← Table of contents
Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

DE STEKELVINNIGEN (Acanthopterygii). (continued 3)

Reading edition

De Zeewolf dankt zijn naam niet zoozeer aan zijn vreeselijk gebit, als wel aan de felle woede, die hij toont, zoodra hij in gevaar verkeert. Zijn oog heeft een eenigszins boosaardige uitdrukking en zijn aard logenstraft het hierdoor gewekte vermoeden niet. Een gevangen exemplaar gedraagt zich, alsof het razend is, maakt heftige bewegingen in het net, tracht het te verscheuren en bijt met slangachtige vlugheid naar ieder voorwerp, dat in zijn nabijheid wordt gehouden. De visschers passen wel op, dat zij deze kwaadaardige dieren niet met de handen aanvatten, maar grijpen, zoodra zij bemerken, dat er een in het net is gekomen, onmiddellijk een roeiriem of een haak, om het zoo schielijk mogelijk af te maken. Wanneer zij dit niet doen, spartelt de Zeewolf nog wel halve dagen lang in de boot rond, want ook hij kan zonder bezwaar geruimen tijd buiten water verkeeren en blijft razen, zoolang hij leeft.

De bewoners van de noordelijke landen eten den Zeewolf eerst, nadat zij hem vooraf gevild hebben. Van de huid maken zij zakjes of bereiden er vischlijm uit.

*

Een fraaie vertegenwoordiger van het geslacht der Slijmvisschen i. e. z. (Blennius) komt in de Middellandsche Zee en ook aan de Engelsche kust voor; men noemt hem Zeevlinder (Blennius ocellaris). Hij wordt 15 cM. lang en heeft een lichtbruine, hier en daar met donkerder vlekken geteekende, naakte, slijmerige huid. De borst- en buikvinnen zijn donkerder dan de overige. De rugvin, die in het midden een inham vertoont en waarvan de 5 voorste stralen draadvormig verlengd zijn (vooral de eerste), prijkt op het voorste gedeelte met een ronde, donkerbruine vlek, omgeven door een hof, welks kleur lichter is dan die van het overige vinvlies. De dikke, aan de wangen gezwollen kop is van voren afgeknot; de huid van den bovenrand van ’t oog is met twee uitwassen voorzien.

Zeevlinder (Blennius ocellaris). ¾ v. d. ware grootte.
Zeevlinder (Blennius ocellaris). ¾ v. d. ware grootte.

Zeevlinder (Blennius ocellaris). ¾ v. d. ware grootte.

De Zeevlinder komt in de Middellandsche Zee bij alle rotsachtige kuststreken voor en is daar algemeen bekend. In den Atlantischen Oceaan daarentegen schijnen deze Visschen zeldzamer te zijn; alleen bij Engeland worden zij nu en dan gevangen. Evenals andere soorten van hun familie, vestigen ook zij zich dicht bij den oever op rotsen en tusschen wieren en maken hier jacht op kleine Schaaldieren en Weekdieren. Het kuitschieten heeft in de lente plaats. Hun week, slijmerig vleesch is smakeloos en wordt daarom alleen door niet kieschkeurige bewoners van de genoemde kuststreken bij gebrek aan andere Visschen gegeten.

*

De Steen-slijmvisschen (Pholis) verschillen van de leden van ’t vorige geslacht vooral ook door het ontbreken van de voor ’t tasten dienende aanhangsels aan den oogkasrand. Zij verdienen vermelding, omdat één soort van dit geslacht, de Gewone Steen-slijmvisch (Pholis laevis), enkele malen aan onze kusten tusschen de steenen van de zeedijken waargenomen is. Veelvuldiger dan in de Noordzee ontmoet men haar in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen oceaan langs de Iersche kust. Deze 15 cM. lange Visch is zeer veranderlijk van kleur, dikwijls op olijfgroenachtigen grond bruin gevlekt en gemarmerd, doch ook wel ongevlekt; andere exemplaren waren in ’t water lichtbruin, maar namen een donkerder kleur aan en vertoonden een reeks van witte vlekken langs de zijdestreep, nadat zij een tijdlang aan de lucht hadden gelegen. Het schijnt voor dit dier een behoefte te zijn van tijd tot tijd op het droge te verkeeren. Een exemplaar, dat van Rosz een met zeewater gevulde goudvisschenkom tot woning had gekregen, werd na eenige uren zeer onrustig en sprong herhaaldelijk boven den waterspiegel uit. Toen de waarnemer, aan den wensch van zijn gevangene gevolg gevend, een grooten steen, die gedeeltelijk boven water uitstak, in de kom plaatste, maakte de Visch zich dadelijk met een sprong meester van dit droge plekje, bleef hier verscheidene uren liggen en ging toen weer te water. Uit vele waarnemingen bleek, dat er een nauw verband bestond tusschen deze verandering van ligplaats en de watergetijden; steeds ging de Visch, als de eb begon, op den steen liggen en keerde, als de vloed aanving, naar het water terug. Gevangen exemplaren verslonden gretig alle levende dieren, die men hun aanbood, ook vleesch van Zoogdieren en Vogels. In de vrije natuur maken Mossels en andere Weekdieren hun gewone voedsel uit; de lange snijtanden stellen hen in staat dezen buit van de rotsen los te rukken. Bij eb worden vele van deze Visschen tusschen de steenen of in kleine, met water gevulde holten waargenomen; niet zelden begeven de oude exemplaren zich op het droge en leggen hier, kruipend met behulp van de borstvinnen, een grooten weg af; merkwaardig vlug en behendig zoekt ieder een geschikte holte op, om hier de terugkomst van ’t water af te wachten.

*

De Aalachtige Slijmvisschen (Centronotus) zijn kenbaar aan hun lang, zijdelings samengedrukt, lint- of zwaardvormig lichaam, met kleinen kop en met een over de geheele rugzijde zich uitstrekkende rugvin; iedere buikvin bestaat uit slechts één goed ontwikkelden straal: de kaken zijn met hekeltanden, de ploegschaar- en de gehemeltebeenderen en de tong met fluweelachtige tanden gewapend.

Een zelden aan onze kust voorkomende bewoner van de Noordelijke IJszee, die ook aan de kusten van Scandinavië en Groot-Brittannië aangetroffen wordt, is de Botervisch (Centronotus gunnellus). Hij kan een lengte van 25 cM. bereiken, maar is meestal niet langer dan 20 cM. De onderdeelen met de aars- en staartvin zijn bij het levende dier oranjegeel; de overige deelen geelbruin of geelgrijs; op den rug bevinden zich 9 à 12 ronde, zwarte vlekken met witten zoom, die zich ook over de rugvin uitbreiden en soms tot deze beperkt blijven; op de zijden ziet men meestal stipjes of onduidelijke, bruinachtige dwarsbanden.

Evenals andere leden van zijn familie, geeft de Botervisch aan een steenachtigen zeebodem de voorkeur, hoewel hij ook soms aangetroffen wordt op plaatsen, die met week slijk bedekt zijn. Hij voedt zich met kleine Weekdieren, jonge vischjes en vischkuit. Minder gaarne dan zijne verwanten stelt hij zich aan de droge lucht bloot; hoewel een langdurig verblijf buiten het water voor hem geen bezwaar oplevert, tracht hij zich steeds tusschen steenen en wieren de noodige vochtigheid te verschaffen. Zelfs hier kan men hem wegens zijn buitengewoon gladde huid en vlugge bewegingen moeielijk grijpen. Voor den mensch is hij trouwens wegens zijn geringe grootte als voedsel van geen belang, hoewel zijn vleesch bruikbaar is. Vele roofvisschen en Zeevogels maken jacht op hem en zijne verwanten: Aalscholvers en Duikers bij vloed, verschillende Meeuwvogels bij eb; van de Visschen is de Zeedonderpad zijn gevaarlijkste vijand.

*

Een van de weinige Visschen, die levende jongen ter wereld brengen, de Magaal (Zoarces viviparus), gewoonlijk (evenals Lota vulgaris) Kwabaal of Puitaal genoemd, ook wel bekend onder de namen Slijmvisch, Snotvisch en Pilatusvischje, op Vlieland Magge geheeten, heeft een 30 à 40 cM. lang, zijdelings eenigszins samengedrukt lichaam: de hoogte is slechts ​1⁄9​ van de geheele lengte, die voor ⅗ achter de aarsopening gelegen is. De huid is glad en slijmerig; zeer kleine schubjes zijn er in verborgen. De rugvin neemt bijna de geheele rugzijde in en gaat, evenals de aarsvin, die ruim half zoo lang is als het lichaam, zonder afscheiding in de staartvin over. De borstvinnen zijn lang en smal, de door 2 of 3 stralen gesteunde buikvinnen keelstandig. De snuit is kort, de mondopening klein; de kaken zijn van voren met twee rijen, aan de zijden met één rij van kegelvormige tanden gewapend; het gehemelte en de tong zijn tandeloos. De onderdeelen zijn roodachtig bruingeel, de bovendeelen geelbruin met bruinzwarte marmervlekken aan de rugvin en een rij van groote, zwarte vlekken langs de zijdestreep. De iris is bruin met een lichtgelen kring om de pupil.

De Magaal werd tot dusver uitsluitend in de noordelijke zeeën en wel in de Noordzee, de Oostzee en het Kanaal aangetroffen. Hoewel hij aan een steenachtigen bodem de voorkeur geeft, is hij aan onze kusten tamelijk algemeen gedurende het geheele jaar, zelfs in de Zeeuwsche stroomen, de Zuiderzee en eertijds in het Haarlemmer Meer. Vaak wordt hij gedurende het visschen naar Garnalen langs het strand in de saaien gevangen. Zijn vleesch, hoewel goed van smaak, wordt niet gegeten. De beenderen hebben, evenals die van den Geep, reeds in ongekookten toestand een groene kleur en behouden deze na het koken. „Hij voedt zich met Garnalen en andere kleine Schaaldieren, met vischkuit, Weekdieren en zelfs met kleine vischjes” (Schlegel).

„Er schijnt bij deze soort geen bepaalde tijd ter voortteling te zijn, vermits men in alle jaargetijden wijfjes met jongen heeft aangetroffen. De eieren van dezen Visch worden n.l. in het moederlijf bevrucht en ontwikkelen zich aldaar volkomen, zoodat de jongen volmaakt gevormd ter wereld komen; hiertoe is een tijdruimte van ongeveer 4 maanden noodig. Men vindt deze jongen reeds in wijfjes van niet meer dan 15 cM. lengte, en hun getal bedraagt 100 à 200, somtijds zelfs 250” (Schlegel). Zij zijn bij de geboorte minstens 3 cM. lang, maar bereiken bijna het dubbele van deze lengte, indien de moeder zelf een aanzienlijke grootte heeft. Zij zijn dan nog zoo doorzichtig, dat men met een weinig vergrootende loupe de bloedsomloop bij hen kan waarnemen. Zij groeien schielijk en zijn reeds na verloop van 14 dagen driemaal zoo lang geworden als in den beginne.

De 11e onderorde van de Stekelvinnigen omvat de Hardervisschen (Mugiliformes); deze hebben 2 min of meer van elkander verwijderde rugvinnen, waarvan de voorste op de achterste gelijkt door kortheid en vorm of geheel uit zwakke stekels bestaat; de buikstandige buikvinnen zijn uit 1 stekel en 5 gelede stralen samengesteld; het lichaam is met gladde of weinig getande schubben bekleed.

De Pijlsnoeken, die overal, waar zij voorkomen, door de zeelieden en visschers Barracoeda’s worden genoemd (Sphyraenidae), gelijken werkelijk, zoowel door hun vorm als door hun gebit, eenigszins op Snoeken. Hun lange, bijna rolvormige romp is met kleine, gaafrandige schubben bekleed; de kop is spits, de bek wijd gespleten en met flinke, haakvormig gekromde, spitse tanden gewapend; de twee voorste tanden in iedere kaak zijn echte grijptanden. Deze buitengewoon stoutmoedige en gevaarlijke roofvisschen, die uitsluitend op levende dieren jacht maken, bewonen de zeeën tusschen de keerkringen en die van de gematigde aardgordels; zij leven meestal in de open zee, maar vermijden de kustwateren niet geheel. De grootste soorten kunnen hun slachtoffer met een enkelen beet in stukken verdeelen; ook op den mensch beproeven zij maar al te vaak de kracht van hun gebit; zelfs kunnen zij hem dooden. Sommige soorten worden wegens hun vleesch gezocht.

De Pijlsnoek (Sphyraena vulgaris afgebeeld op pag. 217) bewoont de Middellandsche Zee en wordt door de visschers kortweg „Snoek” genoemd. Op den rug is deze 1 M. lange Visch donker loodkleurig, op den buik zilverwit; de vinnen zijn bruin. Zijn slanke gestalte en vreeselijk gebit passen bij zijn roofzuchtigen aard; met groote snelheid klieft hij de golven; daar hij bijna altijd een lijnrechten weg volgt, werd hij reeds door de ouden met een pijl vergeleken. Zijn hard vleesch wordt gegeten, maar niet hoog geschat.

In de zeeën om de Antillen wordt de Pijlsnoek vervangen door den Barracoeda (Sphyraena picuda), die, naar men zegt, een lengte van 3 M. kan bereiken; de bovendeelen zijn groenachtig loodgrijs, de onderdeelen zilverkleurig, de zijden dikwijls met groote, bruinzwarte vlekken geteekend. Men vreest dezen Visch niet minder dan den Haai, daar zijn roofzucht zelfs den mensch niet verschoont; onbeschroomd dringt hij in de havens door, grijpt de badende menschen en verslindt ze. Zijn vleesch gelijkt eenigszins op dat van onzen Snoek, maar schijnt in sommige tijden vergiftig te zijn.

De familie van de Koornaarvisschen (Atherinidae), die in alle zeeën van de tropische en gematigde aardgordels vertegenwoordigd is, omvat ongeveer 40 soorten van slank gebouwde, nagenoeg cylindervormige vischjes met tamelijk groote, gladde schubben en een uit kleine tanden samengesteld gebit in een bek, die vooruitgestoken kan worden. Hun meest in ’t oog vallende tooi, een breede, zilverkleurige streep aan weerszijden van den romp, wordt met een koornaar vergeleken.

De hoogstens 15 cM. lange Koornaarvisch der Middellandsche Zee (Atherina hepsetus), was reeds aan de ouden onder dezen naam bekend. Evenals de andere leden van zijn geslacht, heeft hij een stompen snuit met schuins naar beneden gerichte mondspleet, die zich tot onder den voorrand van het oog uitstrekt, en zeer kleine tanden. Zijn doorschijnend lichaam is van boven licht geelachtig bruin met zwarte stippels, van onderen roodachtig wit met zwakken zilverglans; de glinsterende, zilverkleurige streep strekt zich van de onderste helft van de 4e tot de bovenste helft van de 6e overlangsche reeks van schubben uit en heeft langs den bovenrand een blauwen zoom.

Een andere, even groote soort (Atherina presbyter) is zeer menigvuldig aan de noordkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland en wordt ook bij ons ieder jaar in kleinen getale gevangen. Het gebit is duidelijker zichtbaar en de slankheid iets geringer dan bij de vorige. Het lichaam is zonder de staartvin ongeveer 5½ maal zoo lang als hoog, eenigszins doorschijnend en bij ’t levende dier licht vleeschkleurig, behalve op de reeds genoemde streep en den eveneens zilverkleurigen kop. De bovendeelen zijn zwart gestippeld.

De Koornaarvisschen stemmen in levenswijze zoozeer overeen, dat men, één van hen beschouwend, de geheele familie leert kennen. In tallooze menigte bevolken de leden van de eerstgenoemde soort den Atlantischen Oceaan, benevens de Middellandsche, de Zwarte en de Kaspische Zee; langs alle kusten, in alle bochten, havens en met de zee in gemeenschap staande moerassen treft men verbazend groote scholen van deze Visschen aan. Nooit ziet men ze alleen, altijd zijn zij tot dichte zwermen opeengepakt, die uitgestrekte ruimten letterlijk vullen. Milliarden van hen worden door menschen, Meeuwen en dergelijke boven de zee vliegende Vogels, Eenden, Duikers en roofvisschen buitgemaakt. Hun talrijkheid bracht de ouden op het denkbeeld, dat zij zonder tusschenkomst van ouders ontstonden. Men voedert er de Zwijnen mede of schept hunne reeds tot zwermen vereenigde jongen eenvoudig uit het water op om er een eigenaardig gerecht van te bereiden, dat in de kustlanden van de Middellandsche Zee in den smaak valt. In volwassen toestand leveren zij het gemakkelijkst verkrijgbare lokaas voor de vangst van andere Visschen, maar worden ook in groote hoeveelheid, gekookt, gezouten of ingelegd tot voedsel voor de kustbewoners, die hen als een voortreffelijke spijs beschouwen. Bij ons worden zij echter over ’t algemeen veel minder geacht dan de Spiering.

De Harders (Mugilidae) zijn fraai gebouwde zeevisschen met langwerpig, afgerond lichaam, groote cycloïde schubben, die ook den kop bekleeden en twee door een groote ruimte gescheiden rugvinnen; de buikvinnen staan kort achter de borstvinnen; de dwarsgerichte, hoekige, diklippige muil is met fijne tandjes gewapend of tandeloos. Bij de meeste soorten zijn de spijsverteringsorganen op een zeer eigenaardige wijze ingericht: de zeer ontwikkelde keelbeenderen b.v. hebben een hoekige gedaante en vernauwen op deze wijze het spijskanaal; hierom en wegens de kleinheid van de mondopening kunnen de Harders geen andere dan vloeibare verdunde of fijn verdeelde voedingsstoffen gebruiken.

De Harders bewonen zoowel het zoetwater, dat met de zee in gemeenschap staat, als ondiepe zeeboezems, havens en andere kustwateren. Ook zij vormen in den regel talrijke scholen en leven in gezelschap van de Zeebarbeelen en andere verdraagzame Visschen. In de open zee wagen zij zich nooit; nooit begeven zij zich op een aanzienlijke diepte, maar houden zich, ook als zij het ondiepe water een enkele maal verlaten hebben, in de bovenste waterlaag van de zee op. Hun voedsel bestaat uit slijk en zand, of liever uit de hierin voorkomende plantaardige en dierlijke stoffen. Op plaatsen waar een modderige of tijdelijk door den regen troebel geworden beek in zee stort, komen zij gewoonlijk in grooten getale voor. Zij „grondelen” als onze Karpers en behouden intusschen een horizontalen stand. Vóór het kuitschieten vertoonen zij zich altijd in zeer talrijke scholen, later meestal slechts in kleine troepjes van ongeveer 10 stuks op hunne gewone verblijfplaatsen. Hun vleesch smaakt goed en wordt versch zoowel als gezouten gegeten. Voor hun vangst zijn ervaren visschers en eigenaardige netten noodig, omdat zij over de voor andere Visschen noodlottige schakels dikwijls heenspringen. Behalve door den mensch worden zij door alle vischetende roofdieren vervolgd; bovendien hebben zij veel te lijden van verschillende woekerdieren.

Een in de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, ook in de Noordzee, doch niet aan onze kust voorkomende soort, door de Italianen Ramado genoemd (Mugil capito), bereikt een lengte van 40 à 50 cM. en is op den rug blauwgrijs, op den buik en aan de zijden zilverwit van kleur, overal met zwarte, overlangsche strepen.

Een verwante vorm, de Harder of Herder van onze visschers, de Cefalo der Italianen (Mugil cephalus), bewoont de Middellandsche Zee, maar wordt ook veelvuldig aan de Engelsche kust, nu en dan zelfs in groote scholen aan onze kusten waargenomen. Hij is gewoonlijk ongeveer 30 cM. lang, maar kan wel dubbel zoo lang en 8 KG. zwaar worden. Het oog is met een slijmerige huid bedekt, de borstvin aan den wortel met een lange, gekielde schub gewapend. Gedurende het leven zijn de kop en de rug van dezen Visch groenachtig, de overige deelen zilverachtig; aan elke zijde ziet men een zestal groenachtige, overlangsche strepen. Na den dood gaat de groenachtige kleur in een blauwachtige over.

De Ramado komt in groote scholen aan de kusten van Cornwallis en Devonshire voor en werd ook op allerlei andere plaatsen van de Engelsche en Iersche kust gevangen. „Nooit,” zegt Couch, „verwijdert deze Visch zich ver van het land; hij houdt zich gaarne in ondiep water op, vooral bij warm en helder weer; men ziet hem dan dicht bij het strand rondzwerven, of merkt de kleine kuiltjes op, die hij bij het zoeken van voedsel in den weeken grond maakt. Soms zwemt hij de rivieren op, bij eb keert hij echter altijd naar de zee terug.” Carew, de geschiedschrijver van Cornwallis, bezat een zoutwater-vijver, waarin hij zulke Visschen hield. Daar deze iederen avond op dezelfde plaats gevoederd werden, geraakten zij aan de voederplaats en aan hun verzorger zoozeer gewoon, dat het voldoende was op een bepaalde wijze te klepperen om ze bijeen te lokken. Hun verstand blijkt ook uit hun waakzaamheid en uit de behendigheid, waarmede zij zich aan allerlei gevaren weten te onttrekken. Zoodra zij bemerken, dat een tot op den bodem afhangend net hen omgeeft, keeren zij zoo schielijk mogelijk terug en springen dan gewoonlijk over den bovenrand van het net heen; zoodra één van hen een uitweg heeft gevonden, volgen de andere hem onmiddellijk na. Dit opspringen is hun aangeboren, zelfs jonge Visschen van geringe grootte springen over de netten heen. Couch zag er een van ongeveer 2 cM. lengte herhaaldelijk over een net springen, dat 3 cM. ver boven het water zich verhief.

Weeke en vettige, liefst reeds rottende stoffen, vormen het meest geliefde voedsel van deze Visschen. In de lippen, waarmede zij het meeste voedsel uit den grond halen, schijnt een zeer fijn tastgevoel te zetelen. Evenals de Romeinen der oudheid, vangen de Italianen ook thans nog vele Harders in de aan zee gelegen vijvers, vooral ’s winters. Ook de vijvers aan de kusten van Languedoc zijn om deze reden beroemd. Dikwijls zwemmen de Harders in zoo grooten getale de Garonne, Loire, Seine, Rhône en Somme op, dat de rivier met Visschen bedekt schijnt en dat de visschers nauwelijks in staat zijn om de met visch gevulde netten op te halen; deze rijkelijke vangst duurt echter nooit langer dan 2 of 3 dagen. De Harder wordt wegens zijn malschheid, vetheid en aangenamen smaak overal hoog geschat en versch of gezouten gegeten. Uit de eierstokken, die men afzonderlijk bewaart, perst en zout, wordt een vooral in Provence zeer gewilde spijs bereid, een soort van kaviaar, die „botargue” heet.

Bij de Stekelbaarsvisschen (Gastrosteiformes), die de 12e onderorde van de Stekelvinnigen uitmaken, bestaat het stekelige deel van de rugvin uit stralen, die niet door een vinvlies verbonden zijn, of ontbreekt geheel; de buikvinnen zijn borststandig, of wegens de groote lengte van de haar dragende bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel vastzitten, buikstandig; de snuit is min of meer verlengd, de mond klein.

De Stekelbaarzen (Gastrosteidae) hebben een spoelvormig, zijdelings samengedrukt lichaam met spitsen snuit en zeer dun staartgedeelte; de kaken zijn over een smalle strook met fluweelachtige tanden bezet. Vóór de rugvin zijn eenige vrije stekels geplaatst; de buikvinnen zijn nagenoeg op het midden van den romp met een pantserachtig schild geleed; van ieder ziet men weinig meer dan één ongeleden vinstraal, in welks oksel echter eenige zachte stralen verborgen zijn. Bij enkele soorten is de overigens gladde huid aan de zijden van den romp met 4 of 5 reeksen van kleine schilden gepantserd.

Het typische geslacht der Stekelbaarzen of Doornvischjes (Gastrosteus) bestaat uit een tiental goed omschreven soorten, die zoowel in zoetwater en brak water als in de zeeën van het noordelijk halfrond leven; in levenswijze komen zij zoozeer overeen, dat men door de drie inheemsche soorten na te gaan ook de overige voldoende leert kennen.

De Driedoornige Stekelbaars, in Groningen Stekelspoor genoemd (Gastrosteus aculeatus) is kenbaar aan de drie vrije stralen vóór de rugvin: de eerste is boven den wortel der borstvin aangehecht, de derde of kleinste op het midden van den afstand tusschen den kop en den wortel van de staartvin, de tweede of grootste iets nader bij den eersten dan bij den derden en tegenover de twee nog iets steviger doornen, die de buikvinnen vertegenwoordigen. De zijden van den romp zijn meer of minder volledig met korte, hooge pantserplaten bedekt; in de pantsering en de bewapening met doornen worden verschillende afwijkingen opgemerkt, die gedeeltelijk standvastig overerven en hierdoor aanleiding hebben gegeven tot het onderscheiden van verschillende ondersoorten. Deze soort wordt 7 à 8, hoogstens 9 cM. lang en is op de bovendeelen groenachtig bruin of zwartblauw, op de zijden en den buik zilverkleurig, aan de keel en de borst bleek rozerood of bloedrood; ook de kleur varieert zeer en is bovendien gedurende den rijtijd veel levendiger dan gewoonlijk.

Dit vischje bewoont geheel Europa met uitzondering van het Donau-gebied, waar het tot dusver nog niet waargenomen werd. Overal, waar het voorkomt, is het zeer veelvuldig, en in sommige gedeelten van de zee niet minder algemeen dan in het zoetwater. Bij ons ontmoet men het in grooten getale in alle binnenwateren, sloten, kanalen, veenplassen, enz., minder talrijk echter in beken en rivieren. Vooral van Januari tot Maart of April wordt het in de Zuiderzee overvloedig, te gelijk met de Spiering en de Sprot, gevangen. Zeer algemeen is het in het ankerkuilvischwater; letterlijk overal wordt het aangetroffen in de Nieuwe Merwede, het Hollandsch Diep en het Haringvliet. Door de visschers wordt het zeer gehaat: het is oneetbaar en verslindt veel vischkuit; op sommige plaatsen vindt men het in zoo groote hoeveelheid, dat het als zwijnenvoer, als mestspecie en voor het traankoken kan dienen.

De hoogstens 6 cM. lange Tiendoornige Stekelbaars, ook Zwarte Stekelbaars en in Groningen Kleine Stekelspoor genoemd (Gastrosteus pungitius), een van de kleinste zoetwatervisschen, is even verbreid als de vorige soort, maar op vele plaatsen, ook in ons land, minder algemeen en menigvuldig dan deze. Behalve in ons zoetwater wordt hij ook langs het zeestrand aangetroffen, waarheen hij waarschijnlijk door de rivieren en sluizen geraakt. In den ankerkuil wordt hij zelden gevangen; evenmin als de vorige soort, is hij als voedsel geschikt. Van deze verschilt hij door een eenigszins ranker gestalte; de doornen op den rug, ten getale van 9 à 11, zijn zwakker en bijna gelijk van lengte. Pantserplaten komen bij hem niet voor; aan weerszijden van den staart bevindt zich soms een reeks van ongeveer 10 moeielijk waarneembare gekielde schubben. De bovendeelen zijn geelachtig olijfgroen, de overige deelen zilverwit, met zeer fijne zwarte stipjes geteekend, die onduidelijke dwarsbanden vormen. De vinnen zijn witachtig. Gedurende den zomer wordt bij het mannetje de zilverwitte kleur van den buik dikwijls door donkerzwart vervangen.

1) Driedoornige Stekelbaars (Gastrosteus aculeatus), 2) Tiendoornige Stekelbaars (Gastrosteus pungitius), 3) Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia). Ware grootte.
1) Driedoornige Stekelbaars (Gastrosteus aculeatus), 2) Tiendoornige Stekelbaars (Gastrosteus pungitius), 3) Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia). Ware grootte.

1) Driedoornige Stekelbaars (Gastrosteus aculeatus), 2) Tiendoornige Stekelbaars (Gastrosteus pungitius), 3) Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia). Ware grootte.

De 15 à 18 cM. lange Zeestekelbaars (Gastrosteus spinachia), het grootste lid van zijn geslacht, verschilt aanmerkelijk van de reeds genoemde soorten. Zijn romp, maar vooral de twee laatste derden van den staart zijn zeer verlengd en rank. Het vijfkantige lichaam is langs de zijden met 41 gekielde beenplaten bedekt. De kop eindigt in een zeer spitsen snuit en is even lang als de romp, die zelf even lang is als het spitse gedeelte van den staart. Op den rug komen 15 tamelijk kleine, een weinig achterwaarts gekromde stekels voor. De bovenkop, de rug en het dunne gedeelte van den staart zijn olijfbruin, de zijden geelachtig, de wangen, de kieuwdeksels, de keel en de buik zilverachtig wit; de tweede rugvin en de aarsvin zijn soms van voren met een zwarte vlek voorzien.

De Noordzee in haar geheelen omvang en de Oostzee worden door den Zeestekelbaars bewoond; van hier dwaalt hij zuidwaarts af tot in de golf van Biscaye; nooit zwemt hij ver de rivieren op, maar vermijdt steeds het zoetwater. Hij werd langs onze geheele kust, van Zeeland tot Groningen, en zelfs in de Zuiderzee waargenomen, meestal echter slechts in kleinen getale; hij is dus alles behalve gemeen. Hij is als voedsel onbruikbaar en, wegens de pantserplaten, zelfs voor aas niet geschikt.

Er zijn weinige Visschen, die zoovele aantrekkelijke eigenschappen in zich vereenigen als de Stekelbaarzen. Zij zijn levendig en vlug, behendig, roofzuchtig en tot vechten geneigd, moedig door het vertrouwen op hunne voor andere Visschen gevaarlijke wapens, daarom ook wel overmoedig, doch vol teedere zorg voor hun nakomelingschap. Wegens al deze eigenschappen houdt men ze gaarne in gevangenschap, waarvan het gevolg is geweest, dat hun levenswijze vrij nauwkeurig bekend is.

In een ruim aquarium met overvloedigen watertoevoer gelukt het altijd hun het verlies van hun vrijheid te doen vergeten; in kleine, nauwe bakjes daarentegen brengen heimwee en de groote wijziging der levensomstandigheden aanvankelijk een groote sterfte teweeg; het blijkt dan duidelijk hoe prikkelbaar en opgewonden deze dieren zijn. In een ruime woning zwemmen de Stekelbaarzen, die men er gelijktijdig in heeft gebracht, in ’t eerst gezellig rond; zij doen een verkenningstocht, onderzoeken iederen kant, elken hoek, alle plekjes. Plotseling neemt een van hen bezit van een zekeren hoek of van een bepaald deel van den bak; een woedende strijd ontbrandt tusschen den overweldiger en ieder, die zich verstout, hem zijn verovering te betwisten. Beide kampioenen zwemmen met den grootst mogelijken spoed om en naast elkander, aanhoudend bijtend en met de vreeselijke doornen schermend. Dikwijls is eerst na verscheidene minuten de strijd beslist; zoodra een der vechtersbazen achteruitwijkt, zwemt de overwinnaar, die blijkbaar ten hoogste verbitterd is, hem achterna; de vervolgde wordt van het eene deel van ’t aquarium naar het andere gedreven, totdat hij bijna te vermoeid is om zich te bewegen. De stekels worden met zooveel kracht gebruikt, dat dikwijls een van de kampioenen doorboord en dood naar den bodem zinkt. Mettertijd heeft ieder vischje zijn eigen gebied en is de ruimte verdeeld tusschen drie of vier kleine despoten, die elkander in ’t oog houden en bij iedere overschrijding van de grenzen den overtreder aanvallen en met hem strijdvoeren. Dit doen zoowel de mannetjes als de wijfjes.

De kleur der Stekelbaarzen ondergaat groote veranderingen, die in verband staan met hunne verschillende gemoedsaandoeningen. Het groenachtige Vischje met zilverkleurige vlekken prijkt, als het van strijdlust blaakt, met schitterende kleuren: de buik en de onderkaak zijn donkerrood geworden; de rug heeft roodachtig gele en groene tinten verkregen; het regenboogvlies, dat in normalen toestand witachtig is, vertoont een donkergroenen glans. Even schielijk treedt de reactie in; de overwinnaar verbleekt, zoodra hij het onderspit delft.

In zeer wijde bakken of in de vrije natuur, zwemmen de Stekelbaarzen snel en behendig, springen dikwijls hoog boven het water uit, vermaken zich met allerlei spelen, maar letten intusschen op al wat er om hen heen gebeurt, vooral op de jonge vischjes, die hun voornaamste voedsel uitmaken. Om sterkere roofvisschen bekommeren zij zich over ’t algemeen weinig, waarschijnlijk op grond van het bewustzijn van de doelmatigheid hunner eigene verweermiddelen: werkelijk worden zij naar men zegt, zelfs door machtige roovers gemeden. De Snoek o.a., die alles wat eetbaar is, verslindt, deinst af voor hunne stekels. Slechts groote zeevisschen, zooals Dorschen en Zalmen, vullen onbezorgd hun maag met deze dwergjes. Ondanks hun weerbaarheid en schijnbare achteloosheid kennen zij hunne vijanden zeer goed, zooals blijkt uit het oprichten van hunne wapens bij de nadering van door hen gevreesde Visschen.

Niet minder onverschrokken dan in tijden van gevaar, zijn de Stekelbaarzen bij hun dagelijksch bedrijf. Zij maken jacht op alle dieren, die zij kunnen overmeesteren en toonen een verbazenden eetlust. Indien zij slechts de grootte van Baarzen hadden, zouden zij onze binnenwateren leegmoorden en ons buitengewoon veel nadeel toebrengen, hoezeer zij ons ook door hun schoonheid bekoren.

Het merkwaardigste deel van de levensgeschiedenis der Stekelbaarzen is ongetwijfeld de wijze, waarop zij hunne eieren verzorgen. Als de tijd van kuitschieten nadert, kiest ieder mannetje een bepaalde standplaats uit en verdedigt deze met zijn gewone hardnekkigheid en strijdlust tegen iederen soortgenoot van zijn sekse, die het wagen durft hem te verdringen. De uitverkoren plaats kan zeer verschillend zijn. De Stekelbaarzen, die in zoetwater kuitschieten, zoeken gewoonlijk een met grind of zand bedekte ondiepte op, waarboven het water tamelijk snel vloeit of althans dikwijls bewogen wordt; zij bouwen op den grond een nest, dat half in het zand begraven is, of bevestigen het vrij-zwevende gebouw tusschen waterplanten. De Zeestekelbaarzen kiezen soortgelijke standplaatsen voor hun nest; zij hechten het meestal vast aan lange wieren in de nabijheid van het strand, waartusschen zij zich over ’t algemeen gaarne ophouden: een uitgevezeld stuk touw, dat in het water hangt, kan hiervoor ook zeer goed dienen. Het mannetje, dat gedurende den voortplantingstijd met de prachtigste kleuren prijkt, toont ook op andere wijzen een vermeerderde levensenergie; om een nest op den bodem te bouwen moet hij in de eerste plaats eenige wortels en andere plantendeelen van dezen vorm, die niet zelden langer zijn dan hij zelf, aansleepen, soms van een tamelijk grooten afstand; dikwijls rukt hij stukken van levende planten los en onderzoekt hun gewicht door ze te laten vallen; die, welke snel op den bodem zinken, zijn voor bouwstoffen geschikt, de overige zijn te licht en worden weggeworpen. De kleine bouwmeester stapelt de steeds met zorg uitgekozen materialen laagsgewijs opeen en verandert hun rangschikking, totdat zij naar zijn genoegen is. Het vasthechten aan den grond geschiedt door bezwaring met zand of grind; om het nest van binnen af te ronden en tevens de noodige stevigheid te verschaffen, zwemt de Stekelbaars er langzaam doorheen, de reeds aan den bodem gehechte deelen intusschen aan elkander lijmend en verbindend. Het aanvoeren van de vereischte bouwstoffen duurt ongeveer 4 uren: na verloop van dezen tijd is tevens het nest, althans wat de grove omtrekken betreft, voltooid; voor het afwerken, voor het uitschiften van de te lichte bestanddeelen, het wijzigen van de schikking van sommige halmen, het samenvlechten van hunne uiteinden en het bezwaren met zand zijn echter verscheidene dagen noodig. Gedurende dezen arbeid denkt de Stekelbaars aan niets anders en tracht iedere stoornis te verhinderen. Terwijl hij vlijtig aan ’t werk is, kijkt hij wantrouwig naar ieder wezen, dat zich in de nabijheid vertoont, zoowel naar een andere Stekelbaars als naar een Salamander, een Waterkever of een larve, hetzij deze dieren met booze of met onschuldige bedoelingen het nest naderen. Een Waterscorpioen werd door een nestbouwend mannetje meer dan dertigmaal gegrepen en in den bek naar den anderen kant van den waterbak vervoerd! De grootte van het nest is zeer verschillend en hangt zoowel van de standplaats als van de soort van bouwstoffen af; gemiddeld is het ongeveer zoo groot als een vuist. Gewoonlijk is het langwerpig rond en van boven volkomen gesloten, aan de zijden echter met een ingang en een uitgang voorzien. Aanvankelijk ziet men er slechts één opening aan, later hiertegenover ook de tweede. Zoodra n.l. een Stekelbaars zijn nest gereed heeft, tracht hij er een wijfje in te lokken. Dit legt hier eenige eieren, boort tegenover den ingang een gat in den wand en ontsnapt. Daar het nest van nu af twee openingen heeft, kan het water er door stroomen, hetgeen voor de ontwikkeling der kiemen noodig is. Het mannetje, dat den volgenden dag een tweede wijfje naar het nest leidt en hier goedschiks of kwaadschiks kuit laat schieten, gaat op deze wijze voort, totdat het noodige aantal eieren bijeen is. Om deze tegen elken aanval te vrijwaren en te verdedigen, moet het mannetje zijn ijver en waakzaamheid verdubbelen. Iedere andere Stekelbaars, die zich in de buurt van het nest vertoont, wordt vol woede besprongen en op de vlucht geslagen; deze voorzorgsmaatregel geldt zoowel de mannetjes als de wijfjes; deze zijn niet minder gevaarlijk dan gene, eer meer dan minder belust op de eieren of de pasgeboren jongen. Tot aan het tijdstip van hun geboorte draagt het mannetje ook nog op een andere wijze zorg voor het goed gedijen zijner nakomelingen. Met den snuit herstelt hij gebreken van het nest, hetzij deze bij toeval ontstaan of door een nieuwsgierige hand veroorzaakt zijn; bovendien begeeft hij zich dikwijls vóór of in de broedruimte en brengt door een trillende beweging van de borstvinnen een verversching van het water in het nest teweeg, alsof hij weet, dat aan de eieren versche zuurstof toegevoerd moet worden. Afgunstige mannetjes, die zich waarschijnlijk van het nest willen meester maken, en snoeplustige wijfjes storen telkens weer den trouwen wachter, die, zoolang zijn diensttijd duurt, bijna aanhoudend strijd moet voeren. Nieuwe zorgen wachten hem, wanneer eindelijk de eieren uitkomen. Hij moet, om de hulpbehoevende jongen te beschermen en te verdedigen, vreemde Stekelbaarzen verjagen. Voorloopig blijft hij met zijn kroost in de onmiddellijke nabijheid van het nest, hoewel hiervan niets anders overgebleven is dan eenige in den grond vastzittende halmen. Minder moeielijk wordt zijn taak allengs, naarmate de vischjes meer en meer bekwaam worden in ’t zwemmen; hij bekommert zich niet meer om hen, zoodra zij eindelijk in staat zijn om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.

In de vrije natuur is het nest gewoonlijk grootendeels in het slijk verborgen; waarschijnlijk is het vooral hieraan toe te schrijven, dat men eerst zoo laat begonnen is te letten op de zorgen, die de mannelijke Stekelbaars aan zijne jongen wijdt.

Hoewel de Stekelbaarzen niet meer dan ongeveer 60 à 80, dus betrekkelijk weinige eieren leggen en, ondanks hunne uitmuntende verweermiddelen, door sommige vijanden, vooral door bijzonder groote Lintwormen geplaagd en geteisterd worden, hoewel zij, naar men zegt, hoogstens drie jaar leven, vermenigvuldigen zij zich soms ongeloofelijk sterk, vooral in de zoogenaamde doode armen van een rivier, in plassen of meren met stilstaand water en in vestinggrachten. In dit geval kunnen zij voor den mensch lastig worden en hem bij sommige werkzaamheden hinderen; zelfs leveren zij middellijk wel eens gevaar op voor de gezondheid van de menschen in de door hen bewoonde streek, n.l. wanneer zij in grooten getale te gelijk om ’t leven komen en hunne rottende overblijfselen de lucht verpesten. Ook in grootere plassen ziet men ze volstrekt niet gaarne, daar hun vraatzucht de vermeerdering van het aantal nuttige Visschen zeer in den weg staat; op plaatsen, waar zij zich eens genesteld hebben, kan men ze moeielijk uitroeien. De oorzaken van de groote talrijkheid dezer dieren, zijn min of meer dezelfde als voor de Muizen: het eene of andere troepje broedt ongestoord; de jongen worden schielijk geslachtsrijp, vermenigvuldigen zich eveneens en zoo kan het voorkomen, dat het na korten tijd van Stekelbaarzen wemelt op plaatsen, waar men ze vroeger niet opmerkte, totdat eindelijk een groote sterfte onder hen een opruiming houdt.

In Holstein en Sleeswijk, Zweden en Engeland worden de Stekelbaarzen in sommige jaren in grooten getale gevangen en als voedsel voor Zwijnen, Hoenderen en Eenden gebruikt, tot traan verkookt of als mestspecie op den akker gebracht. Hoewel men algemeen de Stekelbaarzen voor oneetbaar houdt, leveren zij, volgens sommigen, na behoorlijke toebereiding een smakelijke soep.

Bij de Fluitbekvisschen of Pijlvisschen (Fistulariidae) is het lichaam buitengewoon lang en vormen de voorste beenderen van den kop een lange buis, die aan haar voorste uiteinde de kleine mondopening heeft; de tusschenkaaks- en onderkaaksbeenderen dragen kleine tanden. De schubben zijn klein of ontbreken. Het stekelige deel van de rugvin bestaat uit zwakke, vrije stralen of ontbreekt geheel. De buikvinnen worden door geen andere dan zachte stralen gesteund en zijn borststandig of buikstandig, maar in ’t laatstgenoemde geval gescheiden van de bekkenbeenderen, die aan den schoudergordel verbonden blijven.

Bij het geslacht der Fluitbekken (Fistularia) komt slechts één enkele, korte, ver naar achteren geplaatste rugvin voor en heeft de in 2 lobben verdeelde staartvin een eigenaardig verlengstuk; de beide middelste stralen zijn n.l. vergroeid tot een borstelachtige draad, die bij sommige soorten het overige lichaam in lengte evenaart; de huid is wegens het ontbreken der schubben glad.

De meest bekende vertegenwoordiger van de familie en van het geslacht is de Tabakspijp (Fistularia tabaccaria), die meer dan 1 M. lang kan worden, waarvan trouwens de helft op de staartdraad komt. De bovenzijde is op bruinen grond met 3 reeksen van blauwe vlekken bezet; de onderzijde heeft een zilverwitte kleur.

De Fluitbekken zijn beperkt tot de zeeën tusschen de keerkringen, bewonen zoowel den Atlantischen als den Indischen Oceaan en komen ook in de Stille Zuidzee voor. De Tabakspijp wordt binnen de genoemde grenzen langs de oost- en westkust van Amerika aangetroffen. In haar maag vond Commerson kleine Visschen; volgens andere onderzoekers voedt zij zich ook met verschillende Schaaldieren.

De kleine onderorde der Schildbuiken (Gobiesociformes) omvat slechts één gelijknamige familie (Gobiesocidae) met een 20-tal soorten. Zij is kenbaar aan de afwezigheid van het stekelige deel van de rugvin, welker geleedstralig deel, evenals de aarsvin, geheel tot den staart beperkt blijft; de keelstandige buikvinnen omsluiten een in twee opeenvolgende stukken gesplitste hechtschijf van andere samenstelling dan die der Snottolven, daar zij niet door vervorming van de buikvinnen ontstaat, maar door een kraakbeenig uitgroeisel van het onderste been van den schoudergordel gesteund wordt.

*

De Slakdolf, Kringbuik of Zeeslakvisch [Lepadogaster (Liparis) barbatus] heeft een samengedrongen, langwerpig eivormig lichaam van ongeveer 15 cM. lengte. De borstvinnen strekken zich tot onder de keel uit en zijn hier tot een punt verlengd. De rugvin en de aarsvin zijn laag, lang en met de kleine afgeronde staartvin vereenigd; de rugvin begint boven de borstvinnen, de aarsvin is een derde korter. De kleur is lichtbruin, op de onderdeelen lichter, op de bovendeelen afgebroken door fijne, bruine, overlangsche strepen en op de vinnen door bruine, veelal op dwarsrijen geplaatste stippen.

Deze Visch bewoont de IJszee tot aan de kusten der Noord- en Oostzee. Hij wordt bij ons zoowel langs de kust als in de Zuiderzee en de Zeeuwsche stroomen aangetroffen, maar is er alles behalve gemeen. Hij voedt zich met kleine Schaaldieren en kleine vischjes. Naar men zegt, heeft het kuitschieten vroeg in het jaar plaats. (Schlegel.)

Tabakspijp (Fistularia tabaccaria). ½ v. d. ware grootte.
Tabakspijp (Fistularia tabaccaria). ½ v. d. ware grootte.

Tabakspijp (Fistularia tabaccaria). ½ v. d. ware grootte.

Van de Slangenkopvisschen (Ophiocephalidae), die een afzonderlijke onderorde (Channiformes) vertegenwoordigen, zijn een dertigtal soorten bekend; deze hebben een tamelijk langen, van achteren weinig samengedrukten, van voren bijna ronden romp, een breeden en platten, van boven met schilden bekleeden kop met ver naar voren gelegen oogen en een diep gespleten muil; de kaken en het gehemelte dragen borstelvormige tanden en eenige grootere grijptanden; de kieuwdeksels zijn geschubd, ongetand en ongedoornd. In geen der vinnen komen ongelede vinstralen voor. Hoewel zij (in tegenstelling met de leden der volgende onderorde) geen eigenlijken „doolhoftoestel” hebben ten behoeve van de ademhaling gedurende het verblijf op het land, staat hun kieuwholte met een voor ’t zelfde doel dienende, bijkomende holte in gemeenschap. De rugvin strekt zich bijna over de geheele lengte van den romp uit; ook de aarsvin is zeer lang, de staartvin afgerond; de borst- en buikvinnen wijken niet van den gewonen vorm af. Een zwemblaas is aanwezig.

„De Slangenkopvisschen,” zegt F. Day, „kunnen wegens de holten in hun kop op de wijze der Amphibiën ademen en langen tijd buiten het water verkeeren. Zij wagen zich tamelijk ver op het land, vooral wanneer dit eenigszins vochtig is, bewegen zich hier door de borstvinnen en den staart achtereenvolgens te verplaatsen en het lichaam slangsgewijs te krommen. Zij leven, naar het schijnt, steeds bij paren. Eenige soorten bewonen grasrijke moerassen of de met gras begroeide randen van de waterreservoirs, die voor de besproeiing der akkers dienen; andere houden zich op in bronnen en met water gevulde kuilen, ook wanneer deze met steenen wanden zijn voorzien, nog andere in gaten aan de oevers van rivieren. De soorten, die in moerassen of in de voor de irrigatie dienende watervergaarplaatsen leven, vestigen zich bij voorkeur op de ondiepe en met hooge grassen begroeide gedeelten dezer plassen. Onder de Visschen, die ik uit het slijk van uitgedroogde waterreservoirs heb zien uitgraven, bevonden zich eenige Slangenkoppen; de inboorlingen van Indië meenen, dat deze Visschen gedurende plasregens uit de lucht komen vallen.

„Het verbreidingsgebied van deze zoetwatervisschen omvat Beloetsjistan, Afghanistan, Britsch-Indië, Birma, Ceylon, China, Siam en de Maleische Eilanden; zij bewonen vijvers en rivieren in hooge en ver van de zee gelegen gewesten zoowel als wateren, die het verschijnsel van ebbe en vloed vertoonen. De Moerrels, zooals men ze in het noorden van Indië noemt, worden als voedsel gebruikt; de uit rivieren afkomstige smaken beter dan die, welke in langzaam stroomend of stilstaand water buitgemaakt zijn.”

*

Tot het geslacht der Slangenkoppen (Ophiocephalus), op Java Ikan-gaboes genoemd, behooren eenige soorten, van welker levenswijze men iets weet.

De Slangenkop, de Waral der Indiërs (Ophiocephalus punctatus), die het vasteland van Indië en vooral ook Ceylon bewoont, bereikt een lengte van 30 à 40 cM.; van boven is hij groenachtig grijs, van onderen witachtig grijs; op den romp ziet men donkerder dwarsbanden scheef van boven en voren naar achteren en onderen loopen.

De Keitsjel, die door de Europeanen Grondvisch, door de inboorlingen van Boetan (het zuidwestelijkste deel van het Himalaja-gebied) Boratsjoeng wordt genoemd (Ophiocephalus striatus), heeft een nog uitgestrekter verbreiding dan de vorige soort, daar men hem in Bengalen, Pegoe, Koromandel, op Java en de Philippijnen, waarschijnlijk ook op Celebes (hier nog op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte der zee) aangetroffen heeft. Hij kan meer dan 1 M. lang worden. De bovendeelen zijn dof groenachtig grijs, de onderdeelen geelachtig wit; de teekening bestaat uit onafgebroken strepen, die zich over de vinnen als stippels en vlekken voortzetten.

Volgens de berichten der Boetaneezen vindt men dezen Visch niet in rivieren, maar op volkomen droge plaatsen te midden van met gras begroeide wildernissen, soms op een afstand van 2 of meer Engelsche mijlen van het water. Door in de hier voorkomende kuilen te graven, bereikt men de waterhoudende laag, waarin deze dieren, in den regel bij paren, zich bevinden. Als men den Boratsjoeng uit zijn schuilplaats haalt en op den grond werpt, beweegt hij zich met slangsgewijze kronkelingen merkwaardig snel. Campbell geeft een eenigszins andere voorstelling van de zaak. Volgens hem zijn de holen, die de Boratsjoeng bewoont, uitsluitend aan den oever van een langzaam vloeienden stroom of van een meer, en is hun ingang gewoonlijk verscheidene cM. onder den waterspiegel gelegen, zoodat de Visch onmiddellijk uit verblijf te water kan gaan. Deze holen worden door Landkrabben gegraven en door den Boratsjoeng in bezit genomen. Toch is het bericht der Boetaneezen, dat de Boratsjoeng ook ver van het water in holen voorkomt, verre van onwaarschijnlijk, daar men de Slangenkoppen meer dan eens op het droge heeft waargenomen, waar zij als Slangen van het eene water naar het andere kropen. Misschien hadden de droge plaatsen, waar de Boratsjoeng in Boetan gevangen wordt, gedurende den regentijd onder water gestaan, en bleef hem bij ’t invallen van de droogte, niets anders over, dan in gaten van den grond, die vroeger met het water in gemeenschap stonden, betere tijden af te wachten. Hij is althans uitmuntend geschikt om geruimen tijd op het droge te leven.

Volgens Buchanan heeft deze Visch een buitengewoon taai leven; sommige exemplaren kruipen meer dan een half uur lang zonder ingewanden rond; hun vleesch is wit en gemakkelijk verteerbaar, hoewel niet zeer smakelijk. De meeste Europeanen op Java zijn afkeerig van deze slangachtige Visschen; door de Chineezen en inlanders worden zij met graagte gegeten.

Aristoteles spreekt van Visschen in de omstreken van Heraclea Pontica, die zich, als het water van de rivieren en meren verdampt, het vocht volgend, in den modder begraven, hier, terwijl de bovenste aardlaag verhardt, als ’t ware in slapenden toestand verkeeren, maar zich bij aanraking krachtig bewegen. Diep in het slijk, aldus vult Theophrastus het bericht van zijn meester aan, laten deze Visschen hunne eieren achter, die zich ontwikkelen, zoodra de bodem weer met water bedekt is. Bovendien zeggen de genoemde uitmuntende schrijvers der oudheid, dat er in Indië Visschen leven, die soms de rivieren verlaten en als Vorschen over land naar een ander water trekken. Waarschijnlijk berusten deze volkomen juiste mededeelingen op persoonlijke ervaringen van Grieken, die aan den krijgstocht van Alexander den Grooten naar Indië deelnamen. Zij leiden tot het vermoeden, dat de bedoelde Visschen met eigenaardige, bij andere leden hunner klasse niet voorkomende ademhalingswerktuigen voorzien zijn. Longen hebben zij niet, maar wel organen, die een soortgelijken dienst kunnen vervullen. Visschen, die uit het water genomen worden, sterven, omdat hunne kieuwen verdrogen en voor de ademhaling ongeschikt worden, hetwelk een storing in den bloedsomloop veroorzaakt: zij stikken, evenals een hooger Gewerveld Dier, dat men den hals dichtbindt. Hoe grooter de kieuwspleet, hoe fijner de vertakking der kieuwen, des te spoediger volgt de dood. Sommige Visschen sterven bijna oogenblikkelijk nadat zij boven water gebracht zijn; anderen kunnen uren lang buiten water verkeeren: onze Karpers verdragen een mijlenverre verzending over land, wanneer zij in vochtige doeken ingepakt zijn. Dezelfde werking als de natte doeken heeft het door de bovenste keelbeenderen gevormde „doolhoftoestel”, waaraan de Doolhofkieuwigen (Labyrinthibranchii) hun naam danken. Dit orgaan bestaat uit buitengewoon dunne, oorschelpvormige, concentrisch bijeengevoegde beenplaatjes, welker aantal mettertijd toeneemt. Zij begrenzen een zeer uitgebreid stelsel van fijne tusschenruimten, die bij het ademen met water gevuld worden en dit bij kleine hoeveelheden tegelijk aan de kieuwplaatjes afgeven, die hierdoor vochtig en voor het opnemen van zuurstof (ook uit de lucht) geschikt blijven. Met uitzondering van een enkele soort van kleine, op Borneo, Bankan en Billiton voorkomende zoetwatervisschen, die de familie van de Snoekkopvisschen (Luciocephalidae) vormen, worden alle Doolhofkieuwigen in de familie der Doolhofvisschen (Labyrinthici) vereenigd. Ook deze behooren in zoetwater thuis. Alle leden van deze familie bewonen de Oude Wereld; zij zijn het talrijkst gevonden in Oost-Indië (met de omliggende landen) en Zuid-Afrika.

De Klimbaarzen (Anabas) kenmerken zich door een langwerpig ronden, zijdelings zwak samengedrukten romp; het voordeksel is gaafrandig, het kieuwdeksel aan den rand getand; de rugvin en de aarsvin zijn lang, haar voorste gedeelte wordt gesteund door vele dikke, spitse stralen; de borst- en de buikvinnen en de staartvin zijn betrekkelijk kort.

De Indische Klimbaars, op Java Ikan-betokh genaamd, de Pannei-eri of Sennal der Tamils, de Kaweja der Singalezen, de Koi van andere Indiërs (Anabas scandens), bereikt soms een lengte van meer dan 20 cM.; hij is op den rug bruinachtig groen, op den buik geelachtig; de rugvin en de aarsvin zijn paars, de buikvinnen en de borstvinnen roodachtig; de staartvin heeft dezelfde kleur als de rug. Enkele exemplaren zijn met donkerder strepen en lichtere vlekken geteekend, andere vrij wel effenkleurig.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Indië, Birma, Ceylon, de Maleische eilanden en de Philippijnen. Haar woonplaats heeft zij in de stroomende en stilstaande wateren dezer landen; stroomafwaarts ontmoet men haar echter tot dicht bij den mond der rivier, waar bij vloed zeewater binnenstroomt; zij schuwt derhalve het brakke water niet.

Twee Arabische reizigers, die tegen het einde van de 19e eeuw Indië bezochten, hoorden hier spreken over een Visch, die, zijn element verlatend, zich over land naar de kokospalmen begeeft, deze beklimt, om palmwijn te drinken en vervolgens naar het water terugkeert. Een zendeling, die in de laatste helft van de vorige eeuw Indië doorreisde, nam verscheidene exemplaren van de bedoelde soort naar Europa mede en bevestigde het bericht, dat deze Visch met de als een zaag getande kieuwdeksels en scherpstekelige vinnen de langs den oever groeiende palmen beklimt, terwijl het regenwater bij hun stam neervloeit. Verscheidene uren kan hij op het droge leven en door vreemdsoortige krommingen van den romp vooruitkomen. Hij houdt zich gewoonlijk in modderpoelen op, wordt gevangen en als spijs gebruikt.

De reizigers en onderzoekers uit lateren tijd spreken volstrekt niet over een boomen-beklimmenden Pannei-eri; wel bevestigen zij het bericht, dat deze Visch nu en dan over land tochten onderneemt en zich gedurende het droge jaargetijde in het slijk der uitgedroogde wateren verbergt. Hierover heeft Tennent nauwkeurige mededeelingen gedaan, die op persoonlijke waarnemingen en op berichten van betrouwbare ooggetuigen berusten. Zoo schreef hem o.a. een zekere Morris, regeeringsbeambte te Trinkonomali op Ceylon: „Onlangs bezichtigde ik den rand van een grooten vijver, welks dam hersteld moest worden. Het water was nagenoeg geheel verdwenen; een kleine kolk was al, wat er van overbleef. Terwijl wij op een hooger gelegen plek stonden, om het voorbijtrekken van een onweer af te wachten, zagen wij aan den rand van den ondiepen kolk een Pelikaan, die druk aan ’t eten was. Dit trok de aandacht van onze Indische begeleiders, die er op afgingen en „Visschen, Visschen!” riepen. Ter rechter plaats gekomen, zagen wij in de geulen, die de zooeven gevallen regen gevormd had, een menigte Visschen voortkrabbelen en door het gras naar boven kruipen. Hoewel het water nauwelijks toereikend was om hen te bedekken, kwamen zij snel vooruit. De lieden uit ons gevolg raapten er ongeveer 2 schepels van op, de meeste op een afstand van 30 M. van den vijver. Alle deden hun best om den dam op te klauteren, welks kruin zij waarschijnlijk bereikt zouden hebben om zich langs de andere helling naar een geschikte waterplas te begeven, indien de Pelikaan en later wij hen niet gestoord hadden. Het waren blijkbaar Visschen van dezelfde soort als die, welke wij in de uitgedroogde vijvers aantroffen.”

Indische Klimbaars (Anabas scandens). ½ v. d. ware grootte.
Indische Klimbaars (Anabas scandens). ½ v. d. ware grootte.

Indische Klimbaars (Anabas scandens). ½ v. d. ware grootte.

„Hoe meer de watervergaarplaatsen uitdrogen, des te meer hoopen de hier wonende Visschen zich op in de kleine plassen, die nog water bevatten of in den vochtigen modder. Hier ziet men ze bij duizenden dooreenkrioelen in het brijachtige slijk. Als ook dit verdroogt, begeven zij zich over land naar andere vijvers, die nog water bevatten. Eens zag ik er honderden in de nabijheid van een zoo even door hen verlaten vijver; zij verspreidden zich in verschillende richtingen en vervolgden hun weg ten spijt van alle bezwaren en hinderpalen. Daar de bedoelde plas tot dusver als drinkplaats gediend had voor de tamme en wilde dieren uit de buurt, was de grond hier overal ingetrapt; niet weinige Visschen vielen in de diepe, door voetstappen veroorzaakte kuilen, waaruit het voor sommige niet mogelijk was weg te komen, zoodat Wouwen en Kraaien een rijke vangst deden. Ik kreeg den indruk, dat deze verhuizingen uitsluitend ’s nachts plaats hadden, want ik heb nooit anders dan gedurende de morgenuren trekkende Visschen gezien. Ook heb ik opgemerkt, dat de exemplaren, die ik levend opzocht en in een tobbe met water hield, over dag rustig bleven, des nachts echter pogingen deden om hun gevangenis te verlaten en dikwijls werkelijk ontsnapten.”

Deze zelfde Visschen begraven zich zoo noodig in ’t slijk; misschien doen zij dit, na vooraf getracht te hebben water te vinden; misschien geven zij zich deze moeite niet eens, steken dadelijk den snuit in den modder en dringen, de vochtigheid volgend, hierin door. Volgens de aan Tennent verstrekte opgaven hangt de diepte, waarop men ze vindt, van de gesteldheid van den grond af. De aardlaag, die hen bedekt, heeft een dikte van ½ M. of meer, is dikwijls in alle richtingen gebarsten en zoo droog, dat zij bij ’t oplichten in stukken valt. De Visschen zelf liggen in een laag, die gewoonlijk nog eenigszins vochtig is, doch, naar het schijnt, ook wel kan uitdrogen, zonder dat hun leven gevaar loopt. De inboorlingen graven gedurende de droogte uit de diepste gedeelten van de bedding der vijvers de Visschen op; deze liggen bewegingloos in het slijk, dat hen aan alle zijden omgeeft, maar beginnen zich dadelijk te bewegen, nadat men ze er uitgehaald heeft.

Onmiddellijk na de eerste regenbuien, als de watervergaarplaatsen sinds weinige uren, of hoogstens dagen, gevuld zijn, houden de Singaleezen zich ijverig met de vischvangst bezig. Zij maken hiertoe gebruik van een korf zonder bodem, die zij, door de plas wadend, voor zich uit duwen en met den benedenrand in den grond steken, zoodra er Visschen in zijn, die er vervolgens van boven met de hand uitgenomen worden.

Op Java ziet men den Klimbaars soms op aanmerkelijken afstand van het water, waar hij uren achtereen over den grond kruipt; ook kan hij met de stekels van de buikvinnen en de randen der kieuwdeksels bij de dooreengewarde wortels der rhizophoren of wortelboomen, die de kust omzoomen, opklimmen en hier zijn prooi belagen.

*

Een door fraaie kleur, eigenaardigen vorm en merkwaardige levenswijze uitmuntende soort van Doolhofvisschen, die door de Chineezen sinds lang gefokt wordt, heeft men in Frankrijk voor ’t eerst leeren kennen door de exemplaren, die de Fransche consul Simon uit Ningpo overzond. Deze Visch, die zich in de gevangenschap zonder bezwaar voortplant en thans een sieraad van menig aquarium uitmaakt, is een door kweeking verkregen ras van de Grootvin [Polyacanthus (Macropodus) viridi-auratus] en wordt door de liefhebbers meestal Paradijsvisch genoemd. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Veeldoornen (Polyacanthus), dat 7 soorten van Oost-Indische zoetwatervisschen omvat. Deze hebben een langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, talrijke stekels in de rugvin en aarsvin, kleine tanden in de kaakbeenderen en een tandeloos gehemelte. Zij onderscheiden zich bovendien door een eigenaardige inrichting ter beschutting van het doolhoftoestel, bestaande uit een kegelvormige holte aan weerszijden van het voorste deel der wervelkolom, aan welks vorming de 5 eerste wervels en hunne ribben deelnemen. Bij de bedoelde variëteit zijn de achterste gedeelten van rugvin en aarsvin zeer groot en van achteren tot een punt uitgetrokken, de staartvin zeer groot, tweelobbig, halvemaanvormig. De bruinachtige kleur van de bovenzijde gaat naar onderen in grijsgroen over; de teekening bestaat uit afwisselende, geelgroene (of blauwachtige) en roodachtige dwarsstrepen; het groene kieuwdeksel prijkt met een gelen rand. Bij het wijfje zijn de vinnen minder ontwikkeld en de kleuren doffer. Lengte: 8 à 9 cM.

Van het leven van den Paradijsvisch in de vrije natuur is ons niets bekend; sommige onderzoekers beschouwen hem als het voortbrengsel van een lang voortgezette teeltkeus. In China wordt hij algemeen gekweekt en nagenoeg op dezelfde wijze als onze Goudvisch behandeld; veel eerder dan deze zal hij zich echter in een beperkte ruimte voortplanten. Zijn leven in den gevangen staat wordt door Benecke op de volgende wijze beschreven: „De dieren kwamen in goeden welstand aan en begonnen, toen zij in een bak van ongeveer 40 liter inhoud gebracht waren, onmiddellijk de kleine Schaaldieren, larven van Muggen en Wormen te verslinden, die tusschen de waterpest (Elodea canadensis) rondzwommen. Reeds in de eerste dagen moesten zij hun levenswijze veranderen. Toen zij de tot voedsel geschikte dieren verbruikt hadden, verving ik deze door 2 soorten van kleine Schaaldieren, Watervlooien (Daphnia) en Schelpvlooien (Cypris). De laatstgenoemde diertjes hadden zij bij mij en waarschijnlijk evenmin vroeger leeren kennen; zij grepen ze zeer dikwijls, maar lieten ze aanvankelijk steeds kopschuddend weer los. Na verloop van 2 dagen echter wilden zij niet anders dan Schelpvlooien eten en lieten de Watervlooien onaangeroerd, hoewel ik vele van deze diertjes in het water bracht; slechts nu en dan hapten zij naar een buitengewoon vet exemplaar. Aanvankelijk had ik mij hun eetlust minder groot voorgesteld: dit bleek mij, toen ik eens geen kleine Schaaldieren of larven van Insecten had kunnen krijgen. Zij verslonden toen met smaak niet slechts zeer kleine, maar ook groote Regenwormen, zelfs exemplaren, die 5 à 8 cM. lang en 2 mM. dik waren.

„Kort na hun aankomst, vooral in de voormiddaguren, als de stralen van de morgenzon af en toe hun woning verlichtten, begonnen deze Visschen hun bekoorlijk minnespel. Dit gaat, als naar gewoonte, gepaard met het toenemen van de schoonheid en volheid der kleuren, die weer verflauwen, wanneer men het paar scheidt. Ongeveer 4 weken later had de romp van het wijfje een grooteren omvang verkregen en begon het mannetje een nest te bouwen. Met dit doel kwam het telkens aan de oppervlakte van ’t water, vulde den bek met lucht en liet deze daarna onder water in kleine, door een speekselvliesje omhulde bellen weer ontwijken; hierdoor ontstond een tamelijk stevig samenhangende laag van luchtbellen, die dikwijls door nieuwe vervangen werden. Het mannetje stond gewoonlijk onder deze laag in den eenen hoek van den bak, het wijfje in den tegenovergestelden hoek; om te spelen begaven beide zich echter naar het midden van den bak, waar geen planten waren.”

Nu begint het eieren leggen. Deze vallen slechts bij uitzondering op den bodem, maar stijgen in den regel naar den waterspiegel en blijven hangen of zweven aan de onderzijde van het uit schuim bestaande nest, waaronder het kuitschieten steeds plaats vindt. Die, welke op den bodem vallen, worden door het mannetje opgezocht en in het nest gebracht. Na verloop van eenigen tijd, in ’t geheel ongeveer 10-maal per dag, herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. In de tusschenpoozen en ook na afloop van het kuitschieten tot aan het te voorschijn komen der jongen, is het mannetje telkens bezig met herstellingen aan het nest te verrichten en de eieren zoo te rangschikken, dat er één onder iederen schuimbel ligt; tevens waakt het ijverig en zorgvuldig voor de veiligheid van eieren en kroost. Ongeveer 24 uren na het leggen van het ei, wordt de donkere kiemvlek op den lichtgelen dooier zichtbaar; één dag later kan men het hart zien kloppen; 12 à 18 uren daarna wordt het ei verlaten door het jonge vischje, dat nog geen mondopening heeft en op een zeer kleine kikkerlarve gelijkt; op den 5den of 6den dag heeft het den vorm zijner ouders verkregen; in de 8e levensmaand is het volwassen. Zoolang het nog de hulp van de ouders behoeft, is het mannetje vol zelfverloochenende zorg. Op gelijke wijze als de mannelijke Stekelbaars houdt ook de Grootvin het jonge, onrijpe kroost bijeen en handhaaft streng de orde onder zijne kinderen. Zoodra een van de jonge vischjes zich te ver uit de buurt begeeft, grijpt hij het met den muil, slikt het in spuwt het weder uit in het tot beschutting dienende schuimnest. Op een even zonderlinge als doeltreffende wijze toont hij, naar men zegt, zijn zorgvuldigheid voor zieke of achterlijke jongen: zulk een schepseltje wordt met een vooraf gemaakte luchtbel omhuld en op deze wijze als ’t ware tot een nieuw leven opgewekt. Zoodra de jongen de hulp van den vader niet meer noodig hebben, laat deze hen aan hun lot over, en ziet er zelfs, evenals het wijfje, geen bezwaar in, ze te verslinden. De jongen voeden zich aanvankelijk met het schuim van het nest, later met uiterst kleine Infusiediertjes, vervolgens met verschillende voor het ongewapende oog zichtbare lagere dieren en ten slotte op dezelfde wijze als hunne ouders.

Zoowel door de hierboven beschreven handelingen en gewoonten, als door hun verrassende vruchtbaarheid, verdienen de Paradijsvisschen ten zeerste de belangstelling van alle liefhebbers van dieren. Men bericht, dat een enkel paar van deze Visschen gedurende één zomer 6-maal kuitgeschoten, telkens 400 à 600 jongen grootgebracht en dus aan niet minder dan 3000 nakomelingen het leven geschonken heeft. Waarschijnlijk zal daarom dit dier hoe langer hoe meer voor aquariën gebruikt worden en misschien den Goudvisch zoo niet geheel, dan toch ten deele verdringen.

*

Vermelding verdient nog de Goerami of Ikan-goerami (Osphromneus olfax), de koning der Javaansche zoetwatervisschen, wiens smakelijk vleesch zoowel door Europeanen als door inlanders hoog geschat wordt. Deze zeer groote Visch, die soms meer dan 2 M. lang en ruim 10 KG. zwaar wordt, heeft, evenals de andere leden van zijn geslacht, een zijdelings zeer sterk samengedrukt lichaam van onregelmatige eivormige gedaante, aan den buik sterker buitenwaarts gekromd dan aan den rug, een kleine mondopening met naar voren verschuifbare tusschenkaaksbeenderen en eenigszins vooruitstekende onderkaak, fijne, fluweelachtige tanden in beide kaken, fijne tandjes aan den rand van het voordeksel en aan het onderoogkasbeen, een aarsvin, die de rugvin verre in de lengte overtreft en buikvinnen, waarvan de eerste straal zeer sterk borstelvormig verlengd is. Hij heeft een roodachtig bruine rugzijde met donkerder dwarsstrepen; de zilverkleurige buik is als ’t ware met bruine, halvemaanvormige vlekken geteekend, omdat de overigens licht gekleurde schubben een bruinen rand hebben; aan den wortel van iedere borstvin bevindt zich een onregelmatige, zwarte vlek.

Riemvisch (Regalecus Banksii). ​1⁄12​ v. d. ware grootte.
Riemvisch (Regalecus Banksii). ​1⁄12​ v. d. ware grootte.

Riemvisch (Regalecus Banksii). ​1⁄12​ v. d. ware grootte.

De Goerami bewoont de Groote Soenda-eilanden. Hier leeft hij op de wijze van onze Karpers in stille, overvloedig met planten begroeide zoetwaterplassen; hij geeft aan zuiver water de voorkeur, doch gedijt ook in modderige vijvers en poelen, verbergt zich gaarne in holen en voedt zich met plantaardige stoffen. Wegens zijn vleesch, dat, naar gezegd wordt, boven dat van alle overige zoetwater- en zeevisschen te verkiezen is, kweekt men hem in en bij Batavia in vijvers of houdt hem in groote steenen potten, waarvan het water iederen dag ververscht moet worden. De gevangen dieren worden gevoed met een zoetwaterplant (Pista natans); deze gewone spijs kan men echter zeer goed vervangen door voedsel, dat ook hier verkrijgbaar is: kool, salade, zuring, rapen, zemelen, brood, rijst, maïs, boonen en gekookte aardappelen; bovendien eet dit dier ook Wormen, Insecten, kleine Visschen en Vorschen, zelfs stukjes vleesch, hetzij rauw of toebereid. De pogingen om den Goerami, die wegens de taaiheid van zijn leven, de gemakkelijkheid, waarmede hij gevoed kan worden en de kwaliteit van zijn vleesch ten zeerste aanbeveling verdient, ook in andere landen te acclimatiseeren zijn velerwege (Penang, Malakka, Mauritius) uitmuntend geslaagd en doen elders (zelfs in Europa) een goeden uitslag verwachten.

Ook de Goerami onderscheidt zich door de zorg, die de ouders voor de eieren en de jongen dragen. In een eivormig nest, dat in een hoek of tusschen waterplanten gebouwd wordt, legt het wijfje 800 à 1000 eieren, die zich aanvankelijk met de bestanddeelen van hun nest voeden.

De 18de onderorde van de Stekelvinnigen is die der Lintvisschen (Taeniiformes); zij vormen één gelijknamige familie (Trachypteridae) en kenmerken zich door een lang en hoog, zijdelings zeer samengedrukt en dus lintvormig lichaam met kleinen kop en groote, uitpuilende oogen; de mondopening is klein en kan tot een korten snoet verlengd worden; deze is tandeloos of met zwakke tandjes gewapend; de rugvin, die zich over de geheele rugzijde uitstrekt, wordt gesteund door ongelede stralen, behalve op den kop, waar zich buigzame stekels bevinden, die zich door een eigenaardigen vorm en een buitengewone lengte onderscheiden; de buikvinnen zijn een weinig achter de meestal zeer kleine borstvinnen aangehecht en soms sterk ontwikkeld; de aarsvin ontbreekt; de staartvin is onbeduidend en niet in de lengteas van het lichaam gelegen, maar naar boven gericht; de wervels zijn zeer talrijk. De huid bevat uiterst kleine schubben of is naakt.

De Lintvisschen, waarvan 3 geslachten met 16 soorten onderscheiden worden, leven op aanzienlijke diepten en bewonen waarschijnlijk alle zeeën; slechts zelden en steeds in dooden toestand wordt er een enkel exemplaar van gevonden. Ten gevolge van de vermindering, die op de spankracht der gasvormige bestanddeelen van het lichaam bij den overgang uit de diepte naar de oppervlakte der zee ondergaat, zijn het spierweefsel en het van nature zacht en poreuze beenweefsel zoo onsamenhangend, dat het bijna niet mogelijk is dergelijke exemplaren onbeschadigd uit het water te halen; zij gaan zeer spoedig tot ontbinding over en kunnen dikwijls zelfs in spiritus niet goed bewaard worden. Van de levenswijze dezer dieren is niets bekend.

Chipfish of „Spaanvisch” (Trachypterus arcticus) noemen de Engelschen een, naar het schijnt, uit noordelijke zeeën afkomstige Lintvisch, die herhaaldelijk aan de kusten van Groot-Brittannië, vaker evenwel aan die van Skandinavië en IJsland aangespoeld is, maar zoowel hier als daar zelden voorkomt. Deze Visch heeft bij een lengte van 150 een hoogte van 20 en een dikte van slechts 2 cM.; hij gelijkt dus werkelijk op een houtspaander. De kop en de romp zijn zilverwit, gene grijsachtig gemarmerd, deze aan weerszijden met twee schuins geplaatste, eivormige vlekken geteekend; de vinnen hebben een lichtroode kleur. De staartvin, die bij volwassen exemplaren slechts zelden aangetroffen wordt, is waaiervormig naar boven gericht. De buikvinnen zijn goed ontwikkeld, uit verscheidene min of meer vertakte stralen samengesteld. Aan de kusten van Europa en aan de westkust van Zuid-Amerika heeft men nog 8 andere soorten van hetzelfde geslacht aangetroffen.

*

Den 23en Februari 1788 strandde op de kust van Groot-Brittannië een Visch, die 2.5 M. lang, 24 cM. hoog, 6 cM. dik en 20 KG. zwaar was. Men noemde dit aan alle visschers onbekende dier Paddlefish (Riemvisch), omdat zijn vorm aan een roeiriem herinnerde. Een tweede exemplaar van dezelfde soort, ruim 4 M. lang, 30 cM. hoog en 8 cM. dik, werd den 18en Maart 1796 gevonden. In ’t geheel zijn van 1759 tot 1878 zestien Riemvisschen op de Britsche kust aangespoeld (één daarvan was 6 M. lang en slechts ongeveer 5 cM. dik); het is echter niet uit te maken, of zij alle tot dezelfde soort behooren als de eerstgenoemde. Bij deze (Regalecus Banksii) bedraagt de lengte van den kop ​1⁄16​, de hoogte van den romp ​1⁄13​ van de totale lengte. De snuit is afgeknot, de mond tandeloos, de bovenkaak verschuifbaar. De groote oogen zijn zijdelings voor en boven aan den kop gelegen en beslaan niet minder dan ⅙ van de lengte van den kop. Een vliezige zoom strekt zich uit langs den buik. Van de 264 à 290 rugvinstralen zijn de 12 à 15 eerste sterk verlengd, aan den top een weinig achterwaarts gebogen en hier voor een deel tot dubbele dikte verbreed; eenige daarvan zijn tot dicht bij de spits door een vlies vereenigd, de overige vrij; de korte stralen steunen een vinvlies van gelijkmatige hoogte; de borstvinnen zijn klein; elke buikvin bestaat uit één zeer langen en spitsen straal. De romp is met talrijke beenige schildjes bedekt, waarvan de grootste op vier langs de zijden van den romp hoekig uitpuilende kanten voorkomen en de overige onregelmatig verstrooid zijn. De teere, witte kleur vertoont een zilverachtigen glans; de teekening bestaat uit afgebroken, donkere strepen. De vinnen zijn oranjegeel.

De zeldzaamheid van deze Visschen en de toestand, waarin zij bij het aanspoelen verkeeren, pleiten ten gunste van de onderstelling, dat zij in diepe lagen van de zee leven. In verband met de vroeger heerschende onjuiste meening, dat uit de IJszee de haringscholen afkomstig zijn, heeft men den Riemvisch ook wel „Haringkoning” genoemd, evenals de Zonnevisch.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings