← Table of contents
Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5

DE VORSCHEN (Ecaudata).

Reading edition

Ieder die een Kikvorsch aandachtig bekeken heeft, kent alle leden van de eerste orde der Amphibiënklasse. De verschillen van lichaamsbouw, die in deze orde voorkomen, hoewel niet gering of onbelangrijk, gaan nimmer zoo ver, dat het mogelijk zou zijn een Vorsch of Staartelooze Amphibie met een Salamander te verwarren. Een plompe, eivormige of bijna vierhoekige romp, welks verbinding met den plat gedrukten, breeden, aan den snuit spits toeloopenden of afgeronden, wijdmondigen kop op zulk een wijze tot stand komt, dat men geen hals kan onderscheiden, vier goed ontwikkelde ledematen en een meer of minder gladde, naakte, glibberige huid zijn de uitwendige kenteekenen van alle leden der eerste orde. De oogen zijn betrekkelijk groot en zeer beweeglijk; de neusgaten kunnen meestal door eigenaardige kleppen gesloten worden; de gehoororganen zijn groot en kenbaar aan het trommelvlies, dat aan de oppervlakte gelegen is. Tusschen de geslachten en soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil, wat het maaksel der pooten, de gladheid en de dikte der huid, de aanwezigheid en de verdeeling der slijm- of gif-uitzweetende klieren betreft.

Het geraamte is hoogst eenvoudig van samenstelling. De kop is van boven naar onderen sterk samengedrukt, de hals, strikt genomen, slechts aangeduid; de wervelkolom bestaat gewoonlijk uit 7, zelden uit 6 wervels; het heiligbeen is een rolvormig of plat driehoekig been geworden, waarmede van achteren een in ’t middenvlak gelegen, lang, staafvormig staartbeen en aan weerszijden een eveneens langwerpig heupbeen verbonden is; de gordel van de voorste ledematen is kraakbeenig en hangt uitsluitend door weeke deelen met de wervelkolom samen; ribben zijn niet aanwezig behalve bij de familie der Schijftongigen. Kleine, haakvormige tanden zijn op de bovenkaaksbeenderen in den regel, op de ploegschaarbeenderen dikwijls, op de gehemelte- en de onderkaaksbeenderen bij uitzondering aanwezig. De zelden ontbrekende tong is slechts bij enkele soorten over haar geheele lengte met den bodem van de mondholte vergroeid, bij de meeste alleen met het voorste gedeelte vastgehecht dicht bij de plaats, waar de beide onderkaakshelften zich vereenigen; het achterste deel van dit orgaan is vrij, zoodat het buiten den mond geworpen kan worden. Bijna alle hebben zeer groote, zakvormige longen en een goed ontwikkeld, wijd strottenhoofd, dat dikwijls nog door eigenaardige keelblazen of klankholten geholpen wordt bij het voortbrengen van een luide, klankrijke stem. De hersenen hebben in verhouding tot de geringe grootte van het lichaam een aanzienlijken omvang.

De Vorschen zijn over de geheele wereld, met uitzondering van de poolgewesten, verbreid; zij ontbreken in geen der werelddeelen en op geen der hoogtegordels; in de keerkringsgewesten bereikt deze groep haar hoogste ontwikkeling. Minder dan andere Amphibiën zijn zij aan bepaalde terreinen gebonden, daar de inrichting van hun lichaam hen tot allerlei bewegingen in staat stelt. Verreweg de meeste Vorschen blijven niet wonen in het water, waarin zij hun jeugd doorbrachten, maar verbreiden zich in den omtrek, zij het dan ook binnen een beperkten kring, welke steeds voldoen moet aan de voorwaarde, dat zij er de vochtigheid vinden, die voor haar bestaan volstrekt noodig is. Hunne verblijfplaatsen zijn zoo verschillend als die van eenig Amphibie kunnen zijn. Zij komen overal voor, waar zij geschikte schuilplaatsen kunnen vinden en in de gelegenheid zijn om voedsel, vooral Insecten, te verkrijgen. Hun zomerleven onderscheidt zich echter aanmerkelijk van hun leven gedurende het ongunstige jaargetijde, om ’t even, of dit door daling van de temperatuur of vermindering van den vochtigheidstoestand voor hen ongunstig wordt. Hier te lande verschuilen verscheidene soorten zich voor het einde van den herfst in het slijk van poelen en plassen, waar zij gedurende het koude jaargetijde in een op den dood gelijkenden slaap verkeeren. In zuidelijke landen dwingt de droogte hen eveneens zich te verbergen. Gezelligheid is een grondtrek van het karakter van alle bij of in het water levende Vorschen; er ontstaat echter tusschen hen nooit eenig verband, zooals bij de hoogere Gewervelde Dieren. Gelede Dieren, Wormen en Slakken maken haar liefste voedsel uit; ook vischkuit en kleine vischjes dienen hun tot spijs; de grootste vertegenwoordigers van de orde wagen het zelfs kleine Zoogdieren en Vogels aan te vallen. Enkele Boomkikkers voeden zich bijna uitsluitend met andere Amphibiën en wel vooral met leden van hun eigen familie.

De voortplanting heeft bij de Europeesche Vorschen in de lente plaats. De eieren (het rit) zijn onderling vereenigd tot snoeren (b. v. bij de Padden) of tot onregelmatige klompen (b. v. bij de Kikvorschen). De larven (dikkoppen, donderpadden, kikkervischjes) missen nog de ledematen en de mondopening, maar zijn van een staart voorzien. Onder de plaats, waar later de mondopening zal ontstaan, bevinden zich 2 kleine, spoedig verdwijnende „hechtschijfjes”. Weldra ontspruiten aan weerszijden van den hals drie boomvormig vertakte, uitwendige kieuwen; achter elke kieuw is een spleet (keelspleet), waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap staat. Daarna komt de mondopening tot stand en worden de kieuwen langzamerhand door een van den kop naar achteren groeiende woekering van de huid (het kieuwdeksel) overdekt en in een kieuwholte opgesloten; intusschen verdwijnen de boomvormige kieuwen en wordt haar verrichting overgenomen door inwendige, als tanden van een kam aan de kieuwbogen gehechte kieuwplaatjes, welke veel op die der Visschen gelijken. Het kieuwdeksel laat voor den afvoer van het water een opening vrij (de kieuwspleet). Deze is bij de meeste inheemsche Vorschen (Rana Bufo, Pelobates en Hyla) aan de linkerzijde van den hals gelegen, minder dikwijls (Alytes, Bombinator) in ’t midden van de keel. Terwijl de kieuwen deze veranderingen ondergaan, hebben de randen van de mondspleet zich met een hoornlaagje bedekt, dat verscheidene rijen van fijne hoorntandjes draagt. Binnen in het lichaam merkt men den spiraalvormig gekronkelden dunnen darm op. Daarna vertoonen zich de achterste ledematen, die reeds een aanmerkelijke grootte bereikt hebben, als de voorste ledematen zichtbaar worden. Van nu af verdwijnen de larveorganen langzamerhand; de kieuwen verschrompelen, de kieuwspleet groeit dicht, de longen beginnen dienst te doen; de hoorntandjes en het hoornachtig bekleedsel van de kaken gaan te niet; de staart wordt allengs korter en verdwijnt eindelijk geheel; tenslotte is de staartelooze jonge Vorsch gereed om het water te verlaten.

Over ’t algemeen zijn de Vorschen wakker en bedrijvig van aard; nachtdieren zijn zij even goed als de andere Amphibiën, hoewel vele ook over dag een grootere bedrijvigheid toonen dan bij andere leden der klasse waargenomen wordt. Door hun geschiktheid tot beweging munten zij boven al hunne verwanten uit: zij gaan of strompelen beter dan deze, maken kolossale sprongen en doen dit op een buitengewoon behendige wijze, zwemmen en duiken voortreffelijk en kunnen uren lang zonder bezwaar op den bodem van het water doorbrengen. Zij zijn scherp van gezicht, van gehoor en van reuk, zijn ondanks hun in ’t oog vallende gevoelloosheid, duidelijk geschikt tot het opmerken van drukking en temperatuursverschil, waarschijnlijk ook, hoewel in geringe mate, voor smaakprikkels gevoelig. Bij de andere leden hunner klasse kan men moeilijk sporen van hoogere werkzaamheid van den geest ontdekken; bij de Vorschen daarentegen worden duidelijk een nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid, benevens onderscheidingsvermogen, geheugen en op ervaring berustende schranderheid waargenomen; bovendien geven zij blijken van voorzichtigheid en schuwheid in hunne betrekkingen tot andere wezens; zelfs openbaren zij eenige list bij het kiezen van de middelen om aan een gevaar te ontkomen of om een buit te bemachtigen; zij scheppen behagen in luide tonen, zooals op onmiskenbare wijze blijkt uit hun goed ontwikkeld gehoororgaan en uit de muziekuitvoeringen, die zij ’s avonds geven. Al deze eigenaardigheden maken de Vorschen voor ons veel aantrekkelijker dan de andere Amphibiën.

Hoewel hunne stemmen minder verscheidenheid aanbieden, minder omvangrijk, klankvol en zoetvloeiend zijn dan vogelengezang, staan zij niet al te ver achter bij die van de meeste Zoogdieren. Zij brengen allerlei geluiden voort, afwisselend van een ver hoorbaar gebrul, tot een fijn gesjirp, van heldere fluittoonen tot een dof gejammer. Heesch krascht de eene, volle, afgeronde tonen hoort men van de andere; sommige sjirpen als Sprinkhanen, andere loeien als Runderen; het op klokslagen gelijkende geluid van de Pad, bestaat uit afgebroken tonen, door rustpauzen gescheiden; de Groene Kikvorsch daarentegen draagt een uit vele coupletten samengesteld lied voor. Zoowel in de oerwouden van Zuid-Amerika als in de keerkringslanden van Azië en Afrika, in Australië niet minder dan in Europa, trekken de stemmen van de Vorschen sterk onze aandacht en wekken onze belangstelling.

Onze welwillendheid verdienen de Vorschen niet slechts door hun onschuldige vroolijkheid, maar ook doordat zij, wel verre van schadelijk te zijn, nuttige werkzaamheden verrichten, welker beteekenis stellig nog niet genoeg gewaardeerd wordt.

De Vorschen worden thans in twee onderorden gesplitst; de Tongvorschen (Phaneroglossa) en de Tongloozen (Aglossa). Verreweg de meeste Vorschen behooren tot de eerstgenoemde afdeeling, die zich kenmerkt door de goed ontwikkelde tong en het gescheiden blijven der Eustachiaansche buizen (de verbinding tusschen de trommelholte en de mondholte), die dus met twee openingen aan het gehemelte eindigen.

Men kan in deze onderorde zeer duidelijk twee groepen onderscheiden: bij de Stijfborstigen (Firmisternia), zooals de Kikvorsch, zijn de beenderen van den schoudergordel onbeweeglijk met het borstbeen verbonden; bij de Vrijborstigen (Arcifera) zooals de Pad, laten zij een zijdelingsche verschuiving toe. De groep der Stijfborstigen omvat 6 familiën; slechts één van deze—de Echte Kikvorschen (Ranidae)—is in Europa en Nederland vertegenwoordigd; zij omvat 22 geslachten; alle Europeesche soorten behooren tot het geslacht Kikvorsch (Rana).

De Echte Kikvorschen hebben alleen in de bovenkaak tanden. De pupil is bij sommige geslachten een verticale, bij andere een horizontale spleet; de teenen eindigen bij sommige spits, bij andere in hechtschijfjes; soms zijn alle voeten met zwemvliezen voorzien, soms ontbreken zij aan de voorpooten, soms aan alle ledematen.

De meeste leden van deze familie ondergaan de hierboven beschreven gedaantewisseling in het water; bij sommige heeft echter een deel van den ontwikkelingsgang binnen het ei plaats, dat in dit geval aanmerkelijk grooter is.

De Echte Kikvorschen bewonen in grooten getale de wateren van gematigde en warme gewesten; zij komen voor in alle werelddeelen met uitzondering van Australië. Nagenoeg overal hoort men hun nachtelijk lied, want, evenals de Waterkikvorsch in ons vaderland, vestigen ook zijne verwanten zich in lage zoowel als in hooge oorden, in stroomend zoowel als in stilstaand water, indien dit niet te veel zout bevat, ook op den vasten bodem, daar verscheidene soorten zich, evenals de Boomkikvorschen, slechts gedurende den paartijd in ’t water ophouden en later vochtige weiden, velden en wouden tot woonplaats kiezen.

Overal hebben de in ’t water wonende Kikvorschen nagenoeg dezelfde levenswijze: een bedrijvig en vroolijk lente- en zomerleven met druk geschreeuw en veel genoegen wordt gevolgd door een minder aangename nabetrachting in den herfst, die als inleiding dient tot den maanden langen slaap van den winter of van het droge seizoen. Diep verborgen onder het slijk van de verstijvende of uitdrogende plassen wachten de slapers den warmen lenteadem af, die de ijskorst doet smelten of de eerste regenbuien, die de geblakerde en met spleten doorploegde slijklaag verweekt en aaneenvoegt. Hier door warmte, ginds door vocht wordt de natuur tot nieuw leven opgewekt; want gelijk bij ons de lente aan de aarde haar prachtigste tooi verschaft, brengt het begin van den regentijd in de keerkringsgewesten de schoonheden der natuur in hoogere mate tot ontwikkeling. Waar onder een hemel, die zijne gaven mild verspreidt, het klimaat in den loop van het jaar nagenoeg geen verandering ondergaat, laten de wakkere waterzangers bijna onverpoosd hun stem weerklinken. In het waterrijke Zuid-Amerika verneemt men iederen avond en stellig na iedere regenbui het koor der Kikvorschen; in de vochtige vlakten van Indië en West-Afrika ziet of hoort men deze dieren het geheele jaar door.

Hier te lande kunnen de Kikvorschen hoogstens lastig worden door de volharding, waarmede zij ons trachten te overtuigen van hunne muzikale talenten; in andere werelddeelen geven sommige werkelijk aanstoot door hun zeer luid gekwaak. De bij ons levende soorten worden met het volste recht onder de nuttige dieren gerekend en richten slechts bij uitzondering een onbeduidende schade aan; de reusachtige leden van hun familie, die in Amerika en Indië leven, vergrijpen zich daarentegen niet al te zelden aan het eigendom van den mensch en maken zelfs jonge Eenden en Ganzen tot slachtoffers van hunne rooverijen. Toch is men hun eigenlijk nergens vijandig gezind; geen enkel volk beschouwt hen met den afkeer, waaronder de zoo nauw met hen verwante Padden te lijden hebben. De meeste menschen scheppen behagen in het voorkomen en de werkzaamheid der Kikvorschen en zijn hun genegen; vele soorten heeft men tot den rang van wild verheven en beloonen door hun smakelijk vleesch de moeiten van de jacht.

De Echte Kikvorschen zijn niet tevreden met de kleine hoeveelheden vocht, die door de leden van sommige andere familiën voor de ontwikkeling hunner jongen voldoende worden geacht, maar kiezen voor dit doel steeds een water van eenige beteekenis. Ook in deze familie treft men soorten aan, die voor de veiligheid van hun kroost zorgen, door de eieren vastgehecht aan de oppervlakte van het lichaam gedurende eenige weken mede te voeren. De meeste evenwel leggen hunne eieren eenvoudig in het water en bekommeren zich er niet verder om. Bij koud weer of op hoog gelegen plaatsen heeft de gedaantewisseling veel langzamer plaats dan gewoonlijk en wordt hiervoor soms een tweemaal zoo lange tijd vereischt. Hetzelfde verschijnsel wordt opgemerkt bij larven, die in een kleinen waterbak geplaatst zijn en niet genoeg voedsel krijgen.

Reeds lang hebben de inheemsche leden der Kikkerfamilie voor wetenschappelijke proeven gediend; in den regel stond hun vangst dan met een doodvonnis gelijk. Een beter lot valt hun ten deel, als zij gevangen worden ten behoeve van de liefhebbers van dieren, die sedert eenigen tijd begonnen zijn ook Kikvorschen in de kooi te houden; voor tropische vormen worden woningen ingericht, die alle mogelijke gemakken aanbieden; door goede behandeling geraken zij na korten tijd even goed aan hun verzorger gewoon als de bekende weerprofeet, de Boomkikker.

„Brèkèkè!—brèkèkè brèkèkè!—koax toeoe!—brèkèkè brèkèkè!—brèkèkè koearr brèkèkè toeoe!—brèkèkè brèkèkè brèkèkè—brèkèkè brèkèkè brèkèkè brèkèkè!—koax koax! toeoe toeoe! brèkèkè toeoe!—brèkèkè brèkèkè!

„Wanneer de maan haar’ stralen schiet

Klinkt uit den plas het kikkerlied,”

dat, naar het mij voorkomt, evenzeer bij den lentenacht behoort als het lied van den Nachtegaal, al beweert Oken, dat men zich voorstellen kan bij een gekkenhuis te staan, als men in de nabijheid van een kikkersloot komt. Een onverholen vroolijkheid spreekt uit deze eenvoudige klanken; hoe rauw zij ieder voor zich ook schijnen te zijn, is er duidelijk overeenstemming in op te merken. „Brèkèkè” roept de voorzanger van het geheele gezelschap en alle overige luisteren zwijgend, om in het volgende oogenblik met dezelfde strophe of met het doffe „koearr” in te vallen en op de van ouds bekende wijze voort te kwaken. Zoodra de koele schemering aanvangt, wordt het gekwaak algemeen; met meer volharding dan eenig ander nachtelijk lied wordt het voortgezet; eerst tegen den morgen vermindert het rumoer in de plassen, hoewel af en toe een enkele zanger, als ’t ware onder den indruk van de zalige herinnering aan de wijze waarop hij zich van zijn taak gekweten heeft, niet nalaten kan een half ingehouden „koearr” te laten hooren.

Onze Groene Kikvorsch of Waterkikker, ook wel Kwaker, in Zeeland Puje, in Friesland Froask genoemd (Rana esculenta), is een van de waardigste vertegenwoordigers van zijn geslacht, dat in 140 soorten over de geheele wereld verbreid is. Deze hebben alle een dwarsgerichte pupil van eivormige gedaante, een slechts van voren vastgehechte, overigens vrije, van achteren in twee slippen eindigende tong; de tanden van de ploegschaarbeenderen vormen aan het gehemelte twee symmetrische groepen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies is meestal duidelijk zichtbaar; de vingers van de voorvoeten zijn niet met zwemvliezen voorzien; de duim kan niet tegenover de andere vingers gesteld worden; de teenen van de achtervoeten hebben volkomen zwemvliezen; duidelijke opzwellingen komen aan de gewrichten voor; het mannetje heeft meestal twee keelzakken, die opgeblazen worden om het geluid te versterken.

De Groene Kikvorsch bereikt (zonder de 10 à 11 cM. lange achterpooten) een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig; de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter, soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid—de Meerkikker (Rana esculenta, var. ridibunda)—heeft een lichaamslengte van 10 à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd.

De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt, is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over ’t geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt, vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten (bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten, die, althans gedurende het grootste deel van ’t jaar, water bevatten, zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op, niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte, waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven, of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant, een drijvend stuk hout, een boven ’t water uitstekenden steen, een rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen, soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in ’t eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder, waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte, steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze; alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag; dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk.

Groene Kikvorsch (Rana esculenta). ⅚ v. d. ware grootte.
Groene Kikvorsch (Rana esculenta). ⅚ v. d. ware grootte.

Groene Kikvorsch (Rana esculenta). ⅚ v. d. ware grootte.

De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen, hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken, nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier, zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap bedraagt de Groene Kikvorsch zich in ’t eerst zeer onbehoorlijk, knort, mort en springt in ’t rond, alsof hij zinneloos is. Vooral wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen, toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of andere surrogaat als voedsel te gebruiken.

Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als ’t ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel, worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als de weersgesteldheid in den tijd van ’t leggen der eieren gunstig is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem, aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel, zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het 5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt; ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen.

De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen, maar komen om ’t leven door de tanden, de klauwen of den snavel van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen de bewijzen, daar zij in ’t noorden in dergelijke omstandigheden zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter, de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij ’t slatten der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen.

De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria, R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren, overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd.

Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland, Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250 M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve ’s winters, de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in ’t water; in de hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft; daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen, is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water; daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote, dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit, als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk, hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen.

Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten afstand van ’t water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,—verschuilt zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is, werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit, dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen.

In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed voortgebracht wordt als door de mannetjes.

Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land, staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren; hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen en om ’t leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven, vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental voorafgaande jaren.

Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede, lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde, overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM.

De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa; de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk (Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen, hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker.

De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana, R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten, die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend; de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand.

Veldkikker (Rana arvalis). Ware grootte.
Veldkikker (Rana arvalis). Ware grootte.

Veldkikker (Rana arvalis). Ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten, dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente- en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden „more rum” (meer rum) of „brwoem.” Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug.

De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is, maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen, die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300 gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard.

Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch.

In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd.

„Een van de zonderlingste en merkwaardigste Amphibiën,” zegt Wallace, „die ik op Borneo aantrof, was een groote, in boomen levende Kikvorsch. De Chineesche werkman, die dit dier bracht, verzekerde mij, dat hij het in schuinsche richting van een hoogen boom had zien afdalen, alsof het vloog. Bij nader onderzoek zag ik zeer lange teenen, tot aan de spits saam verbonden door vliezen, welke in uitgespreiden toestand een veel grootere oppervlakte hebben dan het lichaam. De vingers van de voorpooten zijn eveneens door vliezen vereenigd; de romp kan sterk opgeblazen worden. De rug en ledematen hebben een iriseerende, donkergroene kleur, de pooten donkere dwarsstrepen, de onderdeelen en buigzijde der teenen zijn geel, de vliezen zwart met gele strepen. De lengte van het lichaam was omstreeks 10 cM., de oppervlakte van de volkomen uitgespreide vliezen van iederen achterpoot ongeveer 28 en die van de vliezen van alle pooten te zamen genomen ongeveer 84 cM2. De uiteinden van de teenen zijn verbreed en met hechtschijven voorzien, zooals bij de Boomkikvorschen. Dit is het eerste, mij bekende voorbeeld van een Vliegenden Kikvorsch; het verdient in hooge mate ieders aandacht, omdat hieruit blijkt, dat de neiging der teenen om veranderingen te ondergaan, die bij andere soorten organen voor het zwemmen en klimmen heeft opgeleverd, aanleiding kan geven tot wijzigingen, die een Amphibie in staat stellen om zich als een Vliegende Eekhoorn of een Vliegende Hagedis door de lucht te bewegen”.

Javaansche Vliegende Kikvorsch (Rhacophorus Reinwardti). ⅔ v. d. ware grootte.
Javaansche Vliegende Kikvorsch (Rhacophorus Reinwardti). ⅔ v. d. ware grootte.

Javaansche Vliegende Kikvorsch (Rhacophorus Reinwardti). ⅔ v. d. ware grootte.

De door Wallace bedoelde soort is de Vliegende Kikvorsch van Borneo (Rhacophorus pardalis), evenals de hierboven afgebeelde, Javaansche soort, een vertegenwoordiger van het geslacht der Roeivorschen (Rhacophorus). Behalve in Zuid- en Oost-Azië werden ook op Madagaskar soorten van dit geslacht aangetroffen. Door hun inwendig samenstel komen deze Amphibiën volkomen overeen met de Waterkikkers, hoewel hun uiterlijk meer aan de Boomvorschen herinnert en zij, evenals deze, op boomen en struiken leven.

De Vrijborstigen (Arcifera) zijn veel talrijker dan de Stijfborstigen; de samenstelling van den schoudergordel en van het borstbeen laat bij hen een verschuiving der beenderen in het midden van de borst toe. Sommige leden van deze groep hebben spits eindigende teenen, die hetzij door zwemvliezen aaneenverbonden, of hiervan verstoken zijn; gene leven meer in het water, deze meer op het land; voorts vindt men er echte gravende dieren bij en eindelijk ook Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan de toppen van de vingers en teenen uitmuntend geschikt zijn voor het klimmen.

De eerste familie, die der Cystignathen (Cystignathidae), komt, behalve door den bouw van den schoudergordel en van de vingers en teenen, geheel met de familie der Watervorschen overeen, die zij in een groot deel van Zuid-Amerika en in geheel Australië vervangt.

*

Een kleine, op boomen levende, West-Indische Kikvorsch, die slechts 4 cM. lang wordt, de Antillenvorsch (Hylodes martinicensis), trekt vooral door zijn zeer eigenaardige ontwikkelingsgeschiedenis onze aandacht. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Bladvorschen (Hylodes), dat zich kenmerkt door de T-vormige gedaante van het laatste lid der niet door zwemvliezen vereenigde vingers en teenen en door het gemis van oorklieren. Op grijsachtig witten grond vertoont de rugzijde een uit bruine vlekken samengestelde teekening. De op Martinique ontdekte soort werd ook op andere Antillen aangetroffen en is overal onder den naam Coqui bekend. Van haar levenswijze weet men niets. De door een schuimmassa omhulde eieren van dit diertje vindt men ten getale van 20 à 30 op landplanten. Elk ei is een doorzichtig blaasje van 4 à 5 mM. middellijn, aanvankelijk gevuld met een witachtigen of stroogelen dooier, waaruit zich het jong ontwikkelt, dat na 10 à 12 dagen zijn vliezig omhulsel verlaat en dan van mond tot aars gemeten 5 mM. lang is. Tot aan dien tijd was het door een waterheldere vloeistof omgeven. De gedaantewisseling is zeer vereenvoudigd: kieuwen worden in het geheel niet gevormd; alleen het staartje, dat op ’t oogenblik voor de geboorte nog 1.8 mM. lang is, maar reeds in den loop van den eersten dag verdwijnt, herinnert aan den larvetoestand der overige Kikvorschen. De voorste en de achterste ledematen komen, naar het schijnt, gelijktijdig voor den dag.

*

Van de overige Amerikaansche leden der familie zijn vooral de Gehoornde Kikvorschen (Ceratophrys) merkwaardig, zoowel door hun grootte en eigenaardigen vorm als door hun fraaie kleur en teekening. Hun buitengewoon groote, breede kop prijkt met twee op hoornen gelijkende uitwassen van de bovenste oogleden.

De tropische gewesten van Zuid-Amerika, van Panama tot aan de La-Plata-rivier, zijn het vaderland van deze dieren, die door hun gedrongen vorm op Padden gelijken. Op moerassige plaatsen in de Braziliaansche oerwouden, van Bahia tot Rio de Janeiro, leeft de Itannia (Ceratophrys cornuta), een van de prachtigste leden zijner orde en tevens de grootste van zijn geslacht; hij wordt 15 à 20 cM. lang. De bovendeelen zijn met breede, overlangsche strepen geteekend: bij het mannetje hoog geel, roodbruin en zwartbruin, bij het wijfje groen. Zijn bek is zoo groot, dat hij een jonge kip verzwelgen kan; Muizen, Kikvorschen, Slakken en andere kleine dieren maken zijn voedsel uit. Vooral ’s avonds hoort men zijn luide, krassende, eentonige stem.

Er is geen diergroep, welker leden van oudsher meer lijden onder den algemeenen afschuw der menschen, van hen een onmeedoogender en onrechtvaardiger behandeling ondervinden, dan de familie der Padden. Hoe gering de gemeenschap van denkbeelden ook is tusschen menschen, die op beschaving aanspraak maken en onbeschaafden, tusschen hen die verschillende deelen van de wereld bewonen of tot verschillende rassen en stammen behooren, door hun afkeer van de Padden, door de blinde woede waarmede zij deze niet slechts volstrekt onschadelijke, maar zelfs hoogst nuttige dieren vervolgen en dooden, komen zij onderling volkomen overeen. Geen van hen, die de bekende beschuldigingen tegen de Padden aan den man brengen, heeft zich ooit de moeite gegeven, de zaak, waarover hij bazelt, nader te onderzoeken, geen van hen heeft op de levenswijze van deze dieren gelet, in een goed boek hun levensgeschiedenis gelezen, of althans het gelezene begrepen. Op ieder, die dit wel gedaan heeft, rust de plicht juistere denkbeelden te verspreiden.

De Padden (Bufonidae) onderscheiden zich van de tot dusver beschrevene Vrijborstigen door het volslagen gemis van tanden; andere kenmerken zijn haar plompe, ineengedrongene gestalte, hare dikke, logge, nagenoeg gelijk lange pooten en haar huid, die rijk aan klieren en met wratten bedekt is.

De meeste Padden leven op het land, slechts weinige brengen het grootste deel van haar leven in ’t water door. Vele van die, welke het land bewonen, kunnen uitmuntend graven; de Mexicaansche Neuspad (Rhinophrynus dorsalis) kan zelfs doordringen in de woningen der Termieten, waarmede zij zich voedt; enkele houden zich, evenals de Boomkikvorschen, in de boomen op.

De Padden bewonen alle werelddeelen, de warme gewesten, zooals te begrijpen is, in grooteren getale dan de koudere, houden zich voor ’t meerendeel slechts gedurende den tijd van het eierenleggen in ’t water op en zijn volslagen nachtdieren, die over dag slechts bij uitzondering buiten hun schuilhoek rondzwerven. Door hare bewegingen staan zij achter bij de Vorschen en de Vorschpadden, daar zij meer strompelen dan springen; ook zwemmen zij slecht en schijnen daarom plomp en traag, hoewel zij, strikt genomen, dit niet zijn. Hun voedsel bestaat uit allerlei schadelijk gedierte, vooral uit Wormen, Slakken, Insecten en kleine Gewervelde Dieren; de laatstgenoemde worden trouwens alleen door de grootste soorten verslonden. Zij gebruiken een aanzienlijke hoeveelheid voedsel, de arbeid van deze geminachte dieren is derhalve voor ons zeer zegenrijk. Wat de voortplanting en de ontwikkeling der jongen betreft, komen de Padden in hoofdzaken overeen met hare verwanten van dezelfde orde; de meeste leggen hare eieren niet in den vorm van klompen, maar in dien van snoeren. Evenals de andere Amphibiën kunnen ook de Padden de vochtigheid niet zonder nadeel voor haar leven ontberen; zelfs bij zeer gebrekkige voeding kunnen zij echter in vochtige ruimten maanden en zelfs jaren lang in ’t leven blijven. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat men in holten, die schijnbaar geen gemeenschap hadden met de buitenwereld, levende Padden vond. Deze gevallen hebben aanleiding gegeven tot allerlei dwaze gevolgtrekkingen, maar ook tot proeven, waaruit gebleken is, dat de Padden volstrekt niet zulk een taai leven hebben, als men verhaalde, dat geen van deze dieren in staat is om jaren lang te leven in een ruimte zonder eenige gelegenheid tot luchtverversching, of 2 jaren achtereen voedsel te ontberen. Hierdoor wordt tevens bewezen, dat men bij de onverklaarbaar schijnende gevallen van Padden, die in holten van steenlagen werden aangetroffen, enz., de omstandigheden, waarin dit geschiedde, niet zorgvuldig genoeg heeft nagegaan. De verhalen betreffende Padden, die diep onder den grond in holen, aan alle zijden omgeven door vast gesteente, eeuwen lang geleefd zouden hebben, berusten zonder eenigen twijfel op onjuiste gegevens. In alle goed onderzochte gevallen was de mogelijkheid niet buitengesloten, dat met het noodige vocht een geringe hoeveelheid voedsel in het hol doordrong. In kunstmatig op deze wijze ingerichte holen hebben Padden meer dan een jaar kunnen leven zonder van gebrek om te komen.

De familie van de Padden omvat 8 geslachten met ongeveer 100 soorten; voor ons doel zal het voldoende zijn eenige van de belangrijkste soorten te beschrijven.

*

De Gewone Pad (Bufo vulgaris), ook wel Zwarte Pad of Muurpad genoemd, vertegenwoordigt het geslacht der Landpadden (Bufo), dat in ongeveer 85 soorten over alle werelddeelen (met uitzondering van Madagaskar, Nieuw-Guinea, Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee) verspreid is. De Landpadden hebben volkomen gescheiden vingers; hare teenen zijn echter door meer of minder breede zwemvliezen vereenigd.

Illustration from Het Leven der Dieren. Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën

1) Gewone Pad (Bufo vulgaris). ½ v. d. ware grootte.

2) Groene Pad (Bufo viridis). ⅔ v. d. ware grootte.

3) Stinkende Pad (Bufo calamita). Ware grootte.

De genoemde soort bereikt een aanzienlijke grootte; zij wordt bij ons 6 à 7 cM. breed, bij een lengte van 8 à 12 cM.; in zuidelijker landen kan zij 12 à 20 cM. lang worden. Zij ziet er nog plomper uit dan hare verwanten. Haar geheele lichaam is met dikke wratten bedekt, die achter het oor een groote, halvemaanvormige klier vrij laten. De doffe, grijsbruine of zwartachtig grijze kleur der bovendeelen vertoont soms een olijfgroene, soms een roodachtige tint en is met donkere, onduidelijke vlekken geteekend; op de onderdeelen gaat zij in lichtgrijs over; hierop komen niet zelden donkere vlekken voor; deze zijn bij het wijfje vaker aanwezig en talrijker dan bij het mannetje. Het regenboogsvlies is glanzig geel.

Met uitzondering van de noordelijkste landen en van Ierland alsook van Sardinië en Corsica, ontbreekt de Pad in geen enkel deel van Europa; bovendien bewoont zij Noord-west-Afrika, Klein-Azië, Middel-Azië en Japan. In de Alpen vindt men haar nog op hoogten van 1700 M. Hare woonplaatsen zijn zoo velerlei, dat men haar bij ons en in vele andere landen een algemeen verbreid dier mag noemen. Zij komt voor in allerlei bosschen en boschjes, op velden en weiden en in tuinen, in kelders, holen, grotten, bouwvallen en steenhoopen, onder gevelde boomstammen, afzonderlijk liggende platte steenen, kortom overal waar een schuilplaats voor haar te vinden, of waar zij er een voor zich geschikt kan maken. In oorden, waar geen woning beschikbaar is, graaft zij gaten in den lossen grond en gebruikt deze even geregeld, als een Vos zijn hol bezoekt. Zooveel mogelijk kiest zij vochtige, lommerrijke plaatsen ter bewoning uit; daarom gaat zij zeer dikwijls liggen onder planten, welker breede bladen den bodem niet slechts overschaduwen, maar werkelijk bedekken. Naar men zegt, wordt bij haar een bijzondere voorliefde opgemerkt voor sterk riekende kruiden, zooals b.v. salie en dolle kervel.

Zij is een echt nachtdier, dat over dag steeds verscholen blijft, tenzij een warme regen den grond bevochtigde en de haar onaangename zonnestralen nog door de wolken worden tegengehouden. In dit geval maakt zij een uitzondering op den gewonen regel, door haar jachtbedrijf, dat gewoonlijk eerst na zonsondergang aanvangt, ook over dag uit te oefenen. Onbeholpen in hare bewegingen, nagenoeg ongeschikt tot het doen van sprongen van eenige beteekenis, plomp en log als zij is, houdt zij niet van groote zwerftochten, des te zorgvuldiger doorzoekt zij het kleine gebied, dat haar tot woonplaats dient; juist hierdoor en omdat voor het bevredigen van haar vraatzucht een groote hoeveelheid voedsel noodig is, wordt zij een ware zegen voor het oord, waar zij haar bedrijf uitoefent. Een gevolg van haar onbeholpenheid is, dat zij dikwijls in kelders, putten, mijngangen en grotten valt en hieruit niet kan wegkomen; zij moet zich dan behelpen met de weinige dieren, die, evenals zij, toevallig naar beneden tuimelen. Toch weet zij ook hier (en dikwijls merkwaardig lang) niet slechts haar leven te rekken, maar zich zelfs vet te mesten. Haar buit bestaat uit Wormpjes, Wespen, Bijen, Spinnen, Kevers, kortom uit allerlei Insecten, met uitzondering van Vlinders; deze neemt zij niet graag, omdat de fijne vleugelschubjes, aan de slijmerige tong vastklevend, het slikken bemoeielijken. In weerwil van haar vraatzucht, die men een aanhoudenden geeuwhonger zou kunnen noemen, versmaadt zij standvastig doode dieren.

Men kan gemakkelijk waarnemen, op welke wijze de Pad haar prooi vangt, daar zij ook over dag geen enkele gelegenheid om een buit te verkrijgen laat voorbijgaan, maar begeerig hapt naar al wat binnen haar bereik komt en de Insecten, die haar lekker voorkomen, zelfs over een kleinen afstand vervolgt. Hare ver uitpuilende en zeer beweeglijke oogen merken overal, waar het haar verblindende, felle zonlicht door planten getemperd wordt, ieder diertje op, van waar het ook komt. Met bewonderenswaardige vlugheid en lenigheid wordt de tong op het door haar begeerde dier geworpen, zoodat dit zelden kan ontsnappen. Aan ieder, die voor de schuilplaats van een Pad, zonder haar lastig te vallen, een Worm, een rups of onverschillig welk Insect houdt of neerwerpt, zal zij zich in haar volle kracht vertoonen. Oogenblikkelijk beginnen hare oogen te fonkelen, zij ontwaakt uit haar schijnbaar slaapdronken toestand en spoedt zich naar haar buit met een haast, die volkomen strijdig is met haar gewonen aard. Als zij haar doel tot op den juisten afstand genaderd is, blijft zij staan, houdt, als een Patrijshond voor het wild, haar buit goed in ’t oog, steekt de tong schielijk uit en werpt hiermede het slachtoffer in haar wijd geopenden muil; in een ondeelbaar oogenblik is het doorgeslikt en in de maag geborgen. Als zij, zooals nog al eens voorkomt, haar buit mist of dezen door den schok van de tong eenvoudig bedwelmd wordt, maar er niet aan vastkleeft, ziet zij gewoonlijk van vervolging af; zoodra het Insect zich weer begint te bewegen, hervat zij haar jacht onmiddellijk, in de hoop dat de zooeven mislukte poging nu een goede uitkomst zal hebben.

De Pad verslindt een ongeloofelijke hoeveelheid van allerlei ongedierte. Behalve Insecten en Wormen, eet zij, naar het schijnt met smaak, Naakte Slakken; volgens sommigen komen ook kleine Amphibiën nu en dan op haar spijskaart voor, ofschoon zij overigens met hare verwanten in vrede leeft en zich door geenerlei prikkels tot een strijd met hare soortgenooten laat verleiden. Deze goedaardigheid, die men misschien met meer recht armoede van geest zou kunnen noemen, hebben vele, maar toch niet alle Padden met elkander gemeen: de maag beheerscht hare bewegingen. Zij trachten een dier, dat in haar nabijheid komt, te verslinden, voor zoover dit mogelijk is, maar laten het ongemoeid, als het stil blijft zitten, waarschijnlijk omdat zij het in dit geval nauwelijks opmerken. Men moet dit echter niet opvatten als een bewijs van volslagen gemis aan werkzaamheid van den geest. Zij beseffen wel degelijk het onderscheid tusschen de verschillende wezens, waarmede zij te maken hebben en wijzigen hare gewoonten in overeenstemming met de omstandigheden. Eerder nog dan de overige Amphibiën vluchten zij voor ieder groot dier; bewust van haar zwakheid wagen zij het niet een sterken vijand te weerstaan. Ook zij toonen erkentelijkheid voor bewezen weldaden en leggen in het verkeer met iemand, die haar vriendelijk behandelt, langzamerhand haar gewone schuwheid bijna volkomen af.

In een hokje wordt de Pad nog eerder en volkomener tam, dan wanneer men haar een tuin tot woonplaats aanwijst. Veel moeite kost haar onderhoud niet, daar zij geen van de dieren, die men haar toewerpt, versmaadt, indien zij zich slechts bewegen; bovendien kan zij zonder eenig bezwaar honger verduren. Met soortgenooten van gelijke grootte of met verwante Amphibiën kan zij uitmuntend overweg.

In tegenstelling met vele andere Vorschen, slaapt de Pad ’s winters in droge, ver van ’t water verwijderde gaten van den grond. Tegen het einde van September of in het begin van October kruipt zij weg in een hol, dat reeds aanwezig is of door haar gegraven wordt. Dikwijls vindt men verscheidene Padden in één hol; dit wordt om de koude af te weren door een aarden dam afgesloten, waarna de bewoners stil blijven liggen en tot Maart of April in een toestand van verstijving verkeeren. Onmiddellijk na het verlaten van haar winterherberg begeeft de Pad zich naar het een of ander in de nabijheid gelegen water; zelfs de kleinste plas acht zij voldoende. Hier legt zij zwemmend gedurende de paring verscheidene duizenden eieren, die tot een snoer van 3 à 5 M. lengte en ter dikte van een potlood vereenigd zijn. De eiersnoeren worden door de ouders om waterplanten en dergelijke voorwerpen gewikkeld en op deze wijze in de diepte vastgehouden. Bij warm weer verlaten de larven de eischaal 12 à 14, bij koel weer 17 of 18 dagen na het leggen der eieren en 2 dagen later ook de slijmmassa, die de eieren omhult. De gedaantewisseling komt met die van den Kikvorsch overeen. In het einde van Juni hebben alle 4 pooten zich ontwikkeld en verlaten de jonge Padden, die in verhouding tot andere larven van Vorschen opmerkelijk klein zijn, het water, hoewel haar staart dan nog niet geheel verdwenen is. Zij groeien zeer langzaam, maar zijn toch reeds in het 5e levensjaar voor de voortplanting geschikt. Zij kunnen een hoogen leeftijd bereiken. Pennant maakt melding van een Pad, die 36 jaar in gevangenschap doorbracht en misschien nog veel ouder geworden zou zijn, indien niet een ongelukkig toeval een einde aan haar leven had gemaakt. De lange levensduur draagt aanmerkelijk bij tot het in stand houden van deze diersoort. Wel heeft zij betrekkelijk weinige vijanden, daar de roofdieren, met uitzondering van de Slangen, door het afscheidingsproduct van hare huidklieren afgeschrikt worden; zij vermenigvuldigt zich evenwel betrekkelijk langzaam, daar bij het uitdrogen van de onbeduidende plassen, waarin hare eieren zich ontwikkelen, dikwijls duizenden van larven omkomen. Bovendien heeft zij een zeer gevaarlijken vijand in den door dwaalbegrippen bevangen moordlustigen mensen, die de volwassene Padden, dus juist die, welke voor de voortplanting geschikt zijn, op onverantwoordelijke wijze vervolgt en hierdoor indirect een belangrijk nadeel toebrengt aan zijne eigene bezittingen.

Met zorg verrichte proeven hebben geleerd, dat de Pad geen gif uitspuit, dat het sap van hare huidklieren, wanneer het met slijmvliezen in aanraking komt, wel eenige ontsteking veroorzaakt, maar voor den mensch geen gevaar oplevert, kortom, dat zij op geenerlei wijze in staat is ons eenig nadeel te doen. Ieder die uit blind vooroordeel of uit onvergeeflijke baldadigheid een zoo nuttig dier doodslaat, geeft zich daardoor een onbetwistbaar getuigschrift van beklagenswaardige onwetendheid en onbeschaafdheid. Sommige Engelsche en Fransche tuinlieden hebben sinds lang erkend, dat deze vlijtige, onvermoeid werkzame dieren hun een groot voordeel brengen door het wegvangen van allerlei ongedierte, dat aan de planten schade doet; zij koopen tegenwoordig de Padden bij dozijnen en bij honderden ten behoeve van hunne tuinen. In broeibakken en plantenkassen vergeten zij hun winterslaap en zijn niet alleen ’s zomers, maar ook ’s winters voortdurend werkzaam.

De Groene Pad (Bufo viridis, B. variabilis), die dikwijls met de vorige soort verward wordt, komt in Nederland niet voor, hoewel zij in Duitschland en Oostenrijk niet zeldzaam is. Zij wordt 7 à 8, zelden 8 à 10 cM. lang en ziet er bevalliger uit dan hare verwanten. De bovendeelen hebben op groenachtig grijzen grond groote, onregelmatige vlekken, welker kleur van olijfgroen tot zwartgroen afwisselt, voorts kleinere, rozeroode of menieroode wratjes; de onderdeelen zijn witachtig en slechts zelden met een gering aantal zwartachtige vlekken of stippels geteekend. Bovendien is de Groene Pad kenbaar aan hare betrekkelijk lange pooten en niervormige oorklieren. Haar verbreidingsgebied omvat Middel- en Oost-Europa, het noorden van Afrika, van Egypte tot Marokko, geheel West- en Middel-Azië tot Mongolië en het Himalaja-gebergte. Over dag houden de Groene Padden zich verborgen op soortgelijke plaatsen als de Gewone en bewonen niet zelden gezellig een voor haar geschikt hol; des nachts doorzoeken zij jagend een tamelijk uitgestrekt gebied. Zij kunnen betrekkelijk groote sprongen doen, vrij goed zwemmen en ook klimmen. Haar stem is, wegens de goed ontwikkelde keelblaas van het mannetje, krachtiger dan die van de Gewone Pad, gelijkt ongeveer op het kraken van een deur en wordt ook wel eens brommen genoemd.

De Kleine Pad (Bufo calamita) kan 8 cM. lang worden; bij ons vindt men echter zelden exemplaren van meer dan 5 cM. lengte. Zij heet ook wel Stinkende Pad wegens de onaangename lucht, die zij verbreidt, wanneer men haar verontrust. Ook wordt zij wel eens „Groene Pad” genoemd, daar hare bovendeelen olijfgroen of olijfbruin zijn, met uitzondering van een zwavelgele, overlangsche streep op het midden van den rug, die tevens vrij is van wratten; de onderdeelen zijn witachtig grijs van kleur, op de schenkels en langs de zijden van den buik donkerder gevlekt; de huid is bezaaid met bruinroode wratjes; de oogen zijn geelachtig en zwart gesprenkeld, de teentoppen min of meer roodachtig. Van de beide vorige soorten onderscheidt zij zich duidelijk door de geringe ontwikkeling van hare zwemvliezen. Zij schijnt van de zeelucht te houden en behoort in West-Europa thuis. Het verbreidingsgebied van dit nuttige dier is beperkt tot Portugal, Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, België, Nederland, Duitschland, Denemarken en het zuiden van Zweden.

In Nederland vindt men de Kleine Pad in zandstreken, zoowel op diluvialen bodem als in de duinen, vooral op de Noordzee-eilanden, waar zij zich over dag in konijnenholen verschuilt. In Duitschland komt zij eveneens op de eilanden veelvuldig voor, voorts in een breede kuststrook langs de Noord- en Oostzee; ook bewoont zij het geheele westen van Duitschland en vele oorden in het binnenland. Naar het zuiden schijnt de Donau, naar het zuidoosten het Ertsgebergte en het Bohemerwoud haar gebied te begrenzen. Men ontmoet haar nog op 1000, zeer zelden op 1200 M. hoogte.

Boven de reeds genoemde soorten munt de Kleine Pad uit door haar bekwaamheid in het graven. Hare bewegingen zijn niet zoo lomp en log als die van de Gewone Pad; toch mist ook zij, wegens de kortheid van de achterpooten, de geschiktheid tot springen geheel. Zij kruipt niet als haar grauwe nicht, maar loopt met boven den grond opgeheven onderdeelen bijna zoo snel als een Muis; hieraan kan zij zelfs in de schemering van de als een Kikvorsch springende Groene Pad onderscheiden worden. Hoewel zij nagenoeg geen zwemvliezen heeft, weet zij zich in ’t water zeer goed te redden: zij zwemt vlug en behendig, min of meer op de wijze van een Hond, met denzelfden stand van de pooten als bij het gaan. Beter dan de reeds genoemde Padden is zij in ’t klimmen ervaren.

Over dag houdt zij zich verborgen in gaten van den grond, onder steenen, in bouwvallige muren en dergelijke duistere hoeken; hier hoort men des avonds nu en dan haar scherp, ratelend stemgeluid. Vaker laat zij zich hooren gedurende den voortplantingstijd. In het begin van Mei legt zij eieren in sloten of andere stilstaande wateren, bij voorkeur in zulke, die met planten bedekt, bij den oever ondiep en hier met riet begroeid zijn, soms echter ook wel in leemgroeven zonder eenigen plantengroei. Het naderen van een mensch, hoe voorzichtig ook, hoort zij reeds op eenigen afstand en staakt dan onmiddellijk haar lied. De zeer kleine larven hebben een tamelijk breeden, van boven eenigszins afgeplatten romp en een zwartachtige, met kleine, metaalglanzige, bronskleurige stippeltjes bezaaide huid.

Daar de Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan den top der vingers en teenen voor het leven op boomen geschikt zijn, groote verschillen in lichaamsbouw vertoonen, zooals ons reeds bij den Vliegenden Kikvorsch en den Antillenvorsch gebleken is, mag men aan deze eigenaardigheid bij de rangschikking geen overwegenden invloed toekennen. Toch worden een groot aantal van deze voor ’t klimmen geschikte Vorschen onder den naam van Echte Boomvorschen (Hylidae) in één familie samengevat. Zij kenmerken zich, behalve door de verschuifbaarheid van de beenderen van den schoudergordel, door de aanwezigheid van tanden in de bovenkaak en doordat iedere vinger en teen een klauwvormig gekromd, bij het gewricht verbreed eindlid heeft tot steun voor het meer of minder sterk ontwikkelde, klierachtige hechtschijfje. De werking van dit met een dunne vloeistoflaag bedekt orgaan berust geheel op adhaesie; de luchtdrukking heeft er niets mede te maken. De geheele buikzijde is als bezaaid met fijne klierachtige wratjes, aan den top voorzien van een afvoeropening voor het kliersap. Hierdoor is ook deze huid voor de aanhechting van ’t lichaam aan bladen en dergelijke voorwerpen geschikt.

De familie der echte Boomvorschen, die 10 geslachten met ongeveer 200 soorten omvat, is vooral in Zuid-Amerika buitengewoon sterk vertegenwoordigd; talrijk zijn deze dieren ook op Nieuw-Holland en Tasmanië (slechts enkele soorten worden in andere deelen van het Australische gebied, o. a. op Nieuw-Guinea en de Molukken, gevonden); in Afrika en Zuid-Azië ontbreken zij niet, hoewel zij hier een minder belangrijke rol spelen, dan men zou kunnen verwachten; enkele soorten bewonen het Noord-Amerikaansche Rijk; nog geringer is haar aantal in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld. Slechts één enkele, ook bij ons inheemsche soort vertegenwoordigt deze groep in Europa.

„In Brazilië,” zegt de Prins Von Wied, „bewonen zij in zeer grooten getale het struikgewas in de nabijheid van de woningen, van de rivieroevers en van de zeekust; veel overvloediger komen zij echter in de oerwouden voor. Zeer verschillend zijn zij, wat grootte, kleur, lichaamsbouw en stem betreft; het koor gevormd door de oneindige verscheidenheid van geluiden, die zij vooral in de vochtig warme nachten van het regenseizoen laten hooren, brengt te midden van de duisternis een hoogst zonderlingen indruk teweeg. De meeste wonen boven in de kroon der hooge woudboomen, waar zij zich vooral vestigen tusschen de stijve bladen der daar groeiende bromelia’s. Vele kleine soorten leggen hare eieren in het zwarte, drabbige water, dat zich in de oksels dezer bladen verzamelt; andere dalen in den paartijd van hare hoog verhevene standplaatsen af en begeven zich naar moerassen, plassen en poelen, bij voorkeur naar die, welke diep verborgen zijn in de moeielijk toegankelijke wildernissen der oerwouden. Hier ontstaat het door aller samenwerking gevormde koorzang; hier kan de natuuronderzoeker het best kennis maken met vele soorten, die in andere tijden moeielijk of niet verkrijgbaar zijn.”

In den paartijd begeven de meeste Boomvorschen zich naar het water; de winter noodzaakt hen zich te verbergen in het slijk, onder boomschors of steenen of op andere plaatsen, waar zij tegen de koude of tegen de droge hitte beveiligd zijn; het grootste deel van hun leven slijten zij echter hoog boven den grond in de boomkronen, waar zij op hiervoor geschikte bladen rusten en naar buit uitzien. Hoewel men bij hen een groote verscheidenheid van kleuren opmerkt, harmonieert hun uiterlijk steeds met hun omgeving; de volkomen overeenstemming der kleuren bestaat niet slechts tijdelijk, maar blijft behouden ondanks de wisselingen van de tinten der bladen in den loop van het jaar. Het vermogen om van kleur te veranderen komt waarschijnlijk bij alle Boomvorschen voor; zij wijzigen hun kleur in veel hoogere mate en veel vlugger dan de Kameleons, die wegens deze eigenschap zoo beroemd zijn. Tennent zag zulk een dier, dat op het voetstuk van een lamp was gaan zitten, binnen weinige minuten de goudkleur aannemen van de versierselen, waardoor het omgeven was, zoodat het er bijna niet van onderscheiden kon worden. Een Boomvorsch, even groen als het blad waarop hij zit, kan kort daarna dezelfde kleur hebben als de schors. Ieder, die een door pracht en verscheidenheid van kleur uitmuntenden Boomvorsch heeft gezien, kan zich moeielijk voorstellen, dat de zoo sierlijk rood, geel en zilverwit gevlekte of gestippelde of op een andere wijze getooide huid voor dit dier een middel kan zijn om niet opgemerkt te worden, tenzij hij bovendien kennis heeft gemaakt met de groote verscheidenheid van kleursverschijnselen, die de plantenwereld der tropische wouden kenmerkt. Evengoed als onze Boomvorsch steeds bladen vindt, welker kleur met de zijne overeenstemt, zal zelfs de opzichtigste van zijne tusschen de keerkringen levende verwanten in het oerwoud plekjes vinden, waar zelfs een scherpziend oog moeite heeft om hem te onderscheiden van zijn omgeving, die een bonte mengeling van tinten vertoont, waarvan de zijne slechts een flauwe afspiegeling is. De kleur is werkelijk voor den Boomvorsch een uitmuntend voorbehoedmiddel tegen de hem bedreigende gevaren.

Onze bekendheid met de Boomvorschen is nog zeer onvolledig. Indien men alle soorten even zorgvuldig had nagegaan als de bij ons levende, zou een algemeen overzicht van deze diergroep zeer belangwekkend kunnen worden; want, hoewel het leven harer leden (werkelijk of schijnbaar) weinig verscheidenheid aanbiedt, komen toch bijna bij iedere soort eigenaardigheden voor, die niet slechts hun stem, maar ook hun wijze van voeding en voortplanting betreffen.

De Boomvorschen zijn de fraaist gekleurde, vlugste en bevalligste leden hunner klasse; door deze eigenschappen hebben zij de genegenheid van den mensch gewonnen; enkele soorten worden zelfs in de kooi gehouden.

*

Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der Boomvorschen i. e. z. (Hyla). Deze hebben een horizontaal gerichte, spleetvormige pupil, een met den bodem der mondholte vergroeide of van achteren voor een klein deel vrije tong, tanden aan de ploegschaar- en de bovenkaaksbeenderen. De achterpooten zijn aanmerkelijk langer dan de voorpooten en hebben zwemvliezen aan de teenen. Het verbreidingsgebied van dit geslacht komt nagenoeg overeen met dat van de familie.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger dezer groepen is de Gewone Boomvorsch of Boomkikker (Hyla arborea, H. viridis), waarvan verscheidene variëteiten bekend zijn, die wegens eigenaardigheden van levenswijze en stem bijna op den rang van soorten aanspraak kunnen maken. Zonder de achterpooten bereikt hij een lengte van 3.5 à 4 cM. De bovendeelen zijn fraai bladgroen, de onderdeelen geelachtig wit. Een zwarte, van boven witachtig gezoomde streep, die bij den neus begint en zich tot aan de achterpooten uitstrekt, scheidt de beide hoofdkleuren; de voor- en achterschenkels zijn van boven groen met gele omlijsting, van onderen lichtgeel. Het mannetje verschilt van het wijfje door de zwartachtige kleur van de huid van de keel, die tot een grooten, vliezigen bol kan worden opgeblazen. Kort voor de vervelling, die gewoonlijk om de 14 dagen plaats vindt, verandert de kleur in lichtgroen, grijsachtig blauw of blauwachtig groen; de nieuwe huid is bladgroen.

Met uitzondering van de hooge bergstreken, van het hooge noorden, van Noorwegen, Ierland en Groot-Brittannië komt de Boomkikker in geheel Europa voor. Bovendien is hij verbreid over het Aziatische deel van het Noordelijke Rijk der Oude Wereld. Ook vindt men hem langs de geheele zuidkust van de Middellandsche Zee tot op de Kanarische eilanden. In Nederland schijnt hij alleen in de graafschap Zutphen en in sommige deelen van Twente voor te komen. Daar hij een betrekkelijk lage temperatuur voor lief neemt, laat hij zich reeds in April hooren en blijft tot laat in den herfst buiten. Men krijgt de Boomvorschen echter niet vaak te zien; daar zij zich alleen gedurende den paartijd, tot groote troepen vereenigd, in het water ophouden en zich kort daarna in het riet en op de bladen van heesters en boomen begeven, waar zij meestal ongezien en eenzaam hun bedrijf uitoefenen. De Boomkikker is een van de aanvalligste ons bekende Amphibiën, vlugger en over dag wakkerder dan alle overige inheemsche leden zijner klasse, voor de beweging in het water, op den vlakken grond en te midden van de bladen der boomen zeer goed geschikt. Zijn bekwaamheid in ’t zwemmen is weinig geringer dan die van den Waterkikker, dien hij in het springen verreweg de baas is; het klimmen verstaat hij meesterlijk. Om zijn doel te bereiken springt hij van ’t eene blad op een ander, dat hooger gelegen is, begint zijn reis in ’t lage struikgewas, gaat vervolgens op hoogere heesters over en stijgt eindelijk tot in de kroon der boomen omhoog. Hoog boven den grond brengt hij genoeglijk den zomer door, zit bij mooi weer op de bovenvlakte, als het regent aan de onderzijde van een blad vastgehecht, althans indien het slechte weer niet te lang aanhoudt en hem zoo onaangenaam wordt, dat hij voor den regen naar het water vlucht of zich in gaten van den grond, spleten van muren, holle boomen enz. verbergt.

Hoe uitmuntend zijn kleur harmonieert met die van de bladen in zijn nabijheid, merkt ieder op, die hem in een lagen struik hoort schreeuwen en langen tijd tevergeefs moeite doet om hem te zien te krijgen. Met deze overeenstemming van kleuren is hij goed bekend en tracht er zoo goed mogelijk partij van te trekken. Wel wetend, dat een sprong hem zal verraden, vleit hij zich bij de nadering van een vijand of in ’t algemeen van een groot dier, dat hem vrees inboezemt, dicht tegen het blad aan en blijft hier, steeds de glinsterende oogjes op de tegenpartij gericht houdend, bewegingloos zitten, totdat het gevaar voorbij is. Slechts in den uitersten nood waagt hij een sprong en doet dezen dan zoo plotseling en zoo behendig, dat zijn veiligheid er meestal door verzekerd wordt.

Boomkikker (Hyla arborea). Ware grootte.
Boomkikker (Hyla arborea). Ware grootte.

Boomkikker (Hyla arborea). Ware grootte.

Het voedsel van den Boomkikker bestaat uit velerlei Insecten, vooral Vliegen, Spinnen, Kevers, Vlinders en onbehaarde Rupsen. Hij wil geen anderen buit dan levende dieren en vangt ze daarom alleen, als zij zich bewegen; als een dier dood is of stil blijft zitten, raakt hij het niet aan. Zijn scherp gezichtsvermogen en zijn goed ontwikkeld gehoor geven hem bericht van het naderen der gonzende Mug of Vlieg; hij beloert deze dieren scherp; zijn poging om ze door een plotselingen, grooten sprong te bereiken wordt in de meeste gevallen met een goeden uitslag bekroond; steeds is zijn sprong zoo gericht, dat hij op een ander blad aankomt. Gedurende den zomer heeft hij tamelijk veel voedsel noodig en ligt daarom den geheelen dag op de loer, hoewel ook zijn werktijd eerst na zonsondergang begint.

Algemeen wordt de Boomkikker voor een goeden weerprofeet gehouden; men meent, dat hij door zijn geschreeuw weersverandering aankondigt. Deze meening is, zoo al, dan toch niet zonder voorbehoud juist. Bijzonder ijverig laat de Boomkikker zijn luide stem gedurende den paartijd hooren; hij zwijgt echter ook des zomers niet en schreeuwt met opgeblazen keelzak bijna den halven nacht onafgebroken door, zoowel bij droog en standvastig weer als kort voor den aanvang van een regenbui. Alleen als er een onweer in aantocht is, maakt hij meer drukte dan gewoonlijk; gedurende den regen en bij nat weer hoort men hem in ’t geheel niet. Zijn geluid klinkt als dat van een schel, herinnert aan het zoogenaamde gezang der Cicaden en gelijkt op de snel opeenvolgende klanken „krek krek krek”. Een in zuidelijker streken levende variëteit schreeuwt nog veel luider, maar langzamer, heescher en met dieper toon „rab rab rab”; dit geluid is zoo sterk, dat men het huizen ver en door drie verdiepingen heen kan hooren.

Als de herfst ten einde loopt, verlaat hij de boomkronen, daalt naar den bodem af en kruipt weg onder een steen, in een gat van den grond of in een diepe spleet van een muur. Hier brengt hij slapend, in schijndooden toestand den winter door, zonder door de vorst bereikt te worden. Vroeger dan vele andere Vorschen komt hij in de lente weer te voorschijn en houdt zich nu in de eerste plaats met de voortplanting bezig. Zoo mogelijk worden hiervoor plassen uitgekozen, welker oevers met riet, struikgewas en boomen omzoomd zijn. Het slijm, dat het ei omhult, heeft zich ongeveer 12 uren na het leggen zoo vol water gezogen en is zoo sterk uitgezet, dat het ei zichtbaar wordt. Dit heeft een geelachtige witte kleur en is zoo groot als een mosterdzaadje. De eieren zijn vereenigd tot klompen van onregelmatigen vorm en blijven op den bodem van ’t water liggen, tot de larven er uit gekomen zijn. Evenals bij de overige Amphibiën, is hiervoor en voor de ontwikkeling der jongen slechts een korte tijd noodig.

De Boomvorsch stelt zulke geringe eischen, dat men hem jaren lang in de ellendigste kooi, in een gewoon bierglas, in ’t leven kan houden, wanneer men er maar voor zorgt, dat hij steeds water heeft, hem tegen het stof uit het vertrek beschut en zooveel voedsel verschaft, dat hij niet verhongert. Zoo heeft Pabst in Gotha 22 jaren lang een Boomvorsch gehad, die toen door een toeval om ’t leven kwam. Voor ’t overige heeft men zich niet veel om hen te bekommeren, want hij is zoowel tegen koude als tegen warmte en droogte verwonderlijk goed bestand. Men voedt hem met Vliegen en Meelwormen, omdat deze in den winter het gemakkelijkst te krijgen zijn; men kan hem echter ook andere Insecten, zelfs betrekkelijk groote geven; alle worden verslonden. In den herfst moet men hem sterk voeden, opdat hij gemakkelijker door den winter zal komen; ook in den winter mag men niet verzuimen hem nu en dan een Meelworm, een Spin of een Vlieg te geven. Een Boomvorsch, die lang in de gevangenschap heeft verkeerd, kent niet slechts zijn verzorger, maar ook den pot met Meelwormen en begrijpt zeer goed, dat men voor hem een Vlieg vangt.

Zuid-Amerika is het vaderland van een der grootste leden der familie, dat wegens zijne groote hechtschijven den naam van Knotsvoet (Hyla faber) heeft gekregen en in Brazilië „Smid” wordt genoemd. Zijn gestalte is plomp, de kop plat, breeder dan de romp, de ledematen munten door dikte uit. De teekening op de overigens effen bleek leemgele of lichtbruine bovendeelen bestaat uit een over het midden van den rug loopende, zwarte streep en enkele onregelmatige, fijne, zwarte vegen; de met grove wratten bedekte onderzijde is effen geelachtig wit. Zijn lengte bedraagt 8 à 9 cM.

De Knotsvoet of Smid wordt in de Braziliaansche oerwouden overal gevonden, vooral langs de oevers van rivieren en moerassen, doch alleen op zulke boomsoorten, welker bladen stevig genoeg zijn om zulk een zwaar dier te dragen. Gedurende den regentijd houden tallooze scharen van deze Boomvorschen zich in de moerassen op; men hoort dan ’s avonds en ’s nachts tot aan het aanbreken van den dag hun zonderlinge, luide en helder klinkende, metaalachtige stem; hun koorgezang wordt vergeleken met het geluid, dat door een groot aantal gelijktijdig werkende blikslagers voortgebracht kan worden.

Een verwante, doch iets kleinere soort, de Roeier (Hyla crepitans), bewoont het noorden van Zuid-Amerika en komt vooral in Guyana veelvuldig voor. Schomburgk vergelijkt haar stem met het gedruisch, dat door roeiers voortgebracht wordt. „De roeiriemen stooten bij elken riemslag tegen den rand van de „corial” of schuit, waardoor een eigenaardige, hol klinkende toon veroorzaakt wordt; hoewel er 6, 8 of 10 roeiers in de corial zijn, hoort men van allen slechts één slag; snel, met gelijke tusschenpoozen volgen de slagen elkander op. Met dit gedruisch heeft de stem van den genoemden Vorsch zooveel overeenkomst, dat men er zich in vergissen zou.”

*

Hoe verschillend de voortplanting van de Boomvorschen kan zijn, blijkt o. a. uit de beschouwing van den in Ecuador en Peru inheemschen Zakvorsch (Nototrema marsupiatum), die het tot tropisch Amerika beperkte geslacht der Buidelvorschen (Nototrema) vertegenwoordigt. In vorm verschillen zij niet belangrijk van de zooeven genoemde Boomvorschen; het wijfje heeft echter op den rug een van achteren geopenden, ongeveer 1 cM. diepen zak, welke aan den buidel der Buideldieren herinnert en evenals bij den Mierenegel, als broedzak voor de eieren dient; de larven van sommige soorten doorloopen hierin het eerste tijdperk van hun ontwikkeling; die van andere blijven er in, totdat de gedaantewisseling afgeloopen is en zij als viervoetige kikkertjes, die in ’t geheel geen waterleven gekend hebben, een zelfstandig leven op het land beginnen te leiden. Hoogst waarschijnlijk strijkt het mannetje de eieren met de achterpooten in den broedzak van het wijfje, welke zich gedurende de ontwikkeling der eieren over den geheelen rug uitbreidt en aan het dier een wanstaltig voorkomen verschaft. Als de gedaantewisseling der jongen zoover is voortgeschreden, dat zij als larven het ei verlaten hebben en sterk genoeg geworden zijn, brengt de zorgzame moeder ze naar het water en laat ze hier aan zich zelf over.

De Zakvorsch is een van de bontst gekleurde soorten van zijn geslacht. De fraaie, groenachtig blauwe grondkleur van de bovendeelen, die, vooral op den kop en het midden van den rug donkerder is, vertoont een teekening, samengesteld uit donkergroene, door een lichteren zoom begrensde, overlangsche strepen en vlekken, die op sommige plaatsen elkander naderen, op andere uiteenwijken en op deze wijze regelmatige figuren vormen; op de pooten neemt men donkerder ringen, banden, strepen, vlekken en stippels waar.

De familie der Padvorschen (Pelobatidae) omvat 8 geslachten met ongeveer 25 soorten, die in Noord-Amerika, Europa, West-Azië, het Oostersche Rijk en op Nieuw-Guinea aangetroffen worden. Verscheidene soorten bereiken een aanzienlijke grootte; sommige zijn merkwaardig, doordat zij (de mannetjes n.l.) zich tegen den mensch trachten te verdedigen: den bek wijd opensperren, onder schel geschreeuw op hun vijand toespringen en naar zijn hand happen.

Een der meest bekende leden van deze familie is de Knoflookpad (Pelobates fuscus), een vertegenwoordiger van het geslacht der Woelpadden (Pelobates), die in vorm op Padden gelijken, maar betrekkelijk lange achterpooten hebben, welker teenen door groote zwemvliezen verbonden zijn; aan de binnenzijde van den hiel komt een lensvormige hoornplaat met scherpe randen voor (een beginsel van een zesden teen); de vingers zijn vrij; de grootendeels gladde en spiegelende huid is ruig en stekelig aan de bovenzijde van den kop, waar door verbeening van de lederhuid dekplaten gevormd zijn, innig verbonden met de haar overdekkende, zeer dunne opperhuid; de tong is schijfvormig met een flauwen inham aan den achterrand; de bovenkaaksbeenderen dragen tanden; de gehemeltetanden staan op 2 duidelijk gescheiden, korte dwarsreeksen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies ontbreekt; de sterk uitpuilende oogen hebben een verticale, spleetvormige pupil. De genoemde soort is een bont gekleurd dier van 6 à 7, zelden 8 cM. lengte; zijne bovendeelen zijn op geelbruinen of lichtbruinen grond met vele kleine en groote, levendig donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm geteekend, die soms samenhangen, soms afzonderlijk staan en als eilanden op een landkaart verspreid zijn.

Zakvorsch (Nototrema marsupiatum): 1) Wijfje,—2) Mannetje. Ware grootte.
Zakvorsch (Nototrema marsupiatum): 1) Wijfje,—2) Mannetje. Ware grootte.

Zakvorsch (Nototrema marsupiatum): 1) Wijfje,—2) Mannetje. Ware grootte.

Volkomen zekere berichten omtrent het voorkomen van deze soort in ons land ontbreken tot dusver, ofschoon zij in verscheidene werken inheemsch wordt genoemd. Haar verbreidingsgebied omvat het zuiden van Zweden, Denemarken, Duitschland (met uitzondering van Wurtemberg), België, Noord-Frankrijk, Noord-Italië, geheel Oostenrijk-Hongarije en Europeesch Rusland; zij is in deze landen volstrekt niet algemeen, maar ontbreekt in sommige gewesten geheel; in Zwitserland b.v. heeft men haar nergens anders dan bij de grenzen van den Elzas aangetroffen. In sommige oorden is zij veelvuldig, o. a. in de omstreken van Neurenberg, Berlijn, Weenen en Hermannstadt. Zij leeft alleen gedurende den tijd van ’t eierenleggen in ’t water, komt reeds na verloop van weinige dagen terug en zwerft dan als een echt landdier bij voorkeur op zandige velden rond, waar zij zich over dag in een door haar zelf gegraven hol verbergt. Zeer behendig weet zij zich met behulp van hare graafhielen in den grond te woelen; zij doet dit door de hielen buitenwaarts te bewegen en intusschen den romp voortdurend naar achteren te schuiven, verdwijnt op deze wijze in korten tijd onder de aarde, die zich daarna geheel boven haar sluit. Niet alleen in ’t graven toont de Knoflookpad zich bekwamer dan de Echte Padden; ook door hare andere wijzen van beweging overtreft zij haar en komt meer met de Kikvorschen overeen. Op den grond komt zij door snel opeenvolgende, betrekkelijk groote sprongen flink vooruit; in ’t zwemmen is zij goed ervaren. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en Spinnen.

Vroeger dan de andere Amphibiën van haar vaderland legt de Knoflookpad eieren: reeds in ’t begin van April als het weder eenigszins gunstig is, bij ongunstige weersgesteldheid niet later dan het midden van deze maand. De mannetjes en de wijfjes houden zich alleen in dezen tijd in ’t water op, zelden langer dan een week; met den kop boven water laat het mannetje een kwakend geschreeuw hooren, dat door het nog doffere geknor van het wijfje begeleid wordt. Dat deze wanklanken niet de eenige zijn, die zij kan voortbrengen, blijkt, wanneer men haar met een tang bij een poot pakt: haar jammerlijk geschreeuw gelijkt dan op het miauwen van een jonge Kat.

De larven zijn grooter dan die van de overige inheemsche Amphibiën en hebben de kieuwspleet in ’t midden van den hals.

De Knoflookpadden kunnen zeer goed in een hokje in ’t leven gehouden worden, maar verlangen veel en vet voedsel, daar zij in vraatzucht voor geen lid harer orde onderdoen. Aangename huisgenooten zijn zij niet, daar zij een werkelijk onuitstaanbare knoflooklucht verbreiden.

De Schijftongigen (Discoglossidae) hebben, evenals de Echte Boomvorschen en de Padvorschen, tanden aan de bovenkaaksbeenderen en aan het gehemelte; de onderzijde van de bijna cirkelvormige tong is geheel of nagenoeg geheel vergroeid met den bodem der mondholte.

*

Het geslacht der Vuurpadden (Bombinator), dat tot deze familie behoort, is kenbaar aan het ontbreken van het trommelvlies, aan de dunne tong en de driehoekige pupil. De vingers zijn vrij, de teenen van zwemvliezen voorzien. De huid is met vele wratten bedekt. De twee Middel-Europeesche soorten van dit geslacht zijn echte waterdieren van 4 à 4.5 cM. lengte; één van deze bewoont ook ons vaderland (een derde soort komt in Noordoost-China voor).

De Geelbuikige Vuurpad (Bombinator pachypus) verschilt van haar andere Europeesche verwante door een meer gedrongen lichaamsbouw, een korteren, meer afgeronden snuit, dikkere vingers en grootere wratten op de huid. De onderschenkel is in verhouding tot den voet langer. De rug is donker geelachtig grijs met bronskleurigen weerschijn, zonder zwarte vlekken, de buik citroengeel of oranjegeel met blauwachtig grijze of zwartachtige vlekken; de vingertoppen zijn altijd geel.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Frankrijk, België, Nederland, Duitschland, Savoye, Zwitserland, Tirol, Opper- en Middel-Italië, Stiermarken, Oostenrijk, Dalmatië, Montenegro, Hongarije, Zevenburgen en Rumenië. Bij ons komt zij alleen in de oostelijke grensprovinciën en daar zeer zeldzaam voor.

De Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus) is slanker gebouwd, heeft een eenigszins slankeren en spitseren snuit, dunnere en slankere vingers, de wratten zijn voor een deel regelmatig op reeksen geplaatst en zwart van kleur. Het mannetje heeft twee onvolkomen keelblazen. De rug is zwartachtig grijs met zwarte vlekken en meestal ook twee ronde vlekken van de kleur van flesschenglas tusschen de schouders, de buik blauwzwart met witte stippels en groote oranje- of menieroode, op eilanden gelijkende vlekken; de toppen der vingers en teenen zijn zwart.

Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus). Ware grootte.
Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus). Ware grootte.

Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus). Ware grootte.

Deze soort bewoont het zuiden van Zweden, Denemarken, Duitschland, Boheme, Neder-Oostenrijk, Hongarije, Zevenburgen, Rumenië en het middelste deel van Europeesch Rusland.

De Vuurpadden worden in kleine slootjes even goed aangetroffen als in uitgestrekte broeklanden of moerassen: de Roodbuikige soort in de vlakte, de Geelbuikige in bergstreken tot op 1500 M. hoogte. Als echte waterdieren houden zij zich bijna gedurende den geheelen zomer in regenplassen, poelen, sloten en moerassen op en komen alleen in den herfst tijdelijk op het land voor, waar zij met hare betrekkelijk lange achterpooten zeer behendig rondhuppelen. In het water ziet men ze gewoonlijk op eenigen afstand van den oever zitten; den kop halverwege boven den waterspiegel opgeheven, vermaken zij zich ’s avonds met hare eenvoudige en bescheidene, muzikale oefeningen; bij het geringste gevaar duiken zij bliksemsnel naar de diepte om zich hier in den modder te verbergen. Wie stil blijft wachten, ziet de gevluchte Vuurpad na korten tijd weer boven komen, dezelfde houding hernemen, de goudkleurige oogjes naar alle zijden wenden en na een korte rust haar gezang hervatten. Haar geluid weerklinkt in den regel eerst tegen den avond en verder gedurende den geheelen nacht, waaruit blijkt, dat ook deze Amphibiën tot de nachtdieren behooren. Haar stem maakt volstrekt geen onaangenamen indruk, maar verveelt weldra door zijn eentonigheid; het is een voortdurende herhaling van de klanken „koe-oe”, met een timbre als dat van glazen klokjes en wordt slechts op een afstand van weinige schreden duidelijk gehoord. Iedere Vuurpad roept hoogstens drie- of viermaal in de minuut en brengt nooit eenige wijziging in zijn geluid; daar echter alle mannetjes te gelijk hun welbehagen te kennen willen geven, maakt het geheel den indruk van een muziekuitvoering met gewoon tempo.

In het water bewegen de Vuurpadden zich met groot gemak, ofschoon zij hier niet wedijveren kunnen met den Waterkikker; beter dan deze kunnen zij zich in het slijk verbergen. Op het land komen zij met korte sprongen snel vooruit. Een hoofdtrek van haar karakter schijnt een grenzenlooze vreesachtigheid te zijn. Slechts in geval van nood gaan zij in volkomen schoon water zwemmen; plassen, die dicht met eendenkroos bedekt zijn, met troebel, leemachtig water gevulde kuilen op een slecht onderhouden rijweg of poelen in verlaten steengroeven lachen haar bijzonder toe om de eenvoudige reden, dat bedekt en troebel water haar zelfs voor het scherpstziende oog uitmuntend verbergen. Als men zich stil houdt en haar dus geen aanleiding tot vluchten geeft, kan men zich van de juistheid van bovenstaande opmerking door eigen onderzoek overtuigen. Op een dwaalspoor gebracht door de zwakheid van haar stem, zoekt men haar dikwijls tevergeefs in de verte, en bemerkt eindelijk met eenige verrassing haar kopje, dat zich in de onmiddellijke nabijheid tusschen het eendenkroos boven het water verheft, misschien op een plek, die men herhaaldelijk reeds scherp in ’t oog heeft gevat. Op het droge tracht zij zich door list voor de blikken harer tegenstanders te verbergen: als zij niet snel genoeg het veilige water kan bereiken, vleit zij zich neer op den grond, welks tinten dan als ’t ware ineenvloeien met de geelgrijze of zwartgrijze kleur van den rug. Als men de Vuurpad plaagt, buigt zij, althans de Geelbuikige soort, den kop naar achteren en vouwt de voorpooten over den gekromden rug samen, zoodat de geheele buikzijde zichtbaar wordt en het dier dus een geheel ander voorkomen verkrijgt. Zij blijft eenige minuten in deze zonderlinge houding en zet haar reis voort, zoodra zij meent, dat het gevaar geweken is. Groote angst openbaart zij door het laten uittreden van een op zeepsop gelijkend schuim uit de wratten, die den rug en de bovenzijde van de achterschenkels bedekken; dit kliersap heeft, evenals dat van de meeste harer verwanten, een zekere scherpte; het werkt in allen gevalle giftiger dan dat van de Gewone Pad.

Het voedsel van de Vuurpadden bestaat uit Insecten, Slakken en kleine Wormen; zij zijn dus volkomen onschadelijk en zelfs nuttig. De gevangenschap kunnen zij langen tijd verdragen; hare eischen zijn gemakkelijk te bevredigen; in bevalligheid doen zij voor de Boomvorschen weinig onder

*

De Kettingpadden (Alytes) hebben een gedrongen lichaamsbouw; hare krachtige ledematen eindigen in vierteenige voeten; alleen de achtervoeten zijn met zwemvliezen voorzien; de huid is rijk aan klieren en met wratjes bezaaid, doch aan de keel steeds glad; de tong is zeer groot en dik, het trommelvlies duidelijk zichtbaar.

Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans): Mannetje. Ware grootte.
Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans): Mannetje. Ware grootte.

Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans): Mannetje. Ware grootte.

De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), is 3.5 à 5 cM. lang, heeft blauwachtig aschgrauwe bovendeelen met zwarte en lichtere stippels en vlekken; de onderdeelen zijn lichtgrijs; de iris is lichtgeel met zwarte adertjes.

Algemeen is deze soort in Portugal, Spanje en Frankrijk, vooral in de omstreken van Parijs; ook komt zij voor in België, het westen van Duitschland en Zwitserland. In Nederland werd zij, naar het schijnt, nog niet gevonden. Zij verschuilt zich in holen op schaduwrijke plaatsen, in oude steengroeven, waarlangs op korten afstand een waterstroompje vloeit, onder steenen, oude boomwortels of wijnstokken, ook wel eenvoudig in gaten van den grond. De klank van haar stem is helder en aangenaam als die van een glazen klokje.

Pipa (Pipa americana). ½ v. d. ware grootte.
Pipa (Pipa americana). ½ v. d. ware grootte.

Pipa (Pipa americana). ½ v. d. ware grootte.

De Vroedmeesterpad heet zóó, omdat het mannetje zich de beide rozenkransvormige eierensnoeren, onmiddellijk nadat zij uit het lichaam van het wijfje zijn gekomen, om de achterpooten wikkelt. Het mannetje draagt deze „kettingen”, die met verscheidene 8-vormige kronkelingen zijne schenkels omgeven, dagen lang bij zich, kruipt er mede in den grond, en blijft hier, totdat de kiemen een zekeren trap van ontwikkeling hebben bereikt. Deze zijn ongeveer op den elfden dag geschikt om de eierenhulsels te verlaten; nu begeeft de vader zich met zijn kroost naar het water en laat het hier achter. De jongen hebben ongeveer denzelfden vorm als de larven van andere Vorschen, ontwikkelen zich verder op de gewone wijze en worden zeer groot, ongeveer 8 cM. lang; zij komen door de plaatsing van de kieuwspleet met de larven van de Knoflookpad overeen.

Tot de Tongloozen (Aglossa), die de tweede onderorde van de Vorschen vormen, behooren twee familiën: de Vingerhoedpadden (Dactylethridae), zoo genoemd, omdat de toppen der 3 binnenste teenen met een vingerhoedvormigen nagel omhuld zijn, bewonen Afrika; tot de Pipa’s (Pipidae) behoort slechts één in Guyana en Brazilië levende soort.

*

De Pipa of Surinaamsche Pad, in Cayenna Tedo genoemd (Pipa americana), heeft een wanstaltigen, bijna vierhoekigen, van boven naar onderen sterk afgeplatten romp, die onmerkbaar overgaat in den breeden, driehoekigen, aan den snuit spits eindigenden kop. De zwakke, slanke voorpooten hebben vier lange, vrije, spitse vingers; deze zijn aan den top in vier puntige huidaanhangseltjes verdeeld, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam „Stervingerpad”. De achterpooten zijn dikker dan de voorpooten en tamelijk lang; volledige zwemvliezen vereenigen de 5 spitse teenen van den grooten voet. De huid van den rug is vooral bij de oude dieren gerimpeld, bij de oude wijfjes zelfs met putjes bezaaid. Aan weerszijden van de bovenkaak hangen één of twee tastdraden naar beneden, die vóór het oog zijn aangehecht; een dergelijk orgaan komt aan iederen mondhoek voor. De leelijkheid van het dier wordt nog verhoogd, door de kleine, uitpuilende oogen, die dicht bij den onderrand van de bovenkaak geplaatst zijn en zich, naar het schijnt, bijna niet kunnen bewegen,—die van het mannetje bovendien door het wanstaltige strottenhoofd, dat met een driehoekige, beenen doos vergeleken wordt. De kaken zijn tandeloos, de tong ontbreekt geheel. De dieren van beiderlei geslacht zijn van boven dof bruinachtig zwart, van onderen lichter, soms met witte vlekken, soms met een zwarte streep over het midden van den buik geteekend. Het wijfje kan, naar men zegt, wel 20 cM. lang worden. Deze dieren bewonen moerassige stilstaande wateren.

Evenals de meeste overige Vorschen leggen de Pipa’s hare eieren in ’t water. Terwijl het mannetje de eieren bevrucht, hetgeen bij alle Vorschen gedurende het leggen geschiedt, strijkt hij ze op den met wratten bedekten rug van het wijfje. Hier komen kuiltjes voor, die zich, naar men onderstelt, vergrooten, tengevolge van den prikkel, dien ieder ei op de huid teweegbrengt, weldra, als de cellen van een honigraat, een zeshoekigen vorm aannemen en ook, evenals deze, met een soort van dekseltje gesloten worden. In ieder van deze broedzakjes ondergaat een jonge Pipa haar gedaantewisseling; zij verbreekt eindelijk het dekseltje, steekt den kop of een poot naar buiten en neemt kort daarna voor goed afscheid van haar wieg. Het geheele aantal jongen bedraagt, naar men zegt, 60 à 70; zij verlaten 82 dagen na de bevruchting der eieren haar moeder, waarna deze aan steenen of planten de overblijfselen van de cellen afwrijft en een nieuwe huid krijgt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings