← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters

De Insecteneters (Insectivora). (continued 2)

Reading edition

Wallace zag dit dier op Singapore en Borneo, overvloediger echter op Sumatra in de omstreken van Palembang. “Het is,” zegt hij, “traag in zijne bewegingen, althans over dag; bij het beklimmen der boomen gaat het slechts eenige voeten achtereen voort en houdt dan een oogenblik stil, als ware het vermoeid van den arbeid. Gedurende den dag is het doorgaans in rust, vastgeklampt aan de stammen der boomen. Zijn olijfkleurige of bruine vacht, besprenkeld met onregelmatige, witachtige vlekken, gelijk volkomen op de kleur van een met mos begroeiden stam, en strekt dus zonder twijfel tot bescherming van het dier. Eens, bij heldere schemering, zag ik een dezer dieren op een tamelijk open plaats tegen een boomstam oploopen, en vervolgens in schuinsche richting door de lucht naar een anderen boom zweven, dien het nabij het ondereind bereikte, en waarin het onmiddellijk begon op te klimmen. Ik paste den afstand tusschen de beide boomen af, en bevond, dat deze omstreeks 210 voet bedroeg; daarentegen schatte ik het bedrag der daling slechts op 35 à 40 voet; deze is dus minder dan één op vijf. Dit bewijst, naar het mij toeschijnt, dat het dier eenig vermogen moet bezitten om zich in de lucht te sturen, daar het anders bij zulk een verren afstand geringe kans zou hebben om juist op den stam terecht te komen. De Galeopithecus voedt zich met bladen, heeft een zeer omvangrijke maag en lange, ineengekronkelde darmen. De hersenen daarentegen zijn zeer weinig ontwikkeld; de staart dient het dier waarschijnlijk om zich gedurende den maaltijd nog beter vast te houden. Het onderscheidt zich door zulk een taai leven, dat het bijna niet mogelijk is, het door een der gewone middelen van kant te maken. Men zegt, dat dit dier slechts één jong werpt, en mijn eigene waarneming bevestigt deze bewering; want ik schoot eens een wijfje met een zeer klein blind en naakt schepseltje aan haar borst geklampt; het was geheel kaal en sterk gerimpeld, zoodat het mij de jongen van Buideldieren in het geheugen riep, tot welke het in enkele opzichten een overgang schijnt te vormen. De vacht, die zich van den rug over de ledematen en het vlies uitstrekt, is kortharig, maar uiterst zacht; haar samenstelling gelijkt op die van de Chinchilla-vacht.” Het vel wordt deswege als pelswerk hoog geschat.

Kagoeang (Galeopithecus volans). 1/6 v. d. ware grootte.
Kagoeang (Galeopithecus volans). 1/6 v. d. ware grootte.

Kagoeang (Galeopithecus volans). 1/6 v. d. ware grootte.

Op den bodem beweegt dit dier zich met moeite en op een onbeholpen wijze. Jagor kreeg op Samar, een van de Philippijnen waar de Huidvliegers niet zeldzaam zijn, een levend wijfje met haar jong. “Het scheen een onschadelijk, onbehendig dier te zijn. Toen het van zijne banden bevrijd was, bleef het op den bodem liggen, alle vier ledematen zijwaarts gestrekt, zoodat de buik op den grond rustte, en bewoog zich vervolgens met korte, logge sprongen, zonder zich daarbij op te heffen, naar den naastbijgelegen wand, die uit geschaafde planken bestond. Toen de Kagoeang daar aangekomen was, tastte hij lang met de binnenwaarts gekromde, scherpe klauwen van zijne voorpooten rond, tot het hem eindelijk duidelijk werd, dat het hem onmogelijk zou zijn op deze plaats omhoog te klauteren. Zoodra het hem gelukt was, in een hoek, of door gebruik te maken van een toevallig aanwezige spleet, eenige voeten omhoog te klimmen, viel hij weldra weer naar beneden, omdat hij het betrekkelijk veilige standpunt van zijne achterpooten liet varen, voordat de klauwen van de voorpooten een nieuw aanhechtingspunt hadden gevonden; de val veroorzaakte hem echter geen leed, daar de schok door de snel uitgespannen vlieghuid gebroken werd. Het dier had zijne vergeefsche pogingen zoo vaak herhaald, dat ik er niet verder op lette, en—na verloop van eenigen tijd was het verdwenen. Ik vond het in een donkeren hoek onder het dak terug, waar het waarschijnlijk den nacht wilde afwachten om de vlucht verder voort te zetten. Blijkbaar was het er in geslaagd den bovenrand van het planken beschot te bereiken en zijn lichaam tusschen dezen rand en den vast daarop liggenden, veerkrachtigen, van bamboes gevlochten zolder heen te wringen. Het arme dier, dat ik voorbarig voor dom en onhandig had gehouden, had dus in de bestaande omstandigheden de grootst mogelijke behendigheid, schranderheid en volharding getoond.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings