III.
Reading edition
Vol trots, vol zelf-bewondering keek Max rond in zijn keurig kantoor. Dat was toch maar zijn werk, zijn eigen werk, dat hij hier nu zoo prachtig zat. Ruim, luchtig, comfortabel....
Voor hem op zijn groot bureau ministre lagen een paar exemplaren van het weekblad “Eva”. Liefkoozend, bijna streelend, legde hij zijn hand er op. Werkelijkheid.... zijn droom werd nu toch waarachtige werkelijkheid....
Hij leunde welvoldaan in zijn bureaustoel. Hij bezat dan toch wel kracht en doorzettingsvermogen, om, ondanks alle bezwaren en moeilijkheden, vol te houden, vól te houden, totdat het doel was bereikt. De zaken waren bij Wouters niet zoo glad van stapel geloopen, als hij had gemeend. Nee, die wou kapitaal hebben, notabene, een zekerheidsstelling, een waarborgsom,—en daar was hij niet af te brengen. Ja! als hij dát had.... dan kon hij, Max, tweeduizend gulden krijgen, dan zou hij goede honoraria betalen.... prijzen uitloven.... dan zou het weekblad er ook prachtig-verzorgd uitzien, zwaar papier.... nu en dan een illustratie op kunstdruk-papier... een opzettelijk-gesneden letter....
Maar waar dat kapitaal te vinden? En toch, zóó in het gezicht der veilige kust vergaan.... dat wilde Max niet. Nooit, onmogelijk, zou hij zich weer in zijn hondsch leven, dat hij in gedachten al voor goed vaarwel had gezegd, kunnen schikken, nu hij zóó’n ander bestaan had geënvisageerd. Op sommige oogenblikken was hij radeloos; moest zijn plan, waar toch een fortuin inzat, dan afstuiten op een oogenblikkelijk gebrek aan dat stomme, dat brute geld?.... Maar de andere jongelui, die allen gewonnen waren, en waarvan de een zich al enthousiaster betoonde dan de ander, konden het plan ook maar niet zoo plotseling weer zien opgegeven. En een hunner wist een nicht van hem zóolang te bewerken, totdat zij toegaf, en zich aansprakelijk wilde stellen als borg.
Nu waren zij gered, en met spoed werden de toebereidselen gemaakt. Max drong de omstandigheden met een koortsachtigen ijver voort, totdat hij wás, waar hij wezen wou.
Een “nette” verdieping, zooals hij dat had gewenscht, was ingericht als kantoor voor het weekblad “Eva”. Hij had de voorkamer, die uitzag in de Heemskerckstraat, als particulier kantoor; eenvoudig was de kamer gemeubeld, maar juist volgens zijn genoegen; met een breede schrijftafel bij het eene raam, een tafel in het midden, overdekt met boeken en papieren, een paar fauteuils voor de bezoekers,—bezoeksters,—en een groote boekenkast aan den wand. Verder had hij gezorgd voor wat mooie groene planten, en voor een paar kleine aquarellen en eenvoudig-omlijste etsen aan de met effen donkerrood behangen wanden. Een paar stoelen, een boekendrager, een rek met een encyclopedie en dictionnaires, en naast zich een klein, tweebladig vierkant tafeltje.
Eenvoudig genoeg,—maar het had hem nog heel wat hoofdbreken gekost, om het zoover te krijgen. Want daar hij geen cent fortuin bezat, moest alles hem op afrekening worden gegeven, en het duurde lang, en kostte veel moeite, eer hij een leverancier daartoe bereid had gevonden. Ze hadden meestal zóoveel noten op hun zang, betrachtten zóoveel voorzichtigheid, dat hij wel eens woedend had uitgeroepen: waarvoor ze hem dan wel aanzagen? En ja waar zagen ze hem voor aan? Wel, voor wat hij toen nog was: een klerkje, werkzaam in een kleine zaak....
Enfin, eindelijk was hij dan toch geslaagd. En hoe! Tevreden was hij, over- en over- en over-tevreden. Het gaf wel een air van degelijkheid, deze sobere eenvoud, dat kon niet anders dan een goeden indruk maken.
In het kabinet vóor zat Robert, als zijn particuliere secretaris. Dat wil zeggen, hij zat er nooit, want zijn journalistieke baantje had hij, ondanks al zijn, Max’, overhalingen, er niet aan willen geven. Later misschien.... nu vond hij de zaak nog te precair. Precair! verbeeld je, nu alles zóó prachtig liep: vierhonderd drie en tachtig abonnées, nog vóor het verschijnen van het eerste nummer! Enfin, hij zat dus voor den vorm in dat kabinet, maar eigenlijk stond er alleen een schrijfmachine.
Veine! veine! Het geluk dient den stoutmoedige. Het prospectus was inderdaad practisch en pakkend gesteld. En zijn portret.... nu hij mocht dan ijdel wezen, goed! maar zijn portret had het hem dan toch maar gedaan. Hoeveel briefjes had hij niet ontvangen aan zijn persoonlijk adres: dat die en die zich zoo graag zou abonneeren.... in de hoop natuurlijk een antwoordje van Hem (met een hoofdletter) terug te ontvangen. In het begin had hij dat dan ook trouw gedaan,—maar toen de toeloop te groot werd, moest zijn particuliere secretaris er voor opdraaien, alias de schrijfmachine. Leuk, leuk, typisch, pyramidaal, had hij zich er boven-op gewerkt!
Vanavond zou er een vergadering zijn van de redactie en medewerkers. Gezellig, wat? zoo’n staf om je heen te hebben, die je drillen en bemeesteren kon. En ze luisterden naar hem; natuurlijk! sinds hij bewezen had, zoo uitstekend de zaken in te zien!