Note 120 — De objecten
Reading edition
Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te rechtvaardigen, dat de uitdrukking „plaat- en kaart-werken” in onze wet niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking „plaat- en kaartwerken” in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze wijze een „plaatwerk” tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten120. Ook de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen aanleiding kunnen geven.