← Table of contents
In en om Java's Paradijs

Het Sanatorium Tosari en zijn omgeving.

Reading edition

1. Dessa Tosari.
1. Dessa Tosari.

1. Dessa Tosari.

2. Villa van het Sanatorium.
2. Villa van het Sanatorium.

2. Villa van het Sanatorium.

3. Oud-Tosari.
3. Oud-Tosari.

3. Oud-Tosari.

4. De hoofdstraat van Tosari.
4. De hoofdstraat van Tosari.

4. De hoofdstraat van Tosari.

5. Eetzaal van het Sanatorium.
5. Eetzaal van het Sanatorium.

5. Eetzaal van het Sanatorium.

6. Recreatiezaal van het Sanatorium.
6. Recreatiezaal van het Sanatorium.

6. Recreatiezaal van het Sanatorium.

7. Grot bij Podokojo.
7. Grot bij Podokojo.

7. Grot bij Podokojo.

8. De Zandzee met Smeroe-Batok en Bromo.
8. De Zandzee met Smeroe-Batok en Bromo.

8. De Zandzee met Smeroe-Batok en Bromo.

Het is laat geworden gisteren avond. Bouwmeester met zijn wakker troepje voerde in de recreatiezaal “Voerman Henschel” op, en na afloop van de voorstelling is menigeen onder het genot van een glas wijn nog wat blijven napraten.

Om vijf uur in den ochtend zouden de paarden voorkomen.

Doel van den tocht: Zandzee, met Bromo.

Daar recht vooruit slingert het pad langs ravijnen en berghellingen tot op den eigenlijken bergkam, die hier ruim zes duizend voet hoog is. Zie thans ver voor u uit in de diepte, als de morgennevelen genoegzame vensters in het hemelsch gordijn openlaten.

Wat ge dan ziet? Een lappendeken van groen, geel, met een floers, een waas bedekt; bovenaan een horizontaal vlak, van links naar rechts helder schitterend, soms zwarte of witte stipjes. Dáárboven een ongelijke horizontale streep, naar boven weder een helderen rand.

Die heldere, horizontale baan is de zee, die ongelijke horizontale streep is Madoera, het eiland waar ge over heen ziet.

Die zigzagsgewijze grauwe baan links, aan de linkerzijde van Madoera, is de hoek van Grissee, en daarboven ziet ge flauw drie trapsgewijze, lange horizontale banen aaneen. Dat zijn de zoogenaamde doodkisten, aldus genoemd omdat die drie platte lange kalkheuvels er op gelijken. Daar ziet ge over geheel het “suikerparadijs” van Soerabaia, Bangil en Pasoeroean heen. En het koffieparadijs? Dat is achter u gelegen.

Daar ziet ge nu een gebied, waar twee millioen menschen leven, werken en zwoegen voor handel en nijverheid, millioenen schats produceeren, een land waar vrede en welvaart heerscht door arbeid.

We gaan verder oostwaarts op, eerst een tijd lang over den hoogen noordelijken bergwand, langs een pad van zand, door den Bromo tot hierheen uitgeworpen op zes à acht palen afstand.

Rondom u in alle geulen en hoeken, langs alle hellingen, op alle ruggen, houden zich onzichtbare wezens op, die u begluren, begeleiden en bespieden.

Vrees evenwel niet! De geleider, Tenggerees, is de ware gids op dit pad, de vertrouweling der goden. Zie hem gedurig rondom zich heen kijken. Dit is de gewoonte der bergbewoners. Zijn er meerderen bijeen, gewis kakelen ze den ganschen weg over. Ge gelooft niet aan de onzichtbare wezens? Welaan, gelooft ge dan aan de u omgevende lucht, die in het benedenland zes en dertig duizend ponden zwaar op uw lichaam drukt, zonder dat ge iets voelt of ziet, en die hier in de hoogte aanmerkelijk lichter maar ook onzichtbaar is. Dat is ook een onzichtbaar wezen, en ge gelooft er aan, omdat de wetenschap het leert.

Sta een oogenblik stil, zoo mogelijk alleen, op een rustig plekje. Hoort ge dat geruisch? Lispelend, glijdend, strijkend, als een zijden gewaad over een marmeren vloer, als het gemurmel van een verwijderd beekje. De taal der luchtgoden! Daar hoort ge op eens een uitbarstend geloei, als van een kudde vee in de verre weide, een gebrul met rollende tonen, gesis en gekraak, gefluit en dan weer een rollenden donder. Ge staat stil, ziet rondom u, niets dan ruggen en kruinen met gras en struikgewas. Wat was dat, man? Bromo-koelo, noehoen!

Hoort ge! de goden zijn te gast in den grooten kelder, die verre, diep onder ons gelegen, reikt tot in het hart der aarde. Zoo wij nu straks den Lamongan in het oosten, den Smeroe in het zuiden zien, zullen zij waarschijnlijk niet rooken.

De goden bezoeken hunne zetels bij beurten, liggen bij beurten rondom een disch aan; bij beurten rooken de hooge schoorsteenen.

Eindelijk zien wij vooruit, in den wit-grauwen bergwand, een uitgekapte poort; opening, waardoor men naar het daarbuiten gelegene kan zien.

Men blikt in een oneindige diepte, op een warrelende, schitterend witte dampmassa, een gezicht, dat het gemoed beklemt tot hartkloppens toe.

Wij staan aan den Moenggal, 7574 voet boven de zee. Treft men het juist dat over de breede diepte wolkenmassa’s hangen, dan gevoelt ge u verlegen en eenigszins bevreesd om in de schijnbaar eindelooze diepte af te dalen langs een zigzagpad, dat in den bergwand uitgehouwen en over een afstand van wellicht niet meer dan honderd voet zeven honderd en veertig voet daalt als de wenteltrap in een toren.

De Moenggalpas is een uitkapping in den kraterrand aan de noordwest-zijde, een bergportaal van het groote paleis der Tenggergoden. Doe als de u begeleidende Tenggerees. Leg een paar duiten in een der gaten, breng dus uwe offerande aan den alhier geposteerden onzichtbaren portier, en ge kunt welgemoed verder gaan, al kunt ge geen twintig voet diepte, geen tien schreden naar beneden vooruit zien door het schitterend, warrelend ijle wolkenfloers.

De goden hebben hunne gordijnen dicht geschoven totdat de hemelgeesten ze omhoog zullen trekken.

Doch bezoekt ge, van Tosari uit, in de maanden Juni tot Augustus dit portaal van den Bromo, ga dan om half negen ’s morgens op weg. Dan komt ge ongeveer half elf aan den Moenggalpas, vindt het zwerk weinig in wolken gehuld en aanschouwt er de volle heldere hemel van het bergland.

Zie voor u neder in de diepte. Ge staat bij de planken hut, daar geplaatst door het Sanatorium. Daar beneden is een vale, grijze, schijnbaar doorploegde vlakte, doodsch, naakt, kaal.

Noch vogel, noch insect, noch vlinder, noch mensch, noch dier ziet ge ergens. Zeldzaam dwalen verwilderde paarden in dit kraterdal. Zoo ze er zijn, als ge op den kraterwand bij Moenggal staat, gewis zoudt ge ze voor mieren aanzien, want afstand en hoogte zijn groot.

Wij dalen langzaam neder in de kratervlakte, meer dan twintig duizend voet breed of ruim een uur gaans, tamelijk waterpas en alles zandbodem. Klompen, schijnbaar van steen en lava, verkoolde poreuze massa’s als uit steenovens, wijzen den weg en zijn de levenlooze begeleiders op ons pad door de Zandzee.

Daar vóór ons rijst somber en dreigend de Bromo, die tot zevenhonderd voet boven de zandvlakte zich verheft, één aschhoop zonder een enkel grasscheutje of sprietje. Een deel van zijn noordoostelijken voet hangt samen met den Batok, dat broodsuikervormig geribt bergje, 926 voet hoog en waarvan de smaragdgroene voet verdwijnt in den vaalgrijzen bodem. De sedert lang uitgedoofde en de nog werkende krater willen nog niet van elkander scheiden, houden elkander vast aan de zoomen van hun kleed.

Maar dat kleed is bij den Batok groen als fluweel, door den verren afstand van de tjemaraboomen; bij den Bromo is het een treurig woest, doodsch, naakt en kaal gewaad.

En als dan de Bromo in werking is, dan ziet men vuur en rook en vlammen en warrelende kolommen opstijgen uit den vuurmuil van vijftien honderd voet diameter; men ziet de schijnbaar als vuurvonken opgeworpen lavabrokken in bogen neervallen; men hoort het geraas en gerommel opkomen uit de diepten van het hart der aarde en de omgeving sidderen onder de machtige mokerslagen van den god Vulcaan, die met zijn trawanten daar den vuurhaard stookt.

Doorleef het nog eens in uwe herinnering, gij die het ook gevoeld en ondervonden hebt; mededeeling door woorden aan anderen is ondoenlijk.

Een koude wind komt opzetten, de wolken van Tosari hullen alles in een sluier, geheimzinnig en zwaar: langzaam verlaten wij de plek, waar de natuur haar wonderen wrocht. De Bromo is reeds onzichtbaar, de doodsche vlakte ligt daar vaalgrauw in indrukwekkende majesteit, en in galop voeren de paarden ons door de Zandzee wederom den Moenggalpas op en terug naar het Sanatorium.

Heerscht in gewone tijden een doodsche stilte in en om de Zandzee, anders is het wanneer het Bromo-offerfeest zal worden gevierd.

Op de nauwe bergpaden, die naar den Moenggalpas voeren, verdringt zich dan de bont uitgedoste bevolking, gedeeltelijk gezeten op stevige bergpaardjes met rinkelende bellen behangen, op weg naar den ouden Wachter.

Reeds dagen te voren verzamelen zich de Tengger-bewoners in de Zandzee en slaan daar een tijdelijke woning op, zoodat die zandvlakte een kermisplaats zonder tenten gelijkt. Bij het ochtendgloren wordt dan de aschkegel bestegen door duizenden lieden, voorafgegaan door priesters, dragende offers bestaande uit rijst, klappers en pisang.

Ten opzichte van het brengen van levende offers zijn de tijden veel veranderd. In de 18e eeuw werd eenmaal per jaar een jonge maagd, bij het bergfeest, in den krater geworpen. Later, instede van de maagd, een stokoude vrouw reeds met één voet in het graf. Eindelijk werden, en maar gelukkig, dieren in plaats van menschen geofferd, en ook deze hoe langer hoe minder groot en kostbaar. Van een koe kwam men tot een kip. Schrijver dezes woonde het bij, dat men zelfs den kratergeest de kip niet meer gunde; althans het beest werd, zorgvuldig aan een touwtje gebonden, neergelaten en haastig weer opgehaald uit den vuurmuil.

Andere tijden, andere zeden!

Schier onhoorbaar is de stilte van den nacht gekomen over het wondervolle Tenggerland. In de helder verlichte zalen van het Sanatorium vermaakt men zich met spel en opgewekt discours, en naar buiten getreden, werpen wij een blik in de richting van het lage land in de vlakte, zes duizend voet beneden ons.

Als een reusachtig mysterie donkert de omgeving tegen ons aan, diep en zwaar. Hier en daar blinken lichten op uit de velden; één plek komt helder uit, vermoedelijk een boschbrand. Daar in de verte wordt van tijd tot tijd zichtbaar het vuur van Zwaantjes-droogte, een lichttoren van de vierde orde.

Als een reusachtig oog blikt het licht over het water. Het schijnt ook opwaarts te zien, als een symbool van hoop en vertrouwen.

Men voelt zich hier verheven boven het klein gedoe der wereld, zwoegende beneden ons; de bergen stemmen tot weemoed en ernst, maken den mensch beter, geschikter om te volvoeren de plichten, die hem opgelegd zijn, de plichten waaraan wij ons niet kunnen onttrekken zonder te kort te schieten in ’t geen wij der gemeenschap verschuldigd zijn.

Blitar, 1907.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings