MISSTELLINGEN. (continued 2)
Reading edition
Toen wij in deze laatste school binnen traden, was men juist bezig met de verklaaring der wetten, waar na dit land bestuurd werdt; men las dezelve voor, en gaf reden van al wat in de zelve gesteld was; dit juist gaf mij gelegenheid van, bij 't eindigen der voorleezing en geduurende het uitgaan der schoole, in gesprek te treeden, met een der Oudsten, welke in deze school de voorzitting hadt. Ik maakte hem eene aanmerking bekend, welke mij onder het leezen der wetten ingevallen ware; bestaande daarin, dat ze mij niets anders dan zekere geregelde schikkingen van huishouding scheenen te behelsen; zonder dat 'er van eenige misdaaden of straffen in gerept wierde; 't zullen, zeide ik, zeekerlijk, alleen de Burgerlijke of Civile wetten geweest zijn, die ik heb hooren voorleezen; 'er zijn immers, behalven dezen, ook Crimineele wetten hier in gebruik?
De Oudste. O neen! wij kunnen 't met deze gemakkelijk af? Ik weet wel, wat gij bedoelt; maar ge moet die oude tijden, toen 'er crimineele wetten noodzaakelijk waren, niet verwarren, met de behoefte van onzen tegenwoordigen tijd. Wil ik u eens beknoptelijk zeggen, waar om wij alleenlijk civile schikkingen, en geen crimineele wetten noodig hebben; hoor, dat komt van daar, dat wij de Jeugd onder ons eigen toezicht opvoeden; dat onze maatschappijën thands zo geweldig groot niet zijn, dan vóór dertien eeuwen; dat wij onzen rijkdom niet meer in elendig poppengoed van goud en zilver, maar in kennis en vergenoegen zoeken. Want hier door, zegt JUVENAAL, ontstaan gemeenlijk de oorzaaken van schelmstukken, en geen ondeugd van het menschelijk gemoed, heeft ooit meer vergifts gemengd, of zwaarden ter verderve gewet als de felle trek tot onmaatige middelen.(20) In één woord, dat wij waarlijk verstandiger geworden zijn, en daar, waar het verstand verlicht wordt, verminderen allengs de misdaaden; zondigen is dwaalen: wij trachten, zo veel mogelijk, der jeugd van 't eerste oogenblik heurer ontluikende kennis, waare denkbeelden der dingen in te boezemen. De jeugd blijft niet te min wel verschillend van aart; en dat is, tot derzelver bestemming, ook hoogstnoodig; maar alle die misdaaden, die, in voorige eeuwen, uit begeerte naar eens anders goederen en bezittingen ontstonden, en zo wel den koning als den onderdaan besmetteden, zijn bij ons voorwerpen van medelijden. Hier toch is bij niemand overvloed, maar ook bij niemand gebrek; want zo dra iemand meer geld of goed, langs den eenen of anderen weg, verkreegen heeft, dan hij voor zig gebruiken kan, geeft hij 't vrijwillig in de schatkist des Lands, en daaruit worden weder anderen, in gevalle van onvruchtbaarheid, of andere rampen, ondersteund, en voor gebrek behoed; zo dat hier niemand meer dan een ander verlangt, alzo hij zeer tegen de algemeene gewoonte zou handelen, met zijn overhebbende goed, niet ten gemeenen nutte afteleggen. Wat werden 'er, in voorgaande eeuwen, uit den ongelijken eigendom niet al misdaaden gebooren! Hoogmoed, onrecht, moord, diefstal, bedrog, die alle slegts op het mijne en uwe gegrond waren(21). Nu, waar de oorzaaken ophouden, houden ook de gevolgen dier oorzaaken van zelven op; onze voorvaders hebben getracht, langzaamerhand die oorzaaken te doen ophouden; wij genieten daar thands de vruchten van, waartoe zouden wij dan geneesmiddelen tegen de schadelijke gevolgen, dier bij ons onbekende oorzaaken, bezigen?
Ik. Gelukkig en gezegend moet uw land zijn, waarin zulke hevige middelen ontbeerd kunnen worden.
Geheel verrukt, riep ik, in een soort van kortstondig enthusiasmus, de heerlijke Dichtregelen van den grooten MARO uit:
Magnus ab integro sæclorum nascitur ordo, Jam redit et virgo redeunt Saturnia regna; — — — — — — — — — — Talia sæcla suis dixerunt currite fusis, Concordes stabili fatorum numina Parcæ!(22)
Doch staa mij toe, dat ik u verzoeke mij eene zwaarigheid optelossen. Gij zegt zelve dat de kinderen onder u van verschillenden aart zijn.—Juist dit dunkt mij, moet oorzaak zijn, dat ze tot booswigten, misdaadigers, enz. ontaarten? En in zulk een geval, kunnen 'er, dunkt mij, geen crimineele wetten in eene maatschappij gemist worden.
De Oudste. Ik heb u wel gezegd, dat de kinderen onder ons in aart verschilden; maar niet dat hun aart ten kwaade geneigd ware. De menschlijke aart schijnt altijd ten goeden overhellende; altijd tot zijn zelfs verbetering neigende; dit heeft in de voorige eeuwen, zo veele booswigten, en zo veele braave lieden, tevens opgeleeverd; men wist dien aart maar niet wel te leiden; ook hadt men, te dier tijd, daaden en handelingen voor misdaadig en zondig uitgekreeten, die, na onze inrichtingen, geheel onschuldig zijn. Dit neemt bij ons een groot deel kwaads weg; waarbij dan nog komt, dat wij geen belang in het overtollige hebben leeren stellen; hier door is dieverij, moord, bedrog, en al dat gevolg van het mijne en uwe bij ons verdweenen.—
Ik. Ik kan mij geen maatschappij verbeelden, waar dit kwaad geen' invloed hebbe.
De Oudste. Dat komt enkel daarvan, dat ge nog te midden onder een ander soort van samenleeving leeft; wij kunnen ons ook volstrekt geen juist denkbeeld dier samenleeving van de voorige eeuwen, van hebzucht, en wandaaden maaken.
Ik. Laat dat zo zijn; maar schoon men nu die voorwerpen van misdaaden wegneeme; 'er zullen toch altijd hartstochten van Toorn, Liefde, enz. overblijven, die toch ook gelegenheid tot wanbedrijven kunnen geeven; schoon 'er geen geld of goed mede gemengd zij. Ik denk toch dat uwe Landgenooten wel door driften somtijds in beweging gezet worden; anders zoude het wel een doodelijk slaaperige maatschappij uitmaaken.
De Oudste. Dit verbeeldt ge u slegts; 'er zijn zeekerlijk hartstochten onder ons; maar wij leeren elkanderen het buitenspeurige derzelve tegengaan; een maatschappij behoeft immers niet slaaperig en doodsch te zijn, schoon 'er niet in gemoord of gestoolen worde; ook zijn onze regeeringsschikkingen van dien aart, dat, zoo 'er al eens zulk een ongelukkig voorval gebeurde, men zodanig een door hartstocht overweldigd mensch, onder de zinneloozen en ongezonden, in onze zeer wel ingerichte Gasthuizen, zou trachten te verbeeteren.
Ik. Maar hoe komt het toch, dat ik in deze school geen knaapjens onder de zeven jaaren en geen meisjens aantreffe?
De Oudste. Wij zenden de kinderen onder de zeven jaaren niet ter schoole, noch stellen hen aan geenerlei geheugen, of herssensoefenenden arbeid; maar maaken hen dan sterk en bekwaam tot ligte handwerken, die ze ook door den tijd noodig zullen hebben; dat begint al met hun vijfde jaar; de eerste jaaren der kindsheid, worden slegts met groeijen en speelen versleeten. Wat de meisjens aangaat, deze worden afzonderlijk in schoolen, onder toezicht van vrouwen, opgevoed, en mede in sommige der nuttigste weetenschappen, maar inzonderheid in de huishoudkunde, onderweezen.
Ik. Maar hebt ge geene volks bijeenkomsten, waarin aan bejaarden hunne verhevenste pligten voorgehouden worden? In één woord, hebt ge geen Godsdienstoefenplaatsen, geen Kerken?
De Oudste. Wel voorzeeker! Wat land kan zonder Godsdienst bestaan? maar wij noemen die bijeenkomsten Zedeschoolen, en zij die in dezelve leeren en onderwijzen, Zedeleeraars; doch het gewigtig twistpunt dat vóór veele eeuwen de oorzaak der geweldigste beroeringen in landen en staaten geweest is, te weeten het kerkelijk gezag, is bij ons niet bekend. Al wat het bestuur aangaat wordt aan den Vader des Lands, benevens zijne oudsten, overgelaaten; maar de zedeleeraars bemoeijen zig met verhevene wijsgeerige leeringen, stichtende en aangenaame voordragten te doen, ten einde het gene het volk in de schoole geleerd heeft, en dagelijks tot hunnent oefent, behaaglijk te herhaalen, en hen in 't geheugen te prenten.
Ik. Maar leert men hier in die leerschoolen van den Godsdienst geene Theologische stelsels; hebt ge thands geene Theologanten?
De Oudste. Wel ja! in zekeren zin hebben wij zonder twijfel Theologanten, immers de waare Theologie is onveranderlijk. Mijn voorneemen is zelfs om bij een hunner op 't oogenblik een bezoek te gaan afleggen. Gelieft gij mij gezelschap te houden, dan kunt ge hem zelven over zijne leer onderhouden.
Ik was verheugd die gelegenheid te kunnen waarneemen, om mij met de Theologische stelsels der volgende Eeuwen bekend te maaken. Met al mijn hart, was mijn vuurig antwoord, laat ons, zoo 't u anders niet belet, ten eersten heenen spoeden. Wij deeden dit, ik verbeelde mij den Oudsten aan mijn regtsche en mijn' Geleider aan mijn linksche hand te hebben; vol van gedachten over al 't gene wat ik den Theologant vraagen, en bij hem onderzoeken wilde, naderden wij aan zijn wooning. Hij was mede een eerwaardig, doch eenvouwig grijsaart. Hij ontfing ons met alle tekenen van opregt gemeende gulheid; wij zetteden ons bij hem neder. De Oudste vong het gesprek aan.
De Oudste. Eerwaardige! zie hier een' vreemdeling, die uwe meening omtrent eenige verborgenheeden uwer leer van u wilde verneemen.
De Leeraar. Hij spreeke; 't zal mij aangenaam zijn, hem eenig licht en troost te kunnen verschaffen. Maar (zig tot mij wendende) verborgenheeden, goede vriend! en althands verborgenheeden Gods, zijn en blijven hier op aarde ondoordringbaar voor den zwakken sterveling. Wij prenten daarom onzen kinderen in de schoolen den grooten regel van den alouden POPE in. Mensch! wees dan nederig in uwe hoop, en verhef u niet dan met vrees, wagt den grooten onderwijzer, den dood, en aanbid God(23).
Want de oude SCALIGER zegt, met reden:
Nescire velle quod magister optimus Docere non vult erudita inscitia est.
Niet te willen weeten, 't geen de opperste leeraar, niet leeren wil, is regt geleerde onweetenheid.
Ik. Dit beken ik, Eerwaardige! maar elk vormt zig toch een zeker eigen denkbeeld over sommige duistere zaaken: ik wilde gaarne onderstaan of wij ook veel in denkbeelden verschillen, ten einde, zoo ik de uwen beter en gegronder vonde, de mijnen vaarwel te zeggen, en voor de uwen te verwisselen; wat, bijvoorbeeld: denkt gij van...
Hier werd ik gestoord...
Eensslags kwam ik, in de zinnelijke waereld, uit die der verbeelding, terug.—Zo ook zullen wij eens, te midden onzer ijverigste navorschingen, in 's levens mijmering gestoord wordende, in de eeuwige waarheid ontwaaken.
