X MIJN VERBOND MET CAREL VICTOR GERRITSEN (continued 2)
Reading edition
Gerritsen nam beide candidaturen aan en spoedig daarna was hij voortdurend, afwisselend in Schoterland en in Den Helder, om avond aan avond verkiezingsspeechen te houden of met een tegencandidaat in debat te treden. Als hij eens een paar dagen thuiskwam, vond ik dat hij er telkens slechter uitzag. Dringend spoorde ik hem aan om den strijd op te geven en aan anderen over te laten. Maar hij wilde er helaas niets van hooren. Eerst toen hij op een morgen zijn bed niet meer kon verlaten, stond hij mij toe een bevrienden doctor te laten komen. Hoewel deze den toestand reeds zeer ernstig vond, durfde hij toch nog geen diagnose vaststellen.
Het was op den dag der verkiezing, toen een telegram hem reeds had verheugd met zijn overwinning in het district Den Helder, dat Professor Pel in consult met enkele doctoren die Gerritsen reeds herhaaldelijk hadden onderzocht, mij de vreeselijke zekerheid moest geven, dat er geen redding meer mogelijk was en het einde reeds spoedig was te verwachten. In betrekkelijk korten tijd was zijn vroeger krachtig gestel gesloopt door maag- en levercarcinoom, in een nu reeds ver gevorderd stadium.
Tot den laatsten dag is zijn geest helder gebleven en verheugde hij zich over de overwinning van de linksche groepen bij de verkiezingen. Met de vrienden die hem aan zijn ziekbed kwamen opzoeken, sprak hij over het vormen van het nieuwe Ministerie, en al wat hierover in de couranten verscheen moest ik hem voorlezen of vertellen. Dat zijn einde nabij was, daarvan was hij zich niet bewust en ik zorgde dat hij er onkundig van bleef.
Op den 5den Juli 1905 is hij zacht ingeslapen.
Alle bladen hebben bij zijn dood waardeerende artikelen aan Gerritsen’s leven en werken gewijd. Ik wensch hier slechts enkele zinsneden aan te halen, omdat zij hem goed karakteriseeren.
Uit „de Telegraaf” (van 5 Juli 1905):
Reeds in 1888 vaardigden de Amsterdamsche kiezers C. V. Gerritsen naar het Prinsenhof af, en het was daar, als raadslid en als wethouder, dat hij zijn beste krachten aan de openbare zaak mocht geven. Van het groepje radicalen, toentertijd in den raad, was hij een der vurigsten en warmsten, die allerminst de kunst verstond zijn tegenstanders langs den weg der gemoedelijkheid tot zwijgen te brengen.
Zijn wijze van optreden prikkelde daartoe te zeer de gemoederen, wat echter niet wegneemt, dat men hem, overtuigd als men was van zijn werkkracht, zijn ijver en zijn liefde voor de zaak waarvoor hij streed, in 1898 als wethouder koos, in welk ambt hij de leiding van het Armwezen en de Handelsinrichtingen op zich nam. Veel heeft Amsterdam aan zijn optreden te danken. De achterlijke toestanden op het gebied van de armenzorg vonden in den nieuwen wethouder een ernstig bestrijder, en men zal zich den fellen strijd herinneren, dien hij, met zijn nieuwe regeling van den geneeskundigen dienst, tegen tal van geneesheeren in deze stad te strijden had. Hij gaf geen kamp en won. De nieuwe dienst heeft reeds wonderen verricht, niettegenstaande de korte spanne tijds, dat hij in werking is en blijkt een zegen voor de armen in deze gemeente. Hiermede is wel de grootste verdienste van den heer Gerritsen als wethouder geschetst.
En het Volksblad „de Echo” (5 Juli 1905) getuigde:
Door alles wat wethouder Gerritsen in het belang van Amsterdam tot stand bracht liep één lijn; alles ademde één geest; alles droeg één en hetzelfde merkteeken, namelijk dat van ontworpen, bedacht, uitgewerkt te zijn door een man, die met al te zeer verouderde begrippen wenschte te breken; die zich ten taak had gesteld om als ondeugdelijk, als onhoudbaar en verderfelijk al datgene uit de Gemeentehuishouding te verwijderen, wat daarin nog bloeide en woekerde uit de dagen en tijden, dat dikke nevelen nog het werk der vroedschappen en hunne gecommitteerden aan de contrôle der burgerij onttrokken.
En wèl was er destijds dan ook reden voor ons om het aftreden van den heer Gerritsen als wethouder voor Amsterdam een zeer groot verlies te noemen,—het verlies van de kennis, het talent, de reuzen-werkkracht en het vóórziende beleid van een man als Gerritsen steeds bleek te zijn.
De dood komt maar o! zoo zelden gelegen. Maar ditmaal is zijn verschijning toch al buitengewoon treffend.
Ziedaar een man, die na een leven vol inspanning, vol arbeid en opoffering in wat naar zijne opvatting het algemeen belang was, geveld op het oogenblik dat een groote wensch van zijn leven zich tot werkelijkheid zou gaan voltrekken.
Opnieuw had ik mijn steun in het leven verloren en stikdonker leek mij den weg dien ik verder alleen zou hebben af te leggen.