Note 109 — De objecten
Reading edition
Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In het eerste geval betrof het het tooneelstuk „Zwarte Griet”, waarvan zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver van het oorspronkelijke stuk met dit laatste „wat betreft handeling, verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst had.” De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af; alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den Haag aan109, dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk „Zwarte Griet” doch niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als inbreuk op het auteursrecht beschouwd.