Note 118 — De objecten
Reading edition
Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur moet worden aangemerkt van een „plaat- of kaartwerk”. De werken van beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen „auteurs” volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten tot een „plaatwerk” vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché’s—al of niet door hemzelf vervaardigd—verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen118, is er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt, en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt: „het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk”119. Juister ware echter geweest „gedrukt” in plaats van „door den druk gemeen gemaakt”; want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier niets ter zake.