← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 50 — De objecten

Reading edition

Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de „klank-expressie”, waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke, onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken, „geestelijken” klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie heeft uitgelaten50. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen, dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die van Prof. van Hamel noemt hij de „linguistiesch-aesthetische”, die van hemzelf de „alleen-aesthetische”. Het verschil, dat trouwens volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt vooral hierin uit, dat de „kunstige geleerde”, zooals van Hamel, die den „linguistiesch-aesthetischen” maatstaf aanlegt, bij het spreken over „klankgehalte van den volzin”, „beweging van rhythme” enz. iets anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. „De kunstenaar zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal”51.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings