Note 114 — De objecten
Reading edition
In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp het auteursrecht regelt van: „schrijvers van letterkundige werken, benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant, insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken”. Met deze laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de „plaat- en kaartwerken”. Verder werd nog opgemerkt: „Uitgesloten zijn de voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt ... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke wet”114. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen der werken—zooals die in Duitschland was gemaakt—dus geen spoor. Het eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan niet „voorwerp van den boekhandel” uitmaakte. Daaruit laat zich ook verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van § 43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos, misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden „plaat- en kaartwerken”, die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen.