Note 21 — De objecten
Reading edition
Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt als „vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp van kopierecht te maken.” Behalve dat het werk een „individueel letterkundig geestesproduct” moet zijn (eene omschrijving, die niet onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog: „dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd” (iets dat voor een geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat „deze verveelvoudiging een vermogensvoordeel kan opleveren”21. Door dit laatste wordt wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die hierbij wordt gegeven22, niet volkomen duidelijk geworden, hoe moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel te behalen al dan niet bestaat.