← Table of contents
Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht

Note 23 — De objecten

Reading edition

Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de—door onze wet beschermde—geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver zijn „een letterkundig geestesproduct” en dit laatste wordt omschreven als: „product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel, van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens vorm of inhoud, waarde hechten kan”23. Op deze definitie zijn verschillende aanmerkingen te maken. De „schriftelijke vorm” is, zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van een „geschrift” en had dus in de definitie niet behooren opgenomen te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van „individueelen geestelijken arbeid” moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk „individueel” in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf, die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, „wegens vorm of inhoud” waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen, dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het geval is—b.v. bij de uiting van een krankzinnige—kan men moeilijk spreken van een „product des geestes”. De geest heeft zich misschien wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben voortgebracht.24 Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging van woorden en „zinnen” zonder organisch verband geen „geschrift” is, in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had, dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze (scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen, dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten; het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden, waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing te worden gelaten25; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is, dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk kunstmatig bewerkte taal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings