Note 36 — De objecten
Reading edition
Het „geven van een anderen vorm aan den inhoud” geschiedt voornamelijk bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften, waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en reeds uit het feit, dat men deze geschriften „onvertaalbaar” pleegt te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal; indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk geschrift „vertaald” kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken, nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels- of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover, dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt, is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: „Die Fähigkeit der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen lebt als in seinem Leibe”36. Eigenaardig is het, hiernaast eene opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt afgeschilderd: „Daher” (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het Latijn en in de moderne talen) „kann man sehr selten eine bedeutende Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen: sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen, gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w.”37. Wat hier duidelijk als Schopenhauer’s opvatting uitkomt, is dat—ondanks het groote verschil in constructie—toch de nieuwe, latijnsche zin denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven, doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept.