vervolgens bereikt men langs een schaduwrijken weg de Quinta das Lagrimas, een tuin, waar de geurige oranjeboomen, met gouden appelen beladen, bloeien en waar de beroemde fontein springt met het lustig klaterende en heldere water. Op een gedenksteen gegrift, vertellen de verzen van Camoëns de tragische gebeurtenis van de liefde der schoone Ines en den trouwen Dom Pedro.

Zoo is die stad Coïmbra nog altijd het middelpunt voor letteren, wetenschap en kunst voor geheel Portugal; de intellectueele beschaving wordt er gekoesterd met jaloersche zorg door een keurbende van professoren, die het onderwijs als een heilige zaak beschouwen; de artistieke cultuur bloeit er, dank zij een school, waar al sinds veertig jaren het onderwijs gratis wordt gegeven door den beroemden professor Gonsalver, wiens leerlingen merkwaardig werk voortbrengen. Terwijl de trein ons door een lachende landstreek naar den voet der hoogte van Bussaco voert, groeten wij Coïmbra, dat een aangename herinnering bij ons zal laten; en nu de afstand toeneemt, voelen wij, hoeveel sympathie en belangstelling deze curieuse oude stad bij ons heeft gewekt.

Bussaco heeft de bekoring van de schaduwrijke dreven, de groote bosschen, de rijke verscheidenheid van tinten, de eenzame bosschages, alles, wat tot de poëzie van een woudrijke streek behoort. Van Coïmbra bereikt men de plaats over Pampilhosa en Luso, als men per spoor gaat, maar het is verkieselijk, er in een rijtuig zich heen te begeven, want het ritje is heerlijk. Van het station naar het dorp Luso, dat in de buurt ligt, stijgt de schaduwrijke weg, die de viaduct van den spoorweg links laat liggen, in het dal omhoog, en op dezen schoonen dag is de koelte van het gebladerte des te begeerlijker, omdat de zon met kracht en felheid brandt. Het dennenbosch, dat men niet verlaat vanaf Pampilhosa heeft nu plaats gemaakt voor platanen, en te midden van rhododendrons en rozen komt te Luso het rijtuig aan. Sierlijke villa’s liggen aan den weg, met mooie bloemperken ervoor, en dan splitst zich de weg in tweeën.

Het Bussaco-paleis.
Het Bussaco-paleis.

Het Bussaco-paleis.

De linksche, de kortste, gaat naar Bussaco door dicht bosch. Het is een laan als in een park, uitstekend onderhouden, ook al omdat de automobiel van de koninklijke familie er dagelijks of althans dikwijls langs gaat. De weg kronkelt zich tegen den berg op onder reusachtige ceders; men is erop aangewezen, als men per rijtuig het hotel wil bereiken. Maar de voetganger doet beter rechts in te slaan, waar de weg het bosch op zij laat liggen en als corniche omhoog gaat langs en boven het dal op aanzienlijke hoogte, met bij elke bocht de schitterendste uitzichten. Men komt weldra bij een kleine vlakte, waar de muur uitkomt, die het “heilige woud” insluit. Onder dien naam is inderdaad het bosch bekend, dat toebehoorde aan het oude klooster der Carmelieters van Bussaco, zonder twijfel om de zeer strenge bepalingen, die het moesten beschermen tegen beschadiging; een bul van paus Urbanus VIII zou zelfs den ban hebben opgelegd aan ieder, die er iets zou hebben vernield. Misschien was dat al te streng, maar als de maatregel tot resultaat heeft gehad, dezen prachtigen plantengroei te redden en voor ons intact te bewaren, moet men er niet rouwig om wezen.

Een deur, die altijd openstaat, geeft toegang tot het omheinde, en het voetpad, dat we inslaan, stijgt onder heerlijk loover. We komen in een echt maagdelijk woud; de eiken, de platanen, vooral de prachtige ceders strengelen hun takken dooreen, de palmen groeien overal mild en de boomvarens houden de stralen van de zon tegen door het fijne kantwerk van hun bladeren, terwijl aanhoudend vogelengekweel en luid kabbelende beekjes de bekoring van het landschap verhoogen. Het loopje heeft ons te kort geschenen, als het pad uitkomt bij een helderen vijver, waar een bron in uitmondt, een fonte fria, en waar in watervallen zich een beek in neerstort, komend van de hoogten. Een dubbele trap met groen uitgeslagen treden leidt aan elken kant der beek naar het hotel Bussaco.

Dat hotel, dat zich er, en terecht, op verheft een zeer schoon monument te zijn van de moderne architectuur en dat gebouwd is in den weelderigen stijl van Dom Manuel, ligt op een terras, dat opstijgt uit de golven van het woud. Door zijn onvergelijkelijke ligging te midden van dien oceaan van groen, door zijn tuinen vol bloemen, door de weelde van zijn inrichting, en, wat volstrekt niet schaadt, door de bescheidenheid van zijn prijzen zou het hotel van Bussaco, dat bij ieder in Portugal bekend is, verdienen ook buiten de grenzen van dat land de aandacht te trekken. Als men bedenkt, dat Bussaco ligt aan de directe spoorlijn van Parijs naar Lissabon, dat men er zich dus van Frankrijk uit heen kon begeven zonder anderen last dan het noodzakelijke overstappen in Irun op de grens, en dat na in het geheel dertig uren sporens, die snel omvliegen, als de trein goed is, men er reeds is aangekomen, dan betreurt men het, dat dit mooie plekje niet door de Franschen zeer druk bezocht wordt en dat wij het in ons land zelfs niet kennen. Men gaat het dan als een werkelijken plicht beschouwen, de pracht ervan uit te bazuinen en het bezoek ernstig aan te bevelen. Jonge paartjes op de huwelijksreis vinden daar juist iets, dat voor hen geschikt is, want Bussaco is bij uitstek een plaats, om met zijn tweeën te wandelen in de bosschen door de kronkelende paden, onder het groen in die zoo poëtische natuur.

Van het oude klooster, dat in de 13de eeuw door de Carmelieter monniken is gesticht, is nog slechts een kerkje over en eenige cellen, die zijn opgenomen in de inrichting van het hotel. De gebouwen namelijk, die het hôtel vormen, zijn zeer talrijk en omvatten dépendances, die meer ruimte schijnen te hebben, dan voorloopig noodig is. De zaak laat zich verklaren, doordat in het oorspronkelijk plan voor het gebouw aan een koninklijk paleis was gedacht; door verschillende omstandigheden kwam er niets van die onderneming, en de terreinen, die aan den staat behooren, zijn daarna voor een hotel geëxploiteerd. De koning en de koningin hebben altijd veel van de plek gehouden; zij kwamen er vaak per automobiel, en daar 250 kilometer Bussaco van Lissabon scheiden, mag men daaruit wel besluiten, dat de streek prachtig moet zijn.

Het hotel ligt niet op den top van den berg. Om dien top te bereiken, die de Punta de Bussaco wordt genoemd, moet men gedurende bijna een half uur een lommerrijken weg volgen; het is een gemakkelijke wandeling; men heeft er telkens mooie uitzichten over het bosch, en op den top ligt het schoonste panorama voor den reiziger. Van Luso in het Noorden, dat in het groen genesteld is in een stil hoekje van het bergland, breidt het uitzicht zich uit over den kam van het golvend bergland van den Serra de Caramullo tot aan de zee, waar 50 kilometer ons van scheiden; verder kan men de lijnen van het strand volgen en met het oog in de bosschen doordringen, die overal den grond bedekken. Ook is Pampilhosa te zien en het groene dal der Mondego, dan Coïmbra, en voorbij Coïmbra tot verre horizons ligt daar de wijde ruimte in de heldere lucht tot de woeste bergen van den Serra de Estrella.

De hoogten van Bussaco vormen een der eerste deelen van de bergachtige streek van Beira. Zonder zoo belangwekkend te zijn als die van Doura, verdient de spoorlijn van Pampilhosa naar Villar Formoso, die geheel Beira doorsnijdt, dat men haar volgt tenminste tot Guarda. Nadat men over de viaduct van Luso is gereden, loopt de trein over een Cornicheweg door een bergstreek van Serra’s, die deels kaal zijn, deels met dennen begroeid. Ter halver hoogte liggen dorpjes boven afgronden, dorpjes met donkere huizen, die sprekend aan de woningen in sommige landschappen van Corsica doen denken. Daarna wordt de horizon wijder en de spoorweg gaat over een vruchtbare vlakte, waar bosschen zijn. Gedurende bijna twee uren volgen de dennebosschen elkaar op, met ter afwisseling bebouwde gronden, en boven de groene naalden verrijst rechts de nog besneeuwde kruin van het Estrellagebergte.

Tusschen Mangualde en Guarda is het land zeer schilderachtig, en de weg, die langzaam is gestegen, biedt zeer schoone uitzichten aan en mooie panorama’s, vooral op het dal der Mondego en de andere dwarsdalen. Te Gouvea is een verrukkelijk panorama te genieten. Eindelijk ziet men Guarda verschijnen, trotsch op een hoogte gelegen, den mantel der oude vesting werken, waar de kathedraal boven uitsteekt, als een vooruitgeschoven schildwacht, wat het vroeger was, op het eind der twaalfde eeuw, in den tijd, toen koning Sanchol oorlog voerde tegen de Mooren en zijn koninkrijk versterkte en afrondde.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings