Note 56 — De objecten
Reading edition
Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke, ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint) of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf geene aesthetische waarde heeft. „Wer nichts thäte”—schrijft Kohler dienaangaande—„als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt, sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde”56.