← Table of contents
Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner

HOOFDSTUK III.

Reading edition

HET MAATSCHAPPELIK EN HUISELIK LEVEN IN ENGERE ZIN.

Nu ik uiteen gezet heb, uit welke personen de Kaapse maatschappij van de eerste helft der achttiende eeuw bestond en onder welke invloeden van binnen en van buiten ze zich langzamerhand had gewijzigd, wil ik trachten een beeld te scheppen van het huiselik en maatschappelik leven aan de Kaap in die tijd.

In de allereerste plaats dienen we dan onze aandacht te vestigen op de huizen van die tijd.

Een schets van de huizen van Kaapstad in de tweede helft der 18de eeuw zegt het volgende:

„Wanneer men oppervlakkig ziet, heeft geen plaats meer het voorkomen van welvaart dan de Kaap. De huizen zijn niet zonder zwier; zommigen zelfs met pracht gebouwd; van buiten met wit of geel en op enige weinige oude na, alle vierkant; velen met platte daken, waar op men wandelende een aangenaam gezicht over het land of de baai heeft; sommigen hebben twee, andere drie verdiepingen; velen hooge stoepen en alle schuiframen. Van binnen is de bouworde algemeen ingericht naar het klimaat. Eerst heeft men een lange breede gaanderij, aan welker achtereinde vier of zes slavinnen op kleine houten bankjes zitten te naaijen of te breijen. Deze gaanderij waarin men meest zit, eet, ontbijt en leeft, is het gewoon vertrek. Ter wederzijde heeft men kamers, die allen, evenals de gang zelve, met groote vierkante roode steenen, bevloerd zijn, hetwelk, gevoegd bij de hoogte der verdiepingen, veel koelte geeft. Een klein vertrek, dat in de gaanderij uitkomt en waarin eetwaren, tafelgoederen en droge provisiën bewaard worden, noemt men de dispens, en de keuken, die achter in het huis is en overal op een binnenplaats uitkomt, heet de kombuis. In weinige huizen vindt men stookplaatsen, doch dezen beginnen langzamerhand veld te winnen. Boven is het vrij algemeen slechter betimmerd; al het fraaije van het huis en de meubelen vindt men omlaag voor het oog blootgesteld. Dit voorkomen van welvaart in de huizen vertoonen ook de tafels, die met een aantal schotels, aangenaam en kostbaar klaargemaakt, opgevuld, en omringd zijn van slaven van welken sommigen met een groen tak, of wel met een waaijer van paauwen-vederen, de vliegen van de spijzen houden en anderen de aanzittende gasten bedienen. Op een afstand staan weder anderen, die de schotels verruilen of dranken aanreiken, die men niet op tafel vindt; alles zodanig ingericht, dat men bij de voornaamste lieden in de Republiek noch beter eet, noch beter gediend is.”

In de loop van een halve of driekwart eeuw was er al aardig wat veranderd in de stad, want in 1714 schrijft Valentijn over de huizen in Kaapstad:

„Zij zijn meest van Kaapze klippen gebouwt en doorgaans daarom maar van eene verdieping.”

Meestal zijn ze met riet gedekt. Ze hebben „twee Zaletten aan de straat, en verscheide middel- en agterkamers en ook veeltyds een groote plaats agter”28).

Toch waren niet alle huizen zo eenvoudig meer, want dezelfde schrijver verhaalt ons, dat het huis van Henning Husing en dat van de Fiskaal Blesius in 1705 reeds twee verdiepingen hadden.

Dat van Husing kan wel een mooi huis geweest zijn, daar het, de voor die tijd enorme som van tien duizend Rijksdaalders, gekost had.

De stoep rond het huis bestond uit rode tegels, helder geschuurd of uit blauwe van Robben-eiland.

Buiten Kaapstad zelf waren de huizen natuurlik niet zo mooi, hoewel ze niettemin op sommige plaatsen er vrij fraai uitzagen.

Sparrman vertelt, dat de meeste huizen wit gepleisterd waren van buiten en sommige groen geschilderd. Want zegt hij: „De geliefkoosde kleur voor kleren, boten, schepen en huizen is groen bij de Hollanders.”

Sommige huizen waren toen reeds (1772), met platte leien gedekt in plaats van met stro.

Dit schijnt echter nog slechts sporadies te zijn voorgekomen, want op een andere plaats zegt dezelfde schrijver, dat zeer vele huizen nog met riet gedekt waren en zelfs de kerk, wat hem gelegenheid geeft om te zeggen, dat de Hollanders niet meer zorg besteedden aan Gods huis dan aan hun eigen.

Trouwens de beschrijving van de huizen van Kaapstad, die ik boven aanhaalde, ging niet algemeen door, want mensen van mindere stand moesten zich tevreden stellen met kleinere huizen, die bestonden uit een galerij, een kamer aan iedere kant en de keuken achter29).

Men ziet echter, dat ze wel volgens hetzelfde plan waren ingericht.

De kosten zelfs van deze huizen waren nog hoog genoeg.

Een rieten dak van een dubbelhuis kostte 300 of 350 Rijksdaalders30).

Daar stond tegenover, dat een dak vrij lang duurde, wel van 20 tot 30 jaar31).

Buiten Kaapstad had men natuurlik bij de boerderijen korenhopen staan, zoals men die tegenwoordig nog bij hollandse boerderijen ziet.

Tot 1706 had men die onbedekt gelaten, maar in dat jaar vielen er zeer zware regens en die deden veel schade aan het opgestapelde graan, zodat men toen begon ze van een dak te voorzien, om het koren tegen de regen te beschermen32).

Bij de boerderij lag ook meestal een soort van kraal, waarin het koren werd gedorst.

Een bepaalde ruimte werd goed effen gemaakt en daarop kwam dan een laag van koeiemest en gehakt stro, die men liet verharden.

Dit werd de dorsvloer. Het koren werd in een cirkel op de grond uitgespreid en dan werden binnen de omheining, die gewoonlik van dorenstruiken was gemaakt, eenige paarden losgelaten. In het midden van de kring stonden een of meer slaven met lange zwepen, die de paarden moesten aanjagen. Door het trappen der paarden werd dan het koren zo ongeveer uitgedorst.

De methode was verre van zindelik, maar ze was vlug en kostte niet veel moeite.

Als men meende, dat het koren bijna allemaal uit de aren was, werd het bijeengeveegd en dan werd het in de wind opgeworpen om zodoende het kaf er uit te doen verdwijnen.

Men ziet, dat het bij dit alles zeer primitief toeging.

Bij de huizen stonden verder de slavewoningen, die, in de tijd toen men nog de zinkplaten van tegenwoordig niet tot zijn beschikking had, vanzelf zeer gebrekkig waren33).

De gastvrijheid van de bewoners van de Kaapkolonie wordt door alle reizigers om 't zeerst geroemd.

Het was een gastvrijheid, die niet bestond in veel woorden, maar die zich uitte in daden.

Woorden verspilde de boer niet veel, vooral ook omdat er zo verbazend weinig onderwerpen waren, waarover hij kon spreken met zijn bezoekers, als dat niet even als hij boeren waren.

Kranten bestonden niet aan de Kaap. Zelfs een postdienst was in 1795 nog onbekend. Boeken waren slechts bij uitzondering aanwezig.

De Bijbel en het gezangboek van Willem Sluyters waren de enige boeken, die men kende.

Een enkele, zoals Adam Tas, mocht daarop een uitzondering maken (zie zijn dagboek), maar die uitzonderingen waren hoogst zeldzaam. Van alles, wat er buiten zijn eigen kringetje gebeurde, wist de boer dus zo goed als niets.

Nu en dan mocht hij eens wat nieuws horen van een andere boer, die een reis naar Kaapstad had gedaan, maar dat was de enige kans, die hij had.

Wanneer dus reizigers uit Europa, 't zij Hollanders, Engelsen of Zweden bij hem kwamen, dan waren zij voor hem als wezens uit een andere wereld.

Om deze reden nu horen we meestal van reizigers, dat ze grote moeite hadden om enkele woorden aan de boeren te ontlokken. Daarom ook juist werden ze meestal voor veel dommer gehouden dan ze waren.

Want inderdaad dom waren ze in 't geheel niet. Ze bezaten geen boeke-kennis, maar als 't op gezond verstand aankwam, hadden ze hun meester niet.

In hun voortdurende strijd met wilde dieren, met ontvluchte slaven of Bosjesmannen werd hun geest gescherpt en door het bestuur der Kompanjie werden ze er ook dikwels toe gebracht om hun natuurlik verstand tot minder eerlike middelen te gebruiken om aan gehele ondergang te ontkomen.

Maar dat was hun schuld niet.

En Bernardin de St. Pierre is voorzeker dichter bij de waarheid, als hij in 1771 schrijft van hen: „Deze mensen, tevreden met huiselik geluk, het zeker gevolg van een deugdzaam leven, zoeken geen verstrooiing in romans of toneelvoorstellingen,” dan Captain Percival, die op blz. 204 en 205 van zijn „Account of the Cape of Good Hope” een oordeel neerschrijft over de kaapse boeren en boerinnen, dat te schandelik is om het hier te herhalen, maar dat, helaas, door zeer veel schrijvers van later tijd is overgenomen, zij het dan ook in wat zachter vorm.

Toch moet erkend worden, dat het oordeel van Bernardin de St. Pierre ook niet al te letterlik moet opgevat worden.

Sparrman vertelt b.v. dat, toen hij op een boerderij kwam en daar een en ander vertelde omtrent het land, waar hij vandaan kwam en wat hij aan de Kaap kwam doen, de boerin van verbazing de handen ineen sloeg en uitriep, dat ze niet kon begrijpen, hoe het mogelik was, dat iets anders dan absoluut gebrek aan de allernoodzakelikste levensbehoeften in eigen land iemand er toe kon brengen om naar een land als de Kaap te komen.

Maar laat ik op hun gastvrijheid terugkomen.

De opvatting, die ze daarvan hadden, was zo buitengewoon breed, dat we onwillekeurig terug moeten denken aan de oude Germanen, bij wie ze als de hoofddeugd werd beschouwd.

Als een boer een gast zag aankomen, ging hij hem tegemoet, drukte hem de hand, vroeg hem naar zijn gezondheid en bood hem ogenblikkelik voedsel en verfrissende dranken aan.

Let wel, het was niet eerst een angstvallig vragen, wie de aankomer was, om te weten te komen, of men hem zou ontvangen of niet.

Neen, daarnaar vroeg men niet. Hij was een gast en dat was genoeg. Een breder en schoner opvatting van gastvrijheid is zeker wel niet mogelik!

Dan werd de gast binnengeleid door de voordeur, die dikwels versierd was met een hangslot in de vorm van een of ander dier, welke sloten aan de Kaap vrij algemeen waren en uit China waren ingevoerd34), en vervolgens maakte hij kennis met de vrouw des huizes, die, als ze gezeten was, niet opstond, maar met een hoofdknik de gast begroette.

Hij werd onthaald op wat er in het huis te krijgen was en men beschouwde dit als iets, dat vanzelf sprak. Het aanbieden van geld voor deze gastvrijheid werd als een belediging beschouwd.

Des avonds werden van het gehele huisgezin de voeten gewassen. Deze gewoonte was wel noodzakelik, daar zelfs de meisjes de gehele dag blootsvoets liepen.

Dit gebruik heeft lang stand gehouden, tot zelfs onder voortrekkers.

Mevrouw Generaal Piet Joubert, nu pas overleden, vertelt in haar herinneringen (in de „Volkstem” verschenen) dat zij voor de eerste maal in haar leven een paar kousen aankreeg op haar trouwdag.

Aan de gast werd eveneens deze eer bewezen en daarna ging men ter ruste.

De mannelike leden van het gezin drukten de gast de hand en de vrouwelike gaven hem een kus.

Daar dit gold voor de oudere zowel als voor de jongere vrouwelike leden van 't gezin, zegt Le Vaillant hiervan zeer guitig „dat dit een voorrecht was, waaraan plichten waren verbonden”35).

Sparrman is vol lof over de ontvangst bij een boer, die hij Van der Spoei noemt.

Te voren had hij over de ontvangst bij een ander geklaagd, maar hij vertelt er zelf bij, dat daar de baas niet thuis was, zodat hij feitelik gastvrijheid van de slaven genoot. Geen wonder, dat het eten enz. dat men hem aanbood, niet al te goed was.

In 't algemeen was het voedsel, dat de boeren zelf gebruikten, zeer voedzaam, te voedzaam zelfs, zodat zich na hun dertigste jaar steeds een neiging tot zwaarlijvigheid vertoonde.

Daar kwam natuurlik ook bij het gebrek aan beweging. Dit gold vooral voor de vrouwen.

Zij hadden hun slaven en slavinnen en deden de hele dag niet veel anders dan bevelen geven. In koud weer zaten ze met de voeten op een stoof en in elk jaargetijde stond de nooit lege koffiepot onder haar bereik en werd geregeld duchtig aangesproken. Dat in warm weer de niet-noodzakelikheid van arbeid soms tot luiheid werd, is duidelik.

Ik geloof echter niet, dat het algemeen was, dat die luiheid zover ging als in 't geval van de boer in de Karroo, waarvan Sparrman vertelt.

Deze reiziger was ongelukkig genoeg juist bij een boer aan te komen om de weg te vragen, toen deze zich gereed maakte zijn middagdutje te genieten.

Zonder op te staan wees hij met de voet de richting, waarin Sparrman gaan moest en sliep toen weer in, zonder zich met hem verder te bemoeien36).

De dagverdeling van de boeren was als volgt:

Vroeg in de morgen stond men op en nadat men koffie had gedronken, deed men samen het morgengebed, waarbij dan gewoonlik ook een psalm of een gezang uit het boek van Willem Sluyters werd gezongen.

Dan ging men naar de kralen om te zien of met het vee nog alles goed ging en als het in de oogsttijd was, werd een paar uur voor het ontbijt gewerkt aan het binnenbrengen van 't koren of 't persen van de wijn.

Het ontbijt werd gebruikt om 7 uur. Dan werkte men in de drukke tijd door tot 11 uur en gebruikte het middagmaal. Om vier uur at men weer en om 8 uur werd het avondmaal gebruikt37).

Daarna had men weer een godsdienstoefening voor het gehele gezin en om 9 uur lag ieder in bed.

Vooral in de zomer was het de gewoonte om na het middagmaal een slaapje te doen. Ieder ging naar een donker gemaakte kamer en vermeed op die manier de ergste hitte van de dag.

Dit was zozeer een algemene gewoonte geworden, dat in de tweede helft der achttiende eeuw zelfs de winkels in Kaapstad van 1 tot 3 uur in de namiddag gesloten waren, omdat de winkeliers evenveel recht hadden op een middagdutje als andere mensen!

We hebben gezien, hoe de huizen er van buiten uitzagen. We willen nu nagaan, hoe 't met de meubelen stond.

Le Vaillant zegt: „Al de meubelen zijn getuigen van eenvoudige en edele smaak. Er zijn geen tapisserieën en enkele schilderijen en spiegels vormen de voornaamste ornamenten.”

Veel van de meubelen in de 17de en 18de eeuw waren gelijk aan die in Engeland en Holland gedurende diezelfde eeuwen.

Maar van het metalen vaatwerk kwam er veel uit het Oosten. Zo vinden we b.v. opgetekend een order voor metalen potten, pannen enz. ten behoeve van het hospitaal onder Simon van der Stel.

De woorden van Le Vaillant gelden echter weer alleen hoofdzakelik van Kaapstad. Op de boerderijen was men niet zo goed voorzien, vooral niet op de boerderijen, die ten oosten van Stellenbosch lagen.

Ook waren b.v. de meubelen meestal kostbaarder en rijker in Stellenbosch dan in Fransche Hoek. En dit was geen wonder. De bevolking van Fransche Hoek bestond in 't begin der achttiende eeuw bijna uitsluitend uit Hugenoten, die uit hun land gevlucht waren met achterlating van al hun have en goed.

Daardoor waren zij veel armer dan de bewoners van Stellenbosch en hadden dus geen geld om dure meubelen aan te schaffen.

Zij moesten zich behelpen in velerlei opzichten, zowel als de boeren in het binnenland.

Meestal kwamen de verder af wonende boeren slechts ééns in hun leven in Kaapstad, dat was, wanneer ze voor 't Huwelikshof moesten komen om te trouwen. Geen wonder, dat ze dus vaak hun eigen meubelmakers moesten wezen. Als we bedenken, dat zelfs in Stellenbosch eerst in 1742 de eerste slagerswinkel werd geopend, dan kan het geen verwondering wekken, dat meubelmakers geheele onbekend waren buiten Kaapstad.

Ruwe houten stoelen met zittingen van riempjes, door de boeren zelf gesneden en tafels, door hen zelf getimmerd, vormden zowat het enige meubilair in de woonkamer, terwijl de slaapkamers voorzien waren van „katels” (ledikanten), die eveneens het werk van de boer zelf waren.

Aardewerk was grotendeels onbekend in de huizen van de boeren. Op de lange en moeilike reis over de ruwe en hobbelige wegen van Kaapstad naar hun boerderij brak het bijna allemaal, als ze nog de moeite deden om het mee te brengen.

Het werd gewoonlik op zeer doelmatige wijze vervangen door houten vaatwerk of door kalebassen, die voor allerlei doeleinden gebruikt werden.

Over de eerste rij bergen was geen enkele winkel van manufakturen, kruideniers-waren of aardewerk.

Alles, wat op dit gebied nodig was, moest dus òf door de boer zelf meegebracht worden, als hij eens per jaar misschien eens een wagen met produkten wat dichter naar de beschaafde wereld bracht, òf het moest verkregen worden van de rondtrekkende „smousen”, die echter in die tijd ook nog vrij zelden zich vertoonden ver van Kaapstad.

Het merkwaardige van 't geval was, dat deze lieden, die in zulke armoedige omstandigheden leefden, vaak rijk konden genoemd worden.

„Daar zijn plaatsen van 4000, 5000, 10.000, ja van 20.000 Kaapse guldens ijder tot 16 stuivers gerekend,” zegt Valentijn.

En Sparrman deelt mee, dat eigenaars van honderden schapen rondliepen met lappen op hun ellebogen. De kinderen waren vaak in schapevachten gehuld als de Hottentotten38).

Hij vond maar één man in de gehele kolonie, die wol wist te spinnen.

Ze moesten ook hun eigen schoenen maken natuurlik. Nu, leer hadden ze genoeg, want wild was er nog in overvloed en ossen hadden ze ook veel.

Als merkwaardigheid deel ik mee, dat Sparrman eens een boer ontmoette, die schoenen aan had, welke van leer van een leeuwehuid vervaardigd, gemaakt waren. Het was zeer zacht en buigzaam39). Dit zal echter wel een uniek geval zijn geweest.

Voor kleren gebruikte men ook vaak leer, zelfs ongelooid in plaats van geweven stoffen om de veel grotere duurzaamheid.

Doch gewoonlik bezaten de boeren behalve hun gewone werkpak, dat meestal zijn ontstaan aan huisvlijt te danken had, een blauw pak, dat alleen voor de dag kwam, als ze naar een nachtmaal of naar Kaapstad gingen en in 't laatste geval nog eerst, als ze bij de ingang van de stad waren40). Dat duurde dan misschien hun gehele leven.

Door de weinige aanraking, die ze hadden met de beschaafde wereld, begonnen vanzelf ook de behoeften der boeren te verminderen. Vaak zelfs vervielen ze tot een zekere mate van slordigheid, die uitkwam in de weinige zorg, die ze aan 't in- en uitwendige van hun woningen besteedden.

Sparrman vertelt, dat hij bij een boer kwam, die slechts één stoel had, waarvan dan nog een paar poten waren afgebroken en die toch zó, als hij was, gebruikt werd, door hem tegen de muur te zetten. Dit is echter een feit, dat niets bewijst. Dergelijke dingen komen nu nog voor. Slordigheid zal wel even goed toen bestaan hebben als nu.

Maar, als hij dan tevens vertelt, dat 2 personen uit dezelfde schotel aten en dat diezelfde schotel dienst deed voor alle gerechten aan 't maal, dat verder elke gast zijn eigen mes meebracht en dat men in plaats van een vork zich vaak van de vingers bediende41), dan komt het daarin duidelik uit, dat we te doen hebben met mensen, die 't zich niet graag lastig maken en die eenvoudig zich afvragen: „Kan het zó ook niet?” in plaats van de vraag te stellen, die de beschaafde stedeling stelde toen als nu: „Hoort het wel zo?”

Lepels werden vaak gemaakt van de hoorns van hartebeest en gnoe.

De huisindustrie kwam verder alleen tot uiting, als de noodzakelikheid tot het een of ander aanwezig was.

Zo maakten de kolonisten zelf hun zeep en hun kaarsen.

Van de as van het ganna-bosje maakten ze loog. Deze werd met allerlei dierlike vetten vermengd en dan liet men het mengsel vier of vijf dagen en nachten lang doorkoken, terwijl men van tijd tot tijd roerde en nieuwe loog toevoegde42).

De zeep, die niet voor eigen gebruik nodig was, werd soms naar Kaapstad gezonden en daar ingeruild voor tee en suiker43).

Inkt vervaardigde men ook en wel door bruine suiker met roet en water te vermengen43).

Hiermee is alles opgenoemd, wat in die tijd onder de naam van Zuidafrikaanse industrie kon doorgaan.

Daaruit volgt natuurlik ook, dat een reiziger uit Kaapstad des te liever gezien werd, naarmate hij meerdere artikelen bij zich had, waar men op de boereplaatsen verlegen om was.

Om in 't binnenland te verkopen nam Sparrman b.v. op zijn tocht mee koffie, sjokolade en suiker, omdat die artikelen lang niet overal gemakkelik te krijgen waren. Daar kon een mooie winst op gemaakt worden, maar bovendien deed men er de boeren een groot genoegen mee. Ook nam hij naalden mee.

Die werden tegen buitensporige prijzen verkocht.

Wijlen Mevrouw Joubert, wier herinneringen ik hierboven aanhaalde, vertelt immers ook nog, hoe ze soms uren lang naar één verloren naald moest zoeken als kind en hoe ze zelfs aan een gebroken naald op een steentje weer een nieuwe punt moest slijpen, omdat dit artikel zo schaars te krijgen was.

Opmerkelik is ook, dat men een pas moest meenemen, daar de boeren last hadden gekregen om ieder, die zonder pas reisde, naar de Kaap te zenden.

In Kaapstad en Stellenbosch kwam het natuurlik niet voor, dat rijke mensen zich zo moesten behelpen. Zij waren daar in kontakt met de europese beschaving en daarom is het ook geen wonder, dat zij meer geld besteedden aan sieraden en meubelen dan de boeren, die in 't binnenland woonden.

Op 25 Junie 1709 werd een slaaf gehangen wegens diefstal, omdat hij in Stellenbosch in een huis was binnengedrongen en daar had gestolen: 139 Rijksdaalders, een zilveren beurs met 8 diamanten, een met zilver gemonteerde gordel, een vest met 24 zilveren knopen, 16 andere zilveren knopen en een zilveren broekknoop44).

In de boedel van de Weduwe van Michiel Ley, die in 1719 te Kaapstad stierf waren: „een swart ebbenhoute rustbank met een chitse sprey; stinkhoute ledikant met blaeuw behangsel, bed en verder toebehoren; Oost Indis kisje met koper beslag; spiegels met swart ebbenhoute lijsten; verkeerbort; paar bever vrouwe handschoenen; handmofjes; vaderlandse servetten; fluwele bonet; fijne Suratse combaars; damaste samaren; roode citse samaar”, enz.

Bij de allerrijkste mensen vond men soms de hoorn van een jonge rhinoceros, gezet in goud en zilver en zó tot een beker gevormd. Die waren zeer veel geld waard, soms wel 50 Rijksdaalders en werden zelfs als geschenken aan koningen gegeven. Dit kwam, doordat men meende, dat ze de eigenschap hadden, om vergif aan te tonen in dranken, die men er ingoot45).

Wanneer men over deze periode spreekt en dan woorden als armoede en rijkdom gebruikt, dan dient men natuurlik goed te weten, wat daar in die tijd mee bedoeld werd.

Over de salarissen der ambtenaren sprak ik vroeger. Daarmee heb ik aangetoond, met hoe weinig de Kompanjie meende, dat men kon toekomen.

Als voor deze mening enige grond aanwezig was, dan moet die natuurlik kunnen gevonden in de zeer lage prijzen voor de noodzakelikste levensbehoeften en klederen in die tijd.

Laten we daarom even nagaan, hoe 't met deze prijzen stond.

Henning Husing had in 't begin der eeuw een kontrakt voor vijf jaren voor de leverantie van vlees aan de Kompanjie en de burgers. Dit kontrakt bepaalde, dat hij aan de Kompanjie vlees zou leveren voor 1 st. en 6 duiten per pond en aan de burgers voor 2 st. per pond. Volgende kontrakten werden op dezelfde voorwaarden gesloten46).

In 1698 waren, zegt Leguat, de levensmiddelen zeer goedkoop, want het brood kostte maar 1 st. per pond.

Het schapevlees ging van 1705 tot 1713 nog belangrijk in prijs achteruit, want Valentijn verhaalt, dat het in het laatstgenoemde jaar voor de burgers maar 13 duiten per pond kostte.

Hij vertelt er tevens bij, dat de leverantie aan de Kompanjie per jaar 20 à 30.000 gulden bedroeg. Er werd dus aardig wat vlees gebruikt door de Kompanjie.

Het is best mogelik, dat sommige reizigers veel onzindelike mensen hebben aangetroffen; de prijs van de zeep was daar dan stellig de oorzaak van.

Leguat zegt tenminste, dat die in 1698 drie schellingen per pond kostte. Ik heb hiervan geen nadere bevestiging kunnen vinden, zodat ik geneigd ben, dit voor een vergissing te houden.

Het schapevlees rees nu en dan zeer in prijs, tengevolge van ziekten en droogte. In 1714 rees het b.v. tot 3 st. en 2 duiten per pond, een voor die tijd buitengewoon hoge prijs.

Het koren, dat in die tijd in Nederland slechts 4 gulden per mud kostte, was aan de Kaap steeds 7½ gulden op zijn minst en gewoonlik veel meer.

Vooral was dit natuurlik het geval in tijden van schaarste.

Zo schrijft Tas in zijn dagboek op 14 Aug. 1705, dat Hans Kasper bij hem om koren kwam vragen en „hij wilde graag 15 guldens voor de mudde betalen.” Maar hij kreeg het niet.

Want Tas schrijft er verder bij:

„Men verteld my dat d'E. Comp. voor 't koorn tegenwoordig à 14 guldens de mudde betaald, dan den Gouverneur is genoeg bekend als datter geene der burgers jegenwoordig koorn heeft.” „De ordinary prijs” was 8½ guldens zegt hij dan.

In 1714 kwam er een onbekende ziekte onder 't vee en zó moeilik was het in 1718 om slachtvee te krijgen, dat voor het kontrakt voor levering van vlees aan de Kompanjie geen enkele inschrijving kwam.

De prijs van schapen steeg tot 6 à 9 gulden, en trekossen kostten 50 gulden.

Daar staat nu weer tegenover, dat het vlees omstreeks 1750 zeer goedkoop was, zodat men het voor 6 duiten per pond verkocht.

Uit Leibbrandt's „Journal” 15 Julie 1711 en 15 Des. 1711 blijkt, dat men de prijs van een brood dezelfde liet, maar dat men eenvoudig het gewicht naar gelang van de prijs van 't koren veranderde.

Op 15 Julie werd bepaald, dat men ⅞ pond voor 1 st. zou krijgen. Dit werd op 15 Des. 1⅛ pond voor 1 st.

In 1716 zegt het „Journal” werden van alle kanten klachten gehoord over de sterfte onder 't vee.

Op 14 Sept. vinden we opgetekend, dat het schapevlees 1 st. per pond in prijs steeg en zo een prijs werd, waar nooit bij menseheugenis van gehoord was.

Valentijn geeft ons een heel overzicht van de prijzen van verschillende zaken in 171447). Hij zegt, dat de schepen soms 3, 4 of 5 weken in de Tafelbaai bleven liggen. Dan gingen de passagiers een kosthuis zoeken in de stad. Ze betaalden 1 Rijksdaalder per dag en kregen daarvoor 3 maaltijden.

Dienstboden en kinderen betaalden maar ½ Rijksdaalder per dag.

Arme mensen konden ook per maal bediend worden. Dit kostte dan 12 stuivers. Kaaps bier werd gratis geschonken als bij het maal behorende, maar franse wijn of hollands bier moesten zeer duur betaald worden.

De vaten voor de wijn der boeren moesten alle in Holland gemaakt worden en waren, zoals ik vroeger opmerkte, daardoor zeer duur.

Een legger (± 5¾ H.L.) kostte 6 Rijksd. of soms zelfs het dubbele. Een half aam kostte 1½ Rijksd.

Vaak namen schepelingen ingelegde groenten of vruchten mee en behalve de prijs voor 't vat betaalde men dan: voor een half aam ingelegde kool 4 Rijksd. voor een half aam kweeperen 2 of 3 Rijksd. en voor 100 kolen 4 Rijksd.

Boter kostte in 't land 12 stuivers maar in Kaapstad 16 stuivers.

Appels waren 1 st. per stuk. Mooie peren zoals de „bon Chrétien” 2 st. per stuk; een pond druiven 2 st. Smeerkaarsen kostten een schelling, soms zelfs 2 schellingen per pond.

Hout was natuurlik altijd zeer duur aan de Kaap.

Thunberg zegt, dat de planken 2 schellingen per voet kostten48).

En Sparrman deelt mee, dat een spar van 20 voet lang en 1 voet in diameter 5 Rijksd. kostte.

Er werd in 't algemeen weinig aanmoediging aan de handwerkslieden gegeven. De houtskool, die de smeden van de Kompanjie moesten kopen, was b.v. ook zeer duur. Ze kochten nominaal 36 schepels, maar kregen er nooit meer dan 32 en betaalden daarvoor de enorme som van 18 Rijksd.

Voor 100 pond ijzer betaalden ze 8 Rijksd.49).

Geen wonder dan ook, dat zelfs de ploegscharen uit Europa moesten gezonden worden50).

Tas vertelt in zijn dagboek, dat hij voor 20 paar kousen 10½ Rijksd. betaalt; voor 30 ellen baai 15 Rijksd. Maar dit waren artikelen, die aan hem uit Nederland waren gezonden.

Als zijn knecht Ary verdronken is (17 Des. 1705), dan betaalt hij „voor 't doodkleed en 't aanspreeken” 7 Rijksd. „zijnde 't geen daartoe staat.”

Op 25 Des. 1705 betaalt hij voor 4 pond koffiebonen 1 schelling per pond en verkoopt 200 mudden tarwe à 9 gulden per mud.

De daglonen schijnen niet zo laag geweest te zijn als men zou verwachten.

Tas schrijft op 29 Jun. 1706 dat Willem Nel voor hem heeft gewerkt 15½ dag à 1 gld. „Voor een vragt door hem voor ons na de Caab gereden” ƒ 12.—.

2 mudden Erten verkoopt hij op die dag voor 16 Rijksd.

Een legger kaapse wijn kostte 40 Rijksd. Die van Constantia kostte echter 80 Rijksd. voor vreemdelingen. Maar de Kompanjie gaf niet meer dan 25 Rijksd.51)

Aan de Kaap kostte de Constantia, in 't klein verkocht, 2 Spaanse dollars (ƒ 6.60) per fles.

Ten slotte dit: Op 26 Julie 1703 vroeg Ds. Bek om een som als schadeloosstelling voor het gemis van een woning. Hem werd 6 Rijksd. per maand toegestaan52). Dit zal dus waarschijnlik in die tijd ongeveer de huur van een fatsoenlik huis hebben vertegenwoordigd.

Op 26 Febr. 1710 kreeg dezelfde Ds. Bek 3 Rijksd. voor het aanschaffen van 2 ladingen hout. Die ladingen waren stellig niet groot of de Kompanjie heeft er zich goedkoop af gemaakt, want Valentijn zegt, dat als iemand 't hout kopen moest om te branden, hem dit wel 5 of 6 gulden per week zou kosten.

De duurte van dit hout was misschien de reden, waarom men naar andere brandstoffen uitzag. Valentijn ten minste zegt: „Bij Draakestein ligt de plaats van den Borgermeester Abraham Villiers, daar men alleen zeer goede steenkoolen uitgraaft.” Later heeft men daar niet meer van gehoord, zodat het wel schijnt of de exploitatie van de mijn geen voldoende resultaten heeft opgeleverd.

Misschien ook is het met de mijn gegaan als met zovele andere ondernemingen uit die tijd. Men ving met iets aan, maar had vaak òf niet de bekwaamheid òf niet het geduld de aangevangen taak voort te zetten.

Bij landbouwprodukten was het klimaat ook vaak een beletsel.

Zo adviseerde Rijklof van Goens, toen hij in Stellenbosch was, de bewoners van die plaats om vlas, hennep en indigo te planten, maar de proeven met deze teelt mislukten.

In 1726 kwam François Guillaumet als ekspert voor de zijdeteelt uit Europa om te trachten hier een bloeiende zijde-industrie te doen ontstaan. Maar ook dat mislukte. Het eerste jaar kreeg men 8 pond zijde. Maar nooit heeft men het verder gebracht dan 10 pond per jaar.

Zó graag had men die teelt hier zien gelukken, dat men zelfs eieren van de zijderups aan de burgers uitreikte. In hoever dit later het monopolie van de Kompanjie zou getroffen hebben, is natuurlik niet te zeggen, maar ze zou er wel weer een middel op gevonden hebben.

In 1735 moest men echter de proef opgeven als mislukt.

De teelt van Angora-geiten werd in 1724 begonnen, maar ook in 1735 opgegeven, daar ze als niet lonend genoeg werd beschouwd.

In 1705 wendden de Heren Zeventien pogingen aan om de boeren er toe te brengen zich op de teelt van wolschapen toe te leggen.

De vrees voor schurft bij de schapen was echter groot en het schaap, dat men wilde invoeren, scheen daar meer vatbaar voor te zijn dan de soort, die men had en die men voor 't vlees hield.

W. A. van der Stel begon echter met de proef in ernst en het scheen wel, of hij die zou doen gelukken ook; maar juist toen werd hij teruggeroepen.

Isaac Taillefer, een Hugenoot, was begonnen met hoeden te maken van Kaapse wol, maar toen hij stierf, hield deze industrie op.

Met de wijn-produktie ging het ook al niet naar wens.

In 1672 was de eerste brandewijn aan de Kaap gestookt53). Maar de algemene opinie hierover was nog minder gunstig dan die over de wijn.

In 1719 vroegen de Heren Zeventien om monsters van wijn. Zes halve amen werden gezonden, maar toen die in Amsterdam aankwamen, werd de wijn ongeschikt voor 't gebruik bevonden.

Men probeerde later nog de verzending in grotere vaten en in flessen. Maar de uitkomst was telkens dezelfde.

Alleen in de produktie van koren had men eindelik zijn doel bereikt, namelik om de Kaap te maken tot een land, dat meer zou doen dan in zijn eigen behoeften voorzien.

Men was eerst verplicht geweest rijst van Java in te voeren en de mensen waren daar langzamerhand zó aan gewoon geraakt, dat men geen energieke pogingen deed om de koren-produktie te vermeerderen.

In 1676 onder Isbrand Goske had men zelfs gevraagd om de prijs van de rijst te verminderen. Gelukkig was dit geweigerd.

Vooral Simon van der Stel heeft zijn best gedaan om het voorgestelde doel te bereiken en bij het begin der achttiende eeuw was men zover, dat geregeld koren werd uitgevoerd.

Een enkele maal, zoals in 1700, was men nog verplicht, wegens misgewas, rijst in te voeren, maar in 1706, na een zeer regenachtig oogstseizoen, dat veel schade had gedaan aan 't koren, kon men toch nog 1400 mudden naar Batavia zenden.

Van die tijd af was de strijd gewonnen54). De enige strijd, die er nog voortdurend op dit gebied bleef bestaan, was die over de prijzen, die de Kompanjie zou betalen. Het koren, dat uit Bengalen en Surate werd ingevoerd op Java, kon daar goedkoper verkocht worden en dit gaf vaak aanleiding tot pogingen om de prijzen van 't kaapse graan te verminderen.

Deze pogingen leden echter steeds schipbreuk, wat ik boven vermeldde.

Hoewel de boeren te kampen hadden met allerlei ziekten van 't vee, zoals het mond- en klauwzeer, dat in 1723 voor de eerste maal verscheen, de paardeziekte, die in 1719 in Zuid-Afrika kwam enz., is de eerste helft der achttiende eeuw bijna geheel vrij geweest van de sprinkhaneplaag.

In 1695 hadden ze hun verschijning gemaakt aan de Kaap en niet meer vóór het jaar 1746 keerden ze weer. Dit was dus een groot voordeel voor de landbouw en dientengevolge ook voor de veeteelt.

De wilde-dieren-plaag, die soms de veeteelt zoveel schade had gedaan, was nog niet geheel uitgeroeid, maar in elk geval lang niet zo algemeen meer als het geval was geweest.

Op 29 Julie 1705 schrijft Tas in zijn dagboek: „Wij vinden op ons land dicht na 't land van Botma vers leeuw of tijgerspoor.”

Op 4 Februarie 1706 vermeldt hij, dat er 7 wilde honden onder de schapen waren gekomen en daar schade hadden aangericht. Maar het feit, dat hij dit zo uitdrukkelik vermeldt, bewijst wel, dat het een niet zo algemeen voorkomend geval meer was.

Toch, zodra men van de dorpen verwijderd was, schijnt men nog al wat gevaar te hebben gelopen, tenminste Valentijn verhaalt op blz. 113 van zijn werk over verschillende gevallen van ontmoetingen met leeuwen op weg van de Kaap naar Stellenbosch en Draakestein.

De premies voor het doden van wilde dieren werden in 1739 verminderd, wat ook bewijst, dat er niet meer zó'n last van ondervonden werd.

Voor 't doden van een leeuw werd in plaats van 17 rkd. tans 10 rkd.; voor het doden van een luipaard 6 rkd. in plaats van 10 rkd. en voor 't doden van een hyena 2 rkd. in plaats van 3 rkd. betaald.

Bovendien moesten de gedode dieren zelf aan 't Kasteel of aan de Drostdij te Stellenbosch worden vertoond. Deze maatregel was nodig geworden, doordat slimme boeren een vrij voordelige handel hadden weten te drijven in huiden van de bovengenoemde dieren met de Hottentotten, die het wild soms dagreizen ver van het distrikt, waar de huid werd afgeleverd, hadden gedood.

Wat Thunberg en Stavorinus vertellen, dat namelik de leeuwen enz. levend moesten afgeleverd worden om de premie te krijgen, is natuurlik een sprookje55).

Deze premies werden betaald uit een belasting, die bekend is onder de naam van leeuw- en tijgergeld. Stavorinus vertelt, dat dit voor iedere burger 4 rijksdaalders voor leeuwegeld en 2 gulden voor tijgergeld bedroeg.

Kolbe noemt ook nog de wilde olifanten, elanden en bokken, die soms veel schade konden doen aan 't koren.

Heel wat moed en behendigheid moet er toe nodig geweest zijn om deze wilde dieren zover uit te roeien, als we de middelen in aanmerking nemen, die de Kapenaars van die tijd ten dienste stonden tot dat doel.

Want zelfs in 1792 nog spreekt Cornelius de Jong zijn verbazing er over uit, dat men toen zulke uitstekende geweren had aan de Kaap, dat het mogelik was een bok op 80, 90, ja zelfs op 100 passen te doden.

Als dat in die tijd nog zo'n verbazing kon wekken, behoeven we niet te vragen, hoe de wapens een kleine honderd jaar vroeger waren.

Toch dorst men met zulke middelen op de olifantsjacht gaan.

Thunberg ontmoette in 1773 een zekere Jacobus Botha, die toen 81 jaar was. Hij had veel geld verdiend met de verkoop van olifantstanden, die de Kompanjie tegen 1 gulden per pond opkocht.

De moed, waarvan ik zo even sprak, was een hoofdtrek van het karakter van de Kolonisten. Door hun voortdurend leven in de openlucht, omringd door gevaren van wilde dieren en Bosjesmannen, werden hun zenuwen gestaald en zij werden de beste pioniers, die men zich denken kon.

De Voortrekkers van Bloedrivier en Vechtkop hadden hetzelfde onbuigzame en taaie karakter van de achttiende-eeuwers nog, dat hen in staat stelde daden te volbrengen, die door alle eeuwen heen met bewondering zullen worden aangehoord en ons gewone stervelingen zullen doen uitroepen: „En in die dagen waren er reuzen op aarde.”

Door hun trekken kregen de kolonisten een hekel aan alles, wat naar dwang zweemde. Ze wilden liefst maar zo ver mogelik af zijn van de stad, waar de handelaars woonden, die altijd trachtten misbruik te maken van hun lichtgelovigheid en onwetendheid.

Wat ze nodig hadden, werd dus door hen niet in de eerste plaats in Kaapstad gekocht of zelfs maar uit Kaapstad verkregen.

Als ze samenkwamen in de dorpen tot het vieren van het nachtmaal, dan was daar allicht te krijgen, wat ze nodig hadden.

Kolbe verhaalt, dat bij de kerk van Draakestein een soort markt was, waar de boeren kruidenierswaren enz. kochten, als ze daar kwamen.

Verder had men de rondtrekkende kooplieden, die natuurlik de boeren even hard beet namen, maar deze voelden zich, ook al werden ze beet genomen, niet zo hulpeloos overgeleverd aan de listen en lagen van geldgierige kooplui, zolang ze maar op hun eigen grond en in hun eigen omgeving waren.

Hierboven deelde ik met een enkel woord mee, dat in 1742 de eerste slagerswinkel te Stellenbosch werd geopend. De primitieve toestand van het winkelwezen komt ook duidelik uit, wanneer men de bepalingen leest, die daarbij werden gemaakt.

Pieter Wium was de slager, die in de winkel zou wonen. Hij moest twee keer per week op Woensdag en Zaterdag, gezond, vers schapevlees te koop aanbieden tegen 2 st. per pond en een schelling voor 4 pond en hij zou voor die prijs aan niemand mogen weigeren vlees te verkopen. Vier keer per jaar zou hij op dezelfde kondities ook rundvlees moeten verkopen.

Indien hij zich niet aan deze voorwaarden hield, zou hij 25 rkd. boete moeten betalen aan de armekas.

Maar niet alleen Stellenbosch was nog in zijn eerste ontwikkelingsperiode, Kaapstad was ook bij lange na nog niet, wat men een „stad” kon noemen.

Valentijn spreekt nog steeds, zoals ik vroeger opmerkte, over het „vlek”.

En hoe de toestanden er waren, blijkt b.v. ook uit het „Journal”, waar we aangetekend vinden, dat er in 1710 besloten werd een behoorlike muur om de begraafplaats te bouwen, daar deze open lag en men varkens en andere dieren wilde beletten de grond om te wroeten en zo de lijken te schenden.

En zelfs in 1792 zegt Cornelius de Jong nog: „De Kaap, niet bestraat zijnde, is in den regentijd een algemeene dijk, hetwelk de laarzen zeer noodzakelijk maakt. De goten, die wijd zijn, midden door de straten loopen en meesttijds het water niet kunnen verzwelgen moet men bij sterken regen overspringen”56).

Toch volgde men in het huiselik leven de hoofse zeden van de Europese steden.

Voor dat men aan tafel ging, bracht een slavin bij ieder der gasten een bekken water en een handdoek en datzelfde gebeurde, als ze opstonden. In de huizen van de rijken stond zelfs achter iedere stoel een slaaf met een palmblad om koelte toe te wuiven of om de vliegen te verdrijven, die plaag, waarover zo vele reizigers aan de Kaap al geklaagd hebben57).

De gastvrijheid der buitenlieden, waarover ik vroeger gesproken heb, bestond echter in Kaapstad niet. Men kon er onderdak krijgen, maar tegen betaling.

Velen in Kaapstad leefden zelfs van dit houden van kosthuizen en konden dus onmogelijk zo vrijgevig zijn met hun gastvrijheid als de lieden buiten de stad.

Het gebrek aan winkels van allerlei waren werd aan de Kaap goed gemaakt door verkopingen, die vaak door de zeelieden werden gehouden. Officieren waren gewoon te hunnen eigen bate allerlei dingen te koop aan te bieden.

Als ze uit Holland kwamen, hadden ze gewoonlik wijn, bier, hammen, kazen, tabakspijpen enz. te koop en wanneer ze uit Indië kwamen, verkochten ze vaak katoen, sits, rijst, tee enz.

Niet alleen hollandse, maar ook engelse officieren deden dit. Deze laatsten boden meestal fijn en grof ijzerwerk, vooral matrozemessen en scharen te koop aan.

Dit werd door de Kompanjie toegelaten op voorwaarde, dat ze 5 percent van de verkoopsprijzen aan de fiskaal betaalden.

Vermakelikheden waren er ook nog niet veel. Als de kanonnen van Robben-eiland de komst van een schip aankondigden, liep jong en oud uit om te zien, welk schip het was en als het voor anker kwam, dan was iedereen nieuwsgierig om het nieuws te horen, dat door de van boord komenden zou worden meegedeeld.

Maar als er geen schepen kwamen, was het leven vrij eentonig.

Onder Van Assenburg werd het de gewoonte, dat de burgers met hun vrouwen een bezoek aan 't kasteel brachten op Nieuwjaarsdag en op zijn verjaardag tussen 10 en 11 's morgens. Ze werden dan uitgenodigd daar het middagmaal te gebruiken en bleven de gehele dag tot 's avonds 9 uur.

Eens zelfs gaf hij bij een dezer gelegenheden een stieregevecht te zien op 't plein van het Kasteel. Dit viel echter bij de vreedzame Kapenaars niet biezonder in de smaak en werd daarom nooit herhaald.

Onder de huiselike vermaken waren vooral bekend het schaak-, kaart-58) en damspel. 's Avonds, als men z'n vrienden ging bezoeken, werd er muziek gemaakt en vaak ook werd er gedanst. Maar men maakte er geen nachtwerk van, zoals tegenwoordig.

Want om negen uur begon ieder zich gereed te maken om naar huis te gaan. De slaven stonden met brandende lantarens gereed om de heren en dames naar huis te geleiden, daar straatverlichting nog onbekend was.

In Stellenbosch had men van 1 tot 14 Oktober kermis. Die was in 1686 ingesteld. Van alle kanten kwamen de mensen dan toegestroomd. Uit Kaapstad kwamen niet alleen de stedelingen maar ook de schepelingen van de in de Tafelbaai liggende schepen. Het was dan een tijd van grote vreugde en vrijheid. Ieder mocht gedurende deze tijd kopen en verkopen zonder enige beperking.

In 1706 werd echter deze kermis voor goed afgeschaft.

De regering in Indië had namelik verboden verder bij te dragen aan de schietwedstrijden en ook was het niet meer veroorloofd wijn of bier uit te delen op kosten van de Kompanjie, zoals tot dusver de gewoonte was geweest.

Vooral het schijfschieten of papegaaischieten was een belangrijk punt van 't programma.

Men zette een houten vogel (papegaai) op een stang en dan moest door de personen, die hun inleggeld59) hadden betaald, getracht worden, die vogel eraf te schieten.

Verschillende prijzen werden daarbij uitgeloofd.

Wie de kop er afschoot, kreeg 1 rkd. Voor de rechtervleugel kreeg men 4 schellingen, voor de linkervleugel 3 schellingen, voor de staart 2 schellingen, voor een splinter 1 schelling. Wie de hele vogel eraf schoot kreeg 25 rkd. van de Kompanjie en bovendien de inleggelden.

Verder was er ook een wedstrijd in 't pistoolschieten op een schijf.

Wie de papegaai afschoot, was koning van 't voetvolk en wie 't wit van de schijf raakte, was koning van de ruiterij.

Het volgend jaar mocht de koning eerst schieten, zelfs vóór de Goeverneur. Hij behoefde dan ook nog geen inleg te betalen60).

De afschaffing van de kermis in Stellenbosch was volstrekt niet naar de zin van de bewoners en een opstootje was er het gevolg van. De afschaffing bleef echter gehandhaafd.

Bij gebrek aan andere amusementen maakte men van een vendutie zooveel mogelik een pretje.

„Bij alle verkopingen, die op 't land geschieden, worden de liefhebbers met eeten en drinken verzien, en zommigen ook voor niet met al gehuisvest, terwijl by degenen, die aan de Kaap voorvallen de kopers enkelijk met een glas wyn en een pyp tabak onthaalt worden, ten einde de kopers door den wyn aangemoedigt wat rykelyker in 't bieden zyn zouden”61).

Bij verschillende plechtige gelegenheden, zooals de viering van 't Nieuwe jaar, trachtte men wat meer leven te brengen in de kleine maatschappij door schoten te lossen.

Dit werd echter in 1715 verboden wegens 't brandgevaar. Op 17 Mei 1714 kort na aankomst van De Chavonnes was er brand op 't kasteel gekomen dicht bij 't kruitmagazijn. Slechts met moeite had men die brand geblust62).

Geen wonder ook, dat het streng verboden was op straat een pijp te roken. Zeelieden, vooral, als ze half dronken waren, gingen wel eens wat roekeloos om met hun pijp en een enkele vonk was genoeg om de rieten daken in 't droge seizoen in brand te steken, zoals men in 1710 te Stellenbosch tot zijn schade ondervond.

Op overtreding van dit rookverbod stond zelfs een pak slaag met een dik touw63). De politie moest ook opletten, of er ergens brand was.

Des avonds ging de z.g. ratelwacht de stad door. Als er brand was, liet hij zijn ratel klinken en riep luid: „Brand, brand!” door de straten. Dan ging hij naar het Burger-Wachthuis, waar de brandspuiten werden bewaard en op het brandalarm werd de trommel geroerd en de klokken van kerk en kasteel werden geluid.

Om zich aan de eentonigheid van het alledaagse leven te onttrekken, bestond bij de landbewoners de gewoonte, de jaardagen van ouden van dagen in biezonder hoge ere te houden.

Elk jaar gingen ze 4 of 6 weken lang op reis om allerlei familieleden te bezoeken en op die reis werd dan natuurlik heel wat nieuws verteld en gehoord en de tocht maakte een onderwerp van gesprek uit gedurende de rest van 't jaar.

De boeren bij Kaapstad hadden ook veelal enige slaven, die viool speelden. Er werden geregeld op de plaatsen danspartijen georganiseerd, waar menigeen zijn betere helft vond.

Als een jongen 15 jaar oud was, werd hij als volwassen beschouwd. Bij begroetingen enz. werd hij geheel als man behandeld.

Dan werd hij ook ingeschreven om militaire diensten te verrichten. Als een vader twee zonen had, die dienst konden doen, dan was hij zelf vrij64).

Liefdadigheidsinstellingen voor wezen waren er niet. Arme wezen werden door welgestelde lieden als hun eigen kinderen aangenomen.

Aan de opvoeding der jeugd werd ook nog niet veel zorg besteed.

In 1683 werd te Stellenbosch de eerste school gesticht. Men leerde er lezen, schrijven en de beginselen der cijferkunst. Het voornaamste deel van het onderwijs was dat in de godsdienst. Op 13-jarige leeftijd werden de leerlingen volleerd geacht. Dan deden ze een soort van eksamen voor het consistorie, waardoor ze lidmaten van de Kerk konden worden. Ze moesten daartoe de Bijbel kunnen lezen, de heidelbergse Katechismus opzeggen en een weinig schrijven. Vooral ook moesten ze echter psalmen kunnen zingen.

In 1714 werd te Kaapstad een latijnse school gesticht. Doch buiten deze scholen was er geen gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs door de hele Kolonie.

Maar al deed de Kompanjie niet veel voor het onderwijs aan de kinderen van haar ambtenaren of de vrijboeren, haar jonge ambtenaren echter, die nog geen gezinshoofden waren, werden door haar met de plak geregeerd.

Ik sprak vroeger over het kosthuis, dat de Kompanjie had gesticht voor de jongelui in haar dienst.

De regels, die ze voor hen had gemaakt, waren o.a.: „De tafel mocht niet langer dan een half uur duren. De jongelui moesten precies op tijd aan tafel zijn en als iemand later kwam, dan was de kosthuishouder niet meer verplicht hem eten te geven, maar hij moest wachten tot het volgende maal (Deze maaltijden waren om 11 v.m. en 6 n.m.). Geen ongetrouwde ambtenaar mocht in een kosthuis van eigen keuze zijn, uitgezonderd zij, die familie in de stad hadden.

Er moest voor en na 't maal een gebed uitgesproken worden. Wie aan tafel vocht of vloekte, moest eerst bestraft worden door de kosthuishouder en als dit niet hielp, dan zo nodig door de Politieke Sekretaris gerapporteerd worden aan de Goeverneur”65).

Misschien was de strenge en ingetogen levenswijze, waaraan men zich aan de Kaap hield ook voor een zeer groot deel te danken aan de Kalvinistiese levensbeschouwing van de oude Hollanders, die allerlei dingen als duivels beschouwden, welke belijders van andere godsdiensten vrij onschuldig achtten.

Daarom betwijfel ik ook, of het kaartspelen wel zo algemeen was als Thunberg ons zou willen doen geloven.

Het feit, dat Adam Tas in zijn dagboek vertelt, dat hij met vrienden en kennissen kaartspeelt, bewijst ook niet veel. Hij was in menig ander opzicht heel wat vrijer in zijn denken en overtuigingen dan de meesten van zijn tijdgenoten.

Eigenaardig is wel, dat de Kalvinisten volgens Thunberg66) Kerstmis volstrekt niet vierden, maar dat ze dan werkten als gewoonlik. Nieuwjaarsdag werd door hen als vakantiedag gevierd in zoverre, dat ze naar hun buren gingen om hun geluk te wensen.

Bruiloften werden, vooral als de bruid en bruidegom soms dagen en weken moesten reizen voor ze 't Huwelikshof te Kaapstad bereikten, vanzelf niet met veel vertoon gevierd.

Valentijn vertelt alleen, dat men er in zoverre een soort van plechtige tint aan gaf, dat men altijd zwarte ossen gebruikte om de wagen van bruid en bruidegom te trekken. Dit gold echter ook voor 't vervoer van een dode, waar de kleur dan ook meer geschikt was, naar 't mij voorkomt.

Toch ging een trouwplechtigheid, vooral van lieden uit Kaapstad, niet geheel ongemerkt voorbij. Op de avond van de dag, dat men, zoals het heette „voor Commissarissen” geweest was, gaf men gewoonlik een soupee, dat het „Commissaris Maal” heette. Dit soupee werd met een bal besloten. Op deze bals waren de slaven, die vaak zeer muzikaal waren, de muziekanten. De eigenlike huweliksinzegening had meestal plaats op Zondag.

Bij een sterfgeval gaf de koster daarvan gewoonlik kennis aan vrienden en bloedverwanten en nodigde hen tot de begrafenis uit.

Aan de dragers werd een zekere som geld betaald en opdat ze in behoorlik kostuum zouden zijn, kregen ze ook een paar zwarte handschoenen en een lange zijden lamfer.

Als het lijk het huis was uitgedragen, werden door de koster de namen der bloedverwanten en vrienden opgelezen in de volgorde, waarin zij de kist zouden volgen. Hij moest dan nauwkeurig overwegen of die orde wel goed was, want als iemand niet de plaats kreeg, die hem toekwam, was dit een grote belediging. Vóór 1754 werd zeezand gestrooid langs de weg van 't sterfhuis naar 't kerkhof. Na de begrafenis werden allen bedankt voor hun tegenwoordigheid en uitgenodigd naar het sterfhuis te gaan om daar een en ander te gaan gebruiken.

Hier werden wijn, brandewijn, bier, tee, koffie, kaas, gevogelte, tabak, pijpen, enz. aangeboden en men deed zijn best om dit maal zo goed mogelik te doen zijn, omdat het „de laatste eer was, die men aan de dode kon geven.”

Bij de begrafenis van Johannes Heufke (1739) werd 20 rkds. uitgegeven voor „geraspbrood, koekies, kraakelinge, eyzerkoek en verder gebak,” 2½ rkd. voor „een gros lange pype,” 3 rkd. 2 schellingen voor „4000 amandel”, 21 gulden voor „Hollands gebak” en 12 gulden voor „Caabs gebak.”

Een afleiding voor de Kapenaars was zeker wel een wandeling door de prachtige Kompanjiestuin, waar vele schrijvers van spreken als van een van de wereldwonderen.

Anderen zijn niet zó uitbundig in hun lof, maar dat hij de moeite van het bekijken waard was, is zeker.

Valentijn is er biezonder over verrukt. Hij vond er allerlei gewassen, die hij nooit te voren had gezien en dat er degelik werk werd gedaan, blijkt ook wel uit wat hij vertelt over de arbeid van de baas-tuinier en eveneens uit de lange lijst van planten, die hij opgeeft, die alle door de zorg van die tuinier òf een naam hadden gekregen òf geklassificeerd waren.

Een wandeling door deze tuin nu was zeer aangenaam, omdat men er niet alleen allerlei groenten, maar ook veel bloemen en vruchten zag.

De tuin stond onder scherp toezicht, maar het grote euvel der maatschappij, de omkoopbaarheid van haar ambtenaren, had zich zelfs onder de slaven verspreid.

Ziehier wat Valentijn zegt67):

„Maar men mag niet het allerminste afplukken, waar op swaare straffen staan gelijk er ook doorgaans over al zeer veel spions van slaven zyn, die daar net op weten te passen. Ook hoort men zeer zelden daar af en als dat bij ongeluk al eens geschied koopt zulk een onvoorzigtige dit liever met een steekpenning aan die slaaven te geven, af, dan dat hy sich voor de verbolgentheid en gramschap van den Thuinier of van den Heer Gouverneur, bloot zou stellen.” Voor druiven was dit verbod niet overal even streng als in de tuin van de Kompanjie naar het schijnt, want hij vervolgt op bladzijde 22 van genoemd werk: „Men mag van de zelve, als men in een wijngaard is, zooveel als men er begeert om niet eten; doch de bossen, die men mede neemt, moet men betaalen.”

De zorg voor de bomen en de moeite, die men nam om de aanplant te bevorderen en de vernieling ervan tegen te gaan, blijkt echter overal en steeds even groot te zijn geweest als in de tuin te Kaapstad.

Simon van der Stel had 16.000 eiken op de Tafelberg geplant. En hoewel er 4000 door bavianen vernield werden, groeiden de andere goed, zodat bij het eind van zijn bestuur in 1699 sommige reeds 36 voet hoog waren68).

W. A. van der Stel volgde in dit opzicht het voetspoor van zijn vader. In 1700 zond hij 12.000 jonge eiken naar Stellenbosch en 8000 naar Draakestein.

Ds. Hercules van Loon zou het oppertoezicht hebben over 't planten. Maar de burgers zorgden er niet goed voor.

Niet alleen, dat ze er weinig zorg aan besteedden, maar de boomen werden opzettelik vernield of voor brandhout gebruikt69). Van der Stel zag zich daardoor genoodzaakt weer de oude strafbepaling van 40 jaar te voren in 't leven te roepen, waarbij aan iemand, die een tuin of boom beschadigde, 12 maanden dwangarbeid werd opgelegd.

De boomaanplant bleef echter zeer langzaam gaan. De boeren verontschuldigden zich door te zeggen, dat er zoveel vogels in de bomen woonden, die veel schade aan 't koren deden.

De straffen bleven daarom steeds zwaar, want men moest hout hebben en wilde dus de burgers dwingen om, als ze dan zelf geen bomen plantten, tenminste die aanplanting niet te doen mislukken70).

Het gebeurde eens zelfs, dat men zo weinig hout had, dat er niet genoeg was om de kruiwagens van de Kompanjie te herstellen, die daaraan dringend behoefte hadden.

Van Mauritius had men lange tijd veel hout gekregen, maar in 't begin der achttiende eeuw had men daar met allerlei tegenspoeden te kampen.

Orkanen vernielden veel bomen en ontsnapte slaven staken vaak de gebouwen van de Kompanjie in brand.

Het valt dus niet te verwonderen, dat het aankweken van bomen een levenskwestie werd.

Kolbe verhaalt, dat een rijk burger een dienaar van de Kompanjie had weten over te halen hem wat eikenloof te bezorgen.

Deze burger moest zelf een boete van 125 rijksd. betalen en de dienaar werd levenslang naar Robben-eiland verbannen.

In 1740 werd zelfs de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger twee jaar als veroordeelde in ketenen op de openbare werken zou moeten arbeiden.

De aanbrenger, wiens naam geheim werd gehouden, kreeg een beloning van 20 rkds.

Deze straffen zijn buitensporig zwaar in onze ogen, maar we moeten niet uit het oog verliezen, dat de manier van straffen van die dagen in het algemeen heel wat verschilde van die van onze tijd.

Sommige van die straffen zijn trouwens ook heel zonderling.

Zo lezen we, dat in 1739 een bootsman had gevloekt. Waarschijnlik stond dit feit niet op zich zelf. Ten minste de zeelieden van die tijd moeten dan wel veel deugdzamer geweest zijn dan de tegenwoordige. Maar in elk geval deze vloeker werd gehoord door iemand, die daar dadelik een aanklacht over indiende. Nu werd hij veroordeeld om drie achtereenvolgende Zondagen bij de ingang van de kerk te staan met een bord met het opschrift „Godslasteraar” op zijn borst.

Ik ben geneigd aan te nemen, dat, als de kerkgangers de woorden hadden kunnen verstaan, die hij onderwijl dacht, maar niet uitsprak, het getal van drie Zondagen met verscheidene zou vermeerderd zijn.

Zodra men zich vergreep aan de goederen van de Kompanjie zelf, werden natuurlik de strengste straffen toegepast.

Toen b.v. in 1737 verscheidene schepen van de Kompanjie strandden en bijgevolg veel wrakgoed aanspoelde, werd ieder, die men betrapte op het meenemen van die goederen van het strand, zonder enige vorm van proces opgehangen. Voor dit doel had men opzettelik enige galgen op het strand opgericht.

Voor de onhandelbare jeugd had men eveneens een paardemiddel.

Zo werd op 15 Oktober 1720 door Jan Nel, diaken van Stellenbosch, aan de overheid een rekwest gezonden, waarin hij klaagde over de stoutheid van een jongen van 12 jaar, die door de schoenmaker, bij wie hij in de leer was, niet getemd kon worden. Hij vroeg dan ook eerbiedig om dit jongmens voor enige tijd aan boord van een schip te brengen71).

Nu geloof ik niet, dat men uit het bovenstaande mag afleiden, dat er van de zeelieden van die tijd zulk een uitstekende invloed uitging, maar het dikke pektouw zal waarschijnlik de grote deugdvormer zijn geweest.

Deze aanvraag staat volstrekt niet op zich zelf. Ik heb ook op andere plaatsen voorbeelden gevonden van toepassingen van soortgelijke vonnissen.

Men moest echter wel trachten goed te maken door overmatig strenge straffen, wat men aan politie-kontrôle te kort kwam.

Onder Simon van der Stel had men reeds een burgerwacht gehad, die 's nachts de stad patroeljeerde en op 't eind der 17de eeuw werden ook in Stellenbosch en Draakestein veldwachters aangesteld, maar de uitgestrektheid van de kolonie was te groot om een behoorlik toezicht uit te oefenen.

De ongelukkigen, die in handen der Justitie vielen, moesten daarom boeten voor degenen, welke ontsnapten.

Een merkwaardig kenmerk van de straffen van die tijd is hetzelfde, dat helaas nog zoveel hedendaagse straffen dragen, n.l. dat ze zo weinig het karakter hebben van een goedmaken door arbeid voor de gemeenschap, wat de misdadiger tegen die gemeenschap heeft misdreven.

Het brute uitblussen van het leven van het individu of het verminken, waardoor het in het eerste geval geheel en in het tweede geval vaak gedeeltelik voor arbeid ten behoeve van de gemeenschap werd ongeschikt gemaakt, was zeer algemeen.

Een uitzondering hierop maakten de verbanningen naar Robben-eiland, waar de dwangarbeiders b.v. een zeer nuttig werk deden door het branden van kalk uit de zeeschelpen (Valentijn).

Stavorinus zegt, dat op datzelfde eiland veel kalksteen werd gehakt voor Kaapstad.

Nu we ons bezighouden met de straffen, die op misdadigers werden toegepast, zal het zeker niet ondienstig zijn een paar woorden te wijden aan het stelsel van slavernij, dat voor veel van de misdaden verantwoordelik was.

Wij zijn in de twintigste eeuw allen te zeer overtuigd van het schandelike van slavernij en van de slechte invloed, die hij op de maatschappij heeft, dan dat het nodig zou zijn, dit hier in den brede te betogen.

Ik zal me dus bepalen tot enkele grepen uit het leven der slaven aan de Kaap in die tijd.

De maatschappelike positie van de slaven was in de eerste tijd van de nederlandse volksplanting ver van slecht. Integendeel.

De kolonie was eigenlik bijna zonder slaven begonnen. In 1657 bestond de hele bevolking uit 134 personen, vrouwen en kinderen meegerekend en er waren maar 8 slaven. In 1658 echter nam een hollands schip „de Amersfoort” een portugees slaveschip en bracht de overlevende slaven van dat schip aan de Kaap.

Van Riebeeck had reeds de Heren Zeventien gevraagd om slaven, maar de eerste troep kwam er op bovengenoemde manier.

Er werd in die tijd geen onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen om de kleur alleen. Huweliken tussen Europeanen en vrijgemaakte slaven van zuiver ras waren verboden, maar blanken mochten wel trouwen met vrijen van gekruist ras. Dit bracht natuurlik, vooral in de eerste tijden, toen het getal der kolonisten nog zo klein was, grote voordelen mee. Bij het bouwen van het fort en in 't algemeen ten opzichte van de verdediging tegen de inboorlingen voornamelik was het gewenst zich zo sterk mogelik te maken. Men legde daarom in die tijd een heel andere maatstaf aan dan honderd jaar later. In Van Riebeecks tijd plaatste het Kristen-zijn blank en zwart op dezelfde lijn.

Andere maatregelen uit die tijd wijzen er eveneens op, hoe bang men was voor de inboorlingen.

In 1677 werd b.v. de doodstraf gesteld op 't verkopen van geweren of ammunitie aan Hottentotten. Zelfs was het een strafbaar feit de Hottentotten in geld te betalen voor hun werk, zogenaamd omdat ze er de waarde niet van kenden, maar eigenlik, omdat ze met geld zich misschien gemakkeliker geweren enz. konden aanschaffen. Het was eveneens verboden om ze te betalen in halfbloed schapen, omdat men dan niet kon nagaan, welke dieren van hun kudden door hen waren gestolen en welke niet.

Dit laatste is volkomen te begrijpen.

In 1691 waren er ongeveer 50 vrije negers in de kolonie en zij hadden dezelfde politieke vrijheden als de Europeanen.

Watermeyer zegt ook: „In het grootste deel van de eerste eeuw van het hollandse bewind was het leven van de zwarte even heilig als dat van de blanke en de wreedheden, waarvan wij huiveren, van mensen, die op Bosjesmannen jacht maakten als op wilde beesten, kwamen niet voor dan in het einde van de achttiende en in het begin van de 19de eeuw.

Van de stichting van de kolonie tot 1750 waren zulke enormiteiten nauweliks bekend.”72)

Thunberg verhaalt, dat een slaaf over zijn meester kon klagen tegen de Fiskaal en dat dan de meester vaak boete moest betalen. Een slaaf kon echter overigens geen getuigenis geven en was altijd te onderscheiden van een vrijgelatene, doordat de laatste kousen, schoenen en een hoed droeg, terwijl de slaven dit niet mochten doen73).

Kinderen, die in 't slavehuis der maatschappij geboren waren, moesten volgens de wet van 1721 gedoopt worden. De opzichter en bij diens afwezigheid de zieketrooster moest peet staan en de kinderen moesten naar school en kerk worden gezonden. Op die manier werd hun de weg naar vrijheid opengesteld. Want één der voorwaarden daarvoor was ook, dat ze Kristenen moesten zijn.

Natuurlik betekende dit niet, dat ze in elk opzicht, ook voordat ze vrij waren, behandeld werden, zoals een werkgever tegenwoordig zijn arbeiders behandelt.

Zo vind ik b.v. in het „Journal” opgetekend op 19 Des. 1705, dat het ondeugdelike vlees zou worden afgekeurd en aan de slaven zou worden gegeven.

Die konden er zich dus ziek aan eten, maar toch zal deze maatregel, al was 't alleen maar uit eigenbelang, niet altijd toegepast zijn. Men waagde een te grote som geld door het leven van een slaaf in gevaar te brengen.

In 1698 kostten, volgens Leguat, negerslaven van 60 tot 80 rkds.

Drie kwart eeuw later schijnen ze al enorm in prijs te zijn gestegen. Want Sparrman zegt, dat een slaaf die goed mennen en rijden kon 500 Rkds. kostte. Een, die pas van Madagascar kwam, kostte van 100 tot 150 Rkds.

Het gewone voedsel der slaven bestond uit rijst en vooral uit veel vis. Dat was een zeer goedkoop voedingsmiddel, daar b.v. onder W. A. van der Stel steeds een gedeelte der slaven bezig was om vis te vangen voor hun lotgenoten. Dit kostte de eigenaar niets.

Het schijnt, dat men gedurende de eerste halve eeuw wel wat al te gereed is geweest om slaven de vrijheid te geven, wat echter geen gunstige gevolgen had. Meestal waren het mensen, die uit zich zelf nooit aan 't werk gingen dan in de uiterste nood en voor wie vrijheid synoniem was met nietsdoen.

Toen men dit inzag, moest men tegen de vagebondérende vrijgemaakten natuurlik maatregelen nemen.

In 1708 trad Cornelis Joan Simons, officier van de vloot, op als hoge kommissaris. Hij paste aan de Kaap toe het indiese gewoonterecht, dat geen volbloed negerslaaf mocht vrijgemaakt worden, zonder dat de eigenaar de zekerheid gaf, dat de vrijgemaakte persoon niet binnen 10 jaar ten laste van 't armefonds zou komen.

Was dit het geval toch, dan geraakten ze ipso facto weer in slavernij.

Een eigenaardige manier van vrijwording, die de trots der Nederlanders op hun vrijheid aan 't licht brengt, was deze: Als een slaaf als bediende meekwam naar Nederland, was hij vrij, zodra hij landde. Het feit alleen, dat hij op de vrije bodem van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geweest, was genoeg om hem van alle banden der slavernij te verlossen.

De invloed van de slavernij op de bevolking aan de Kaap is niet gunstig geweest en dit is al vroeg, doch niet vroeg genoeg, ingezien.

Op 25 Februarie 1743 betreurde Van Imhoff het in zijn memorandum, dat in 't begin niet meer blanken waren uitgezonden. Zij, die er waren, hadden een afkeer van handearbeid gekregen. De invoer van slaven had hen steeds in hun luiheid gestijfd.

Blanke handwerkslieden eisten buitensporige prijzen voor hun werk. Metselaars en timmerlui kregen dikwels een rijksd. of 9 schellingen per dag boven de kost en werkten dan nog zo langzaam, dat ze in een bepaalde tijd slechts de helft van het werk deden, dat hun Europese kollega's in die tijd afmaakten.

Op de boerderijen waren blanke arbeiders eenvoudig niet te krijgen, hoeveel geld men ook bood.

In 1716 reeds schijnen de Heren Zeventien min of meer gevoeld te hebben, dat er iets niet in orde was, ten opzichte van de werkkrachten, want ze vroegen uitdrukkelik aan de Politieke Raad, wat hij beter achtte, de invoer van Europese arbeiders of die van slaven.

Er was, helaas, echter maar één lid, dat toen toonde helder genoeg van blik te zijn om te zien, dat alleen europese arbeiders een kolonie konden vormen. Aan de kortzichtigheid van de andere leden is het te wijten, dat de toestand toen niet verbeterd is.

Behalve de slaven speelden de Hottentotten een grote rol als werkkrachten.

Op de boerderijen gebruikte men meestal rondtrekkende Hottentotten. Ze gingen van plaats tot plaats om 't koren zo spoedig mogelik te maaien. Kolbe zegt, dat dit nodig was, daar de Z.O. wind anders daaraan veel schade kon toebrengen74).

Daar deze Hottentotten dus veel met de boeren omgingen, leerden ze spoedig Hollands. Leguat verhaalt, dat in 1698 alle Hottentotten, die hij ontmoette, reeds Hollands spraken.

Behalve voor het werk op de boerderijen, werden de Hottentotten verder voor allerlei huiswerk gebruikt.

Na de eerste pokke-epidemie in 1713 werd dit echter geheel anders. Daar deze ziekte in 't slavehuis van de Kompanjie was ontstaan, meenden de Hottentotten, dat de Hollanders hen betoverd hadden en de weinigen, die niet ten prooi vielen aan de ziekte, trokken weg. Daardoor was er plotseling een groot gebrek aan bedienden ontstaan en de prijs der slaven steeg aanmerkelik.

Gelukkig kregen in 1714 van 150 tot 200 soldaten van 't garnizoen verlof om bij de boeren in dienst te treden. Dat maakte het gebrek aan Hottentotten enigszins goed.

Behalve deze verschillende werkkrachten werden volgens Mrs. Trotter ook Chinese veroordeelden, die uit Indië waren gezonden, als metselaars en steenbakkers gebruikt aan de Kaap.

Dat de Hottentotten zeer in trek waren als werkkrachten is niet te verwonderen, als men in aanmerking neemt de goedkoopte van hun arbeid.

Valentijn zegt ervan: De Hottentotten krijgen als loon alle week een stuk tabak „mitsgaders spijs en drank (hoewel sommige van hen vreeselijk veel konnen eeten)”. Na verloop van een jaar kregen ze nog een „keten van kopere koralen” en een speenlam75).

Uit de opmerking over 't eten van de Hottentotten schijnt men te mogen opmaken, dat Valentijn meende, dat ze een biezonder grote weldaad genoten, als ze de kost kregen voor hun werk.

Barrow deelt mee, dat een os of een paar koeien of een dozijn schapen ter waarde van 40/- of 50/- het gewone loon van een heel jaar was, doch dat de boeren dan dikwels een bedrag voor tabak en brandewijn van dezelfde grootte van de Hottentot te vorderen hadden76).

Maar Barrow is.... Barrow en een zeer grote mate van voorzichtigheid is altijd aan te raden bij het aannemen van zijn mededelingen als die kans hebben de reputatie van de hollandse kolonisten aan de Kaap te benadélen.

Hoe welwillend de regering tegenover de Hottentotten stond, moge ten slotte uit het volgende blijken: In 1701 kreeg een troep soldaten bevel om te trachten de Bosjesmannen te achterhalen en van hen 't gestolen vee terug te krijgen. Daarbij werd uitdrukkelik bepaald, dat dit vee dan aan de eigenaars zou worden teruggegeven, wie ze ook zijn mochten.

Blanken en Hottentotten genoten in dit opzicht volkomen gelijke bescherming.

Ten slotte een enkele opmerking over een der middelen van bestaan in Kaapstad.

Vroeger heb ik er op gewezen, dat de Heren Zeventien vreemdelingen volstrekt niet met gunstige ogen zagen aankomen in de Kaap.

Vandaar dan ook, dat het kaapse Goevernement niets wou verkopen aan vreemdelingen, maar zij mochten vrij in herbergen komen en ze konden groenten, varkens en gevogelte kopen van de burgers en soms zelfs sloten de autoriteiten, als de Kompanjie ten volle voorzien was, de ogen voor de verkoop van vee.

Dat deze verkoop nog al wat te betekenen had voor Kaapstad blijkt uit de volgende cijfers:

Tussen 1652 en 1700 kwamen er gemiddeld jaarliks 40 schepen (33 nederlandse, 4 engelse en 3 andere) aan de Kaap.

Gemiddeld hadden die 147 man aan boord en ze bleven van 2 tot 3 weken op de rede liggen. Er kwamen dus jaarliks aan de Kaap meer dan 5000 vreemdelingen, die voedsel nodig hadden gedurende hun verblijf en ook gewoonlik heel wat mee op reis namen.

Het aantal schepen, die in Kaapstad aanlegden, steeg voortdurend, zodat er gedurende de eerste helft van de 18de eeuw jaarliks zelfs 75 schepen (57 hollandse, 15 engelse en 3 andere) het anker uitwierpen.

Ten gevolge van de ongunstige jaren 1714 en volgende werd in 1720 een plakkaat uitgevaardigd, handelende over de verkoop van vlees aan vreemdelingen en in Februarie 1723 kwam er zelfs een uitdrukkelik verbod om vers vlees en groenten te verkopen aan vreemdelingen onder straffe van deportatie naar Europa en een boete van 350 rijksdaalders. Men wist het plakkaat echter zo te verklaren, dat het scheen in te houden, dat er eerst verlof van de Raad moest verkregen worden. Voor de verkoop aan engelse schepen, die de beste klanten waren, kreeg men altijd verlof, zodat het met dit plakkaat ging als met zoveel andere van de Kompanjie: Ze werden eenvoudig behandeld als scheurpapier.

Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik spreken over enkele kerkelike zaken aan de Kaap.

Het spreekt vanzelf, dat ik me in dit opzicht ook weer zal moeten beperken. Trouwens de boeken van Spoelstra en Dreyer, die speciaal over dit onderwerp handelen, geven zulke uitvoerige inlichtingen, dat het onmogelik zou zijn veel nieuws te vertellen.

Ik zal ook niet in allerlei biezonderheden treden, maar alleen enkele grepen doen.

In de allereerste plaats dan wijs ik op de positie der predikanten. Ook in dit opzicht kan ik de Kompanjie niet bewonderen.

Ze had zich het recht voorbehouden Predikanten te benoemen en aan te stellen voor de Kaap zonder beroep door Gemeente of Kerkeraad.

Dit had natuurlik bedenkelike zijden, vooral in betrekking tot de geestelike verstandhouding tussen herder en gemeente.

Een andere schaduwzijde van deze wijze van benoeming was, dat de predikanten geheel behandeld werden als dienaren van de Kompanjie niet alleen, maar zich zelf ook in de meeste gevallen als zodanig gedroegen. Dat wil zeggen, dat ze meestal fel tegen de boeren gekant waren, als die de ambtenaren aanvielen, want ze beschouwden dit ook als een aanval op hen. Dit kon natuurlik niet meewerken om een goede verhouding tussen hen en hun gemeentenaren in 't leven te roepen.

Trouwens innigheid bestond tussen predikant en gemeente heel weinig. Als een predikant in Kaapstad een bezoek bracht aan zijn parochianen, dan ging de schoolmeester vooruit om de mensen te waarschuwen77). Er moest altijd een kloof blijven gapen tussen herders, die zich zo gedroegen en de schapen, aan hun zorg toevertrouwd.

Mr. J. de Wet zegt78):

„De Kerk werd altijd zoo zeer als een deel van het geheel van 's Compagnies bestier alhier beschouwd, dat aan de Predikanten of Leeraars daarvan even als aan alle andere beambten hun standpunt in de toen aangenomen klassen of rangen, onderscheiden in opperkooplieden, kooplieden en onderkooplieden door de wet werd aangewezen!

Ieder Predikant zou gemeten worden naar den rang van onderkoopman en als zoodanig gerechtigd zijn tot de voorrechten aan die rang verbonden.”

De geesteliken vatten in veel gevallen hun bediening op, of het een wereldlik ambt was en beschouwden zoals de meeste ambtenaren van de Kompanjie, de Kaap slechts als een doorgangshuis naar een betere betrekking.

Dit had ten gevolge, dat de meesten hier zo kort mogelik bleven. Zo had men eens in één jaar drie keer een nieuwe predikant in Kaapstad79).

Ik zal niet spreken over de verschillende stichtingsjaren van de kerken in de verschillende plaatsen, evenmin als over de pogingen, die de Hugenoten deden om hun taal te behouden. Ik wil alleen konstateren, dat de mening, dat de Heren Zeventien hun best hebben gedaan om het Frans te doen uitsterven in de kolonie, geheel verkeerd is. Het stierf een natuurlike dood door het feit, dat de Fransen maar één zesde van de totale bevolking uitmaakten. Het Hollands verdrong het Frans zelfs, zó volkomen, dat Le Vaillant opmerkt als een biezonderheid, dat hij op zijn reizen slechts één zeer oude man vond, die nog Frans verstond. Dat was ruim drie kwart eeuw, nadat de Hugenoten in Zuid-Afrika geland waren.

Men weet, dat er zeer weinig kerken aan de Kaap waren en dat het ook lang duurde, eer nieuwe gemeenten gesticht werden. De eerste halve eeuw was bijna om, voordat Roodezand (1743) en Zwartland (1745) hun kerk kregen. Dat betekent dus, dat bijna 100 jaar na de stichting van de volksplanting er in de hele kolonie nog maar 5 kerken waren. En de zesde kwam er niet vóór 1792. Dat was die te Graaff-Reinet.

Het spreekt dus vanzelf, dat de kolonisten in de meer afgelegen streken van de kolonie zo goed als geheel van geestelike hulp verstoken waren.

Daarom ging van tijd tot tijd een der Predikanten „op trek” naar de eenzame boereplaatsen om de daar wonende landlieden te stichten en hun kinderen te dopen.

Als dan de predikant op een boereplaats was, ging het gerucht daarvan gauw in de omtrek rond en de boeren uit de buurt kwamen naar de plaats, waar hij was.

Het is evenwel te begrijpen, dat de afstanden het onmogelik maakten, dit verscheiden keren per jaar te doen.

Ondanks het feit echter, dat er zo weinig kerken waren, werd er, trouwens volkomen in de geest van de tijd, nauwlettend gewaakt, dat geen leer, die afweek van de Nederduits Hervormde, zou gepredikt worden.

De geschiedenis met George Schmit van de moraviese Broeders in de eerste helft van de achttiende eeuw, is bekend.

Het duurde zelfs tot 1792 eer deze stille, vrome werkers een kerk konden krijgen.

Ook de Lutheranen werden zoveel mogelik gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst.

In 1742 zonden ze een rekwest in om vrijheid te krijgen tot het aanstellen van een predikant. Dit werd niet toegestaan. Eindelik, na jaren lang gesmeekt te hebben om vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst, kregen ze die, maar men mengde die honing met gal, door te bepalen, dat de lidmaten van die kerk voortaan niet meer zouden mogen bevorderd worden tot de eerste posten van aanzien80).

De lutherse en moraviese godsdienstoefeningen mochten wel gehouden worden in private huizen, maar zelfs dan mochten geen sakramenten worden toegediend. In die tijd meende men, dat men door zulk een bepaling al buitengewoon verdraagzaam was.

De Lutheranen hadden zich eenvoudig te schikken en trachtten zich te troosten, door telkens, als er een deens schip in Kaapstad kwam, de geestelike te verzoeken aan land te komen om hun de godsdienst van hun vaderen te prediken.

Zonderlinge toestanden werden geboren door de onverdraagzaamheid der mensen, die voor vrijheid van geloof hadden gestreden en geleden.

Zo waren in 1674 enige Katholieken in de kolonie komen wonen. Zij wilden hun kinderen laten dopen. Daar er natuurlik geen katholieke geesteliken in de kolonie waren, moest dit in de hervormde kerk gebeuren. Dit was echter nog niet genoeg, want de doopheffers mochten alleen dàn Katholieken zijn, als de ouders eerst getracht hadden om peten van het ware hervormde geloof te vinden en daarin niet geslaagd waren81).

Maar zelfs hun eigen geloofsgenoten werden door de predikanten van die tijd met scherpe blik in hun gangen gevolgd.

Zo werd op 8 Okt. 1743 een aanklacht wegens ketterij ingebracht tegen de zieketrooster Van Dijk. Zijn ketterij bestond hierin, dat hij het waagde voor de vuist te preken en niet het „Onze Vader” altijd bad in de dienst.

En hij was ook op vriendschappelike voet met de Hernhutters82).

Deze drie punten waren reeds voldoende om hem in staat van beschuldiging te stellen.

Ik eindig dit hoofdstuk met een aanhaling uit een rekwest van de kerkeraad van Draakestein in 1719.

Daar de kerk bijna klaar was, vroeg deze kerkeraad verlof om in 1720 te mogen beginnen met begraven binnen en buiten de kerk en hij vroeg ook goedkeuring van het volgende tarief voor begrafenissen:

Een graf in de kerk zou 25 Rijksdaalders kosten en een dubbel graf 50 Rkd. Deze koop gold voor 100 jaar. Men kon ook een graf huren. Dit zou kosten 10 Rkd. voor een volwassene en 5 Rijksd. voor een kind onder 10 jaar.

Op het kerkhof was de prijs van een graf 6 Rijksd. (voor een tijdperk van 100 jaar). Een gehuurd graf kostte 3 Rijksd.

Men rekende 2 Rijksd. voor 't gebruik van 't lijkkleed en 1 Rijksd. voor de baar.

De koster kreeg 2 Rijksd. voor een graf in de kerk en 1 Rijksd. voor een graf buiten de kerk. Als aanspreker of bidder zou hem 1 Rijksd. per dag moeten betaald worden83).

In het volgende hoofdstuk wens ik te spreken over het Bestuur van de Kaapkolonie en ook met een enkel woord over de belastingen, die er geheven werden.

Notes in this chapter

Note 1 · François Valentijn, t. a. p. pag. 13.Note 2 · Thunberg, Travels. Deel I. pag. 125.Note 3 · Valentijn, pag. 12.Note 4 · Thunberg, I. pag. 249.Note 5 · Kolbe.Note 6 · Vaak hing er ook bij de boerderij een grote scheepsklok, die in tijd van gevaar (Bosjesmannen etc.) werd geluid om de buren te waarschuwen.Note 7 · Le Vaillant, New Travels. Deel III. pag. 16.Note 8 · Le Vaillant, Travels. I. pag. 59 en volgende.Note 9 · Sparrman, Travels. Deel II. pag. 165.Note 10 · Thunberg, Travels. Deel I. pag. 138.Note 11 · Sparrman, t. a. p. Deel I. pag. 266.Note 12 · Sparrman, t. a. p. Deel II. pag. 62.Note 13 · Le Vaillant, t. a. p. Deel I. pag. 55.Note 14 · Sparrman, t. a. p. Deel II. pag 166.Note 15 · Cornelius de Jong, Reizen. Deel II. pag. 112 en 113.Note 16 · Barrow, Travels.Note 17 · Leibbrandt, Journal.Note 18 · Thunberg, I. pag. 247.Note 19 · Leibbrandt, Journal 19 Des. 1705.Note 20 · Valentijn, blz. 48. t. a. p.Note 21 · Thunberg, Deel I. blz. 252.Note 22 · Thunberg, II. blz. 126.Note 23 · Thunberg, I. blz. 257.Note 24 · Valentijn, t. a. p.Note 25 · Leibbrandt, Journal.Note 26 · Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 180.Note 27 · Enkele slechte jaren als 1726, 1727 en 1740 natuurlik buiten rekening gelaten.Note 28 · Thunberg, Deel II. pag. 20.Note 29 · Cornelius de Jong, Reizen. Deel I. pag. 122.Note 30 · Thunberg, I.Note 31 · Dagboek Adam Tas, 6 Aug. 1705.Note 32 · Dit bedroeg 2 schellingen voor inwoners van Stellenbosch en een rijksdaalder voor vreemdelingen.Note 33 · Valentijn.Note 34 · Kolbe.Note 35 · Leibbrandt, Journal.Note 36 · Kolbe.Note 37 · Thunberg, I. pag. 253.Note 38 · Leibbrandt, Rambles. pag. 149.Note 39 · Thunberg, II. pag. 96.Note 40 · Valentijn, Boek X. pag. 20.Note 41 · Ian D. Colvin, Romance of Empire.Note 42 · Thunberg (I. pag. 263) verhaalt, dat de boeren graag een dode hond hadden om in 't gat bij de geplante boom te begraven, daar men meende, daNote 43 · Volgens Theal werd in 1709 de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger een geseling zou krijgen aan de voet van de galg. De aanbrenger zou Note 44 · Leibbrandt, Requesten or Memorials.Note 45 · Watermeyer, Selections. pag. 52.Note 46 · Thunberg, I. pag. 115.Note 47 · Kolbe, pag. 117.Note 48 · Valentijn, Deel X. pag. 106.Note 49 · Barrow, Travels. Deel I. pag. 97.Note 50 · Theal, II. pag. 344.Note 51 · Mr. J. de Wet, „Beknopte Geschiedenis Hervormde Kerk”.Note 52 · Mr. J. de Wet, t. a. p.Note 53 · Theal, Belangrijke Hist. Dok. pag. 118.Note 54 · Theal, Chronicles of Cape Comm.Note 55 · Leibbrandt, Requesten or Memorials.Note 56 · Leibbrandt, Requesten or Memorials.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings