← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 105 — De objecten

Reading edition

Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten in een Themis-artikel werd uitgesproken105, berust hierop, dat de woorden „geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder onderscheid van vorm of inkleeding”, die in de wet van 1817 voorkwamen, zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde wet zou dus alleen verbieden het „in denzelfden vorm” weergeven, wat ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede Kamer gemaakt: „Het geldt hier niet het regt van denken, maar het regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden.” Er is echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht op mondelinge voordrachten106. Doch ook al was dit niet het geval, dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken inderdaad niets meer waren dan „gedachten gehuld in een vorm”, zooals het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden waren: óf alleen „gedachten” uit het werk overnemen (wat volgens algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren in denzelfden „vorm”, d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings