Note 47 — De objecten
Reading edition
Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de verwisseling van de woordjes „heel” en „zeer”, die in wetenschappelijk proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt nu nog niet, dat het woord „héél” in dit vers uitsluitend terwille van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid) zou ontleenen. De woorden „heel” en „zeer” gelden wel voor synoniemen, maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis, daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van „héél” door „zeer” zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm = taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). „De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel”, is weliswaar precies hetzelfde gebleven47, maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet; de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie, niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder „inhoud” iets anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene „slechte vertaling” of in een „schooljongens-inhoudsverslag” van een werk als Dante’s Comedia48 niet—of slechts deerlijk gehavend—terugvinden.