← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 84 — De objecten

Reading edition

Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet, die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van „berichten of opstellen”; van welke werken het auteursrecht wordt erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus, of dit woord „berichten” ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord worden gegeven als boven ten aanzien van het woord „geschriften”. Niet in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt, aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd, dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: „Er zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde, bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen, dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make.” Hierbij werd dus blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen van feiten bevatten, in ’t geheel niet gedacht. Zonder tot verdere gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen doen vermoeden, dat aan het woord „berichten” een ruimere strekking werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt uit: „Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal ik niet terugkomen”84. Deze opmerking werd echter gemaakt toen artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij, wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings