← Table of contents
Haïti

HAÏTI. (continued 2)

Reading edition

Tegenwoordig is Grand-Goave een ellendig, verlaten, vergeten dorp, dat ettelijke honderden zakken koffie, sterk met steenen aangevuld, naar Port-au-Prince verzendt.

“Gij behoeft hier niet aan te leggen, zeide ik tot den schipper; ik heb alles gezien. Ga maar voort.”

Na een voorgebergte te zijn omgevaren, liepen wij, na verloop van een uur, de diepe baai van Petit-Goave binnen, en zetten koers naar de haven, die vroeger door het Fort-Royal werd verdedigd.

Petit-Goave was eenmaal op het punt, de hoofdstad der kolonie te worden. De veilige haven, die tegen alle winden gedekt is en waar de grootste schepen kunnen ankeren, vestigde de aandacht op deze plaats. Men had reeds vrij belangrijke versterkingen aangelegd, om de Spanjaarden en Engelschen af te weren, en het plan eener stad ontworpen, toen van het voornemen werd afgezien. Na de stichting van Port-au-Prince, raakte Petit-Goave in vergetelheid.

Het vaartuig lag aan den wal. Ik sprong aan land en begaf mij onmiddellijk naar het bureau van den kommandant, den generaal Gracchus Petit, voor wien ik een brief van zijn confrater Tiberius Zamor bij mij had. De generaal ontving mij op aartsvaderlijke wijze. Hij zat juist aan tafel; er werd een couvert voor mij gezet, en wij vergastten ons te samen aan eene mama-kip, die zeker wel de eerwaardige matrone was geweest van mijns gastheers kippenhok.

Al etende, verzocht ik den generaal mij alles te vertellen, wat hij van de stad en hare omgeving wist.

“Ja, zeide hij, wat zal ik u in ’s hemels naam vertellen? In het kanton des Palmes is er, boven op een berg, een vijver van zoet water, van anderhalve mijl in omtrek, waar de visschers dikwijls visch vinden en de jagers waterwild in overvloed.

—Vermoedelijk is die vijver de krater van een uitgebranden vulkaan?

—Ja, dat weet ik niet. Zuidwaarts van de stad strekken zich moerassen uit, die vooral in het heete jaargetijde, de lucht verpesten. In den omtrek groeit veel koffie en ook vele andere vruchten; het kanton van Trou-Chouchou is bekend om zijn oranjeappelen en bananen. De lieden hier oefenen tegenwoordig geene andere industrie uit, dan het maken van houten stoelen met matten zittingen en roodgeverfde pooten. Maar de grootste merkwaardigheid der stad is ongetwijfeld de boom, waaraan menschen groeien.”

Dit zeggende, keek de kommandant mij aan, en lachte, alsof hij iets zeer merkwaardigs had medegedeeld.

“Dien boom, waarvan ik spreek, ging hij voort, zie ik alle dagen, en als wij gedaan hebben met eten, zal ik hem u toonen.”

Na afloop van de tafel bracht hij mij inderdaad, op het groote plein, aan den voet van een zonderlingen tamarindeboom, waarvan de vruchten werkelijk zeer veel gelijkenis hadden met een menschelijk gelaat, in profiel gezien. Ik plukte voor de aardigheid eenige vruchten, en wij vervolgden onze wandeling door de stad.

Men moet de steden niet beoordeelen naar haar naam. Petit-Goave is metterdaad het groote. Twaalf ongeplaveide, elkander rechthoekig snijdende straten scheiden de twintig blokken van ongelijke grootte, waaruit de stad bestaat. In 1805 door den oproerling Lamarre in brand gestoken, werd zij later bijna geheel herbouwd. Desniettemin zijn twee of drie uren meer dan voldoende om Petit-Goave in alle bijzonderheden te bezien. Bij het invallen van den nacht gaf ik bevel om weder onder zeil te gaan, hoewel er een storm in aantocht was.

Het duurde niet lang of de boot vloog over de onstuimige golven, door de branding her- en derwaarts geworpen. Eensklaps hoorde ik te midden van het gebrul, geloei en gesis der woedende wateren, een luid geloei, dat uit de duistere diepte scheen te komen; het raadselachtige dreigende geluid herhaalt zich tot twee-, driemaal.

“Wat is dat?” vroeg ik aan Papaloute, die met twee handen de roerpen hield omklemd.

—Vermoedelijk een pantou-fouillé.

—Wat bedoelt ge daarmede?

—Een beest, dat in zee leeft, reusachtig groot is en horens heeft, waarmede het een boot kan omverwerpen. Mijn vader heeft mij verhaald, dat op de hoogte van Petit-Goave, een pantou-fouillé het roer heeft weggeslagen van een vaartuig, waarop hij stuurman was.”

Uit nieuwsgierigheid boog ik mij over de verschansing, ten einde zoo mogelijk het monster te ontdekken, dat ons volgde, in de hoop eene prooi machtig te zullen worden. De nacht was zoo duister, dat de zee van inkt scheen, en men niets hoegenaamd onderscheiden kon. Om niet langer door visioenen geplaagd te worden, ging ik in mijne kooi liggen en sliep gelukkig weldra in, daar de storm inmiddels bedaarde. Ik ontwaakte niet voor den volgenden morgen ten vijf uren.

VII.

Een eigenaardig panorama ontvouwde zich voor mijne oogen.

Voor mij zag ik hoopen planken van dennenhout, bij wijze van een vlot geschikt; achter mij lagen vaartuigen met de vlaggen van verschillende natiën, vlak voor den wal, voor anker. Rechts en links zag ik rijen houten huizen van eene verdieping, ter wederzijde van nauwe straten geschaard. Op een heuvel stond de kerk, wier ligging mij herinnerde aan die van Notre-Dame de la Garde te Sainte-Adresse, een voorstad van Hâvre. Een krans van hoogten, die overal boven de daken uitsteken, scheen een wal om de stad te vormen.

Dat was Miragoâne. Ook deze stad kan men in een paar uren afzien. Aanvankelijk niets meer dan eene aanlegplaats van het kerspel van Fond-des-Nègres of liever Saint-Michel, verhief zij zich langzamerhand tot een vlek. Haar voornaamste uitbreiding dagteekent van 1812. Waar vroeger vaartuigen het anker uitwierpen, staan nu huizen, die gebouwd zijn op aan de zee ontwoekerde gronden, ten gevolge van voortdurende aanplempingen. Deze manier van landaanwinning is hoogst eenvoudig. Men koopt een stuk van een heuvel en een stuk van de baai. Men graaft den heuvel af en dempt daarmede een stuk van de zee. Miragoâne dankt haar snellen vooruitgang aan de openstelling van haar diepe en veilige haven voor vreemde schepen. Aan den ingang der baai ligt een frisch en lommerrijk eilandje, la Frégate genoemd, dat ’s zondags druk bezocht wordt.

Ik bleef acht dagen te Miragoâne, en ging des morgens en des avonds uit, zoodat ik overvloedig tijd had om alles te zien:—aangenomen dat er wezenlijk iets te zien is. Ik bezocht de drie of vier forten, natuurlijk allen in vervallen toestand; de haven, de zoogenaamde Cercle of Détour, eene wandeling langs de zee, die naar een zoutbron voert, waar ik des morgens, vóór zonsopgang, een bad ging nemen; en voorts enkele punten in den omtrek.

Den 18den Februari, ’s morgens ten vijf uren, vertrok ik te paard van Miragoâne, vergezeld van eenige mijner leerlingen.

Alles beloofde een prachtigen, prettigen dag. De weg, die langs de zee loopt, is vlak en vrij gemakkelijk. Langs Trou-Forban kwamen wij, na een rit van twee uren, aan de Rivière-Froide, aan wier oevers twee rijen zwarte waschvrouwen, slechts met een stuk doek om de lendenen gekleed, haar linnen tusschen twee steenen persten. Wij trokken te paard door de rivier en bereikten op den namiddag de haven van Nippes, vroeger Petite-Rivière-du-Rochelois of kortweg Rochelois genoemd.

Een tweede rit van drie uur bracht ons te Anse-à-Veau, hoofdplaats van het arrondissement van Nippes, waar al even weinig te zien is als ergens elders in dit land.

Ik besloot toen over zee naar Jérémie te gaan. Ik sloot eene mondelinge overeenkomst met den eigenaar van een goëlet, die den heilspellenden naam voerde van Dieu merci. Den volgenden morgen, 19 Februari, gingen wij onder zeil en verlieten de haven van Anse-à-Veau, die slechts voor zeer kleine booten toegankelijk is. Voor den ingang ligt een koraalbank, die zich voortdurend uitbreidt; en de kleine rivier, die in de haven uitloopt, voert zulk een groote hoeveelheid zand aan, dat zij gaandeweg gedempt wordt.

De zee was kalm en de wind gunstig. Wij voeren langs enkele baaien en voorgebergten, langs een paar eilandjes en vlekken, het een al even nietsbeteekenend als het ander. Tegen den avond begon het te stortregenen, terwijl de duisternis ons belette iets te zien van de kust waarlangs wij voeren.

Het varen op deze, nu eens vreeselijk eentonige, dan weer onstuimige zee begon mij hartelijk te vervelen. Eindelijk, tegen vier uren, hield de bui op; het begon te schemeren; de golven werden minder woelig; de hemel helderde zich op en bij de eerste stralen van de opgaande zon zagen wij Jérémie, de stad, waarnaar wij zoo hartelijk verlangden. Op het eerste gezicht maakte zij een zeer aangenamen, uitlokkenden indruk. Achter haar verrijst een hooge heuvel, waarop twee blokhuizen staan, door Salnave gebouwd. De tegenwoordige stad, die voor 1756 Trou-Jérémie werd genoemd, naar een aldaar gevestigden visscher, is in twee deelen gesplitst, de boven- en de benedenstad. De eerste is zeer aangenaam gelegen en heeft de gedaante van een rechthoek. De tweede volgt de kromming van de kleine baai, die haar tot haven dient. Deze haven ligt geheel open voor den noordenwind, en wordt dan ook bijna alleen bezocht door amerikaansche goëletten, die niet noodig hebben lang te vertoeven om haar lading kwijt te raken.

Boven de stad bevindt zich de Calvariënberg. Naar men zegt, had Desbois hier een mutsert laten oprichten, die steeds brandende werd gehouden, en waarop hij de zwarte en gele gevangenen, die men hem toezond, liet ter dood brengen. Maar wat ik bovenal verlangde te zien, was Guinaudraie, de plantage, waar, in 1762, Alexandre Davy Dumas werd geboren, zoon van den markies de la Pailleterie, eigenaar der plantage en van eene afrikaansche slavin, en vader van Alexandre Dumas I, wijlen den onuitputtelijken romanschrijver. Guinaudraie is tegenwoordig eene wildernis, zoo als trouwens alle vroegere plantages.

Ik klom ook naar boven, naar het fort Mafranc, dat in 1804 is gebouwd. Na een uur geklauterd te hebben, bereikte ik den top van den berg, van waar ik den ganschen omtrek kon overzien. Niets is meer geschikt om zich een denkbeeld te vormen van de geweldige uitwerking der vulkanische schokken, dan een blik op deze landstreek. Deze met een dichten, bijna wolligen plantengroei bedekte hoogten gelijken sprekend op de bulten van reusachtige drommedarissen. De Grand-Rivière, een der belangrijkste stroomen van Haïti, ontspringt op de hellingen van de Cahouane en slingert zich over eene uitgestrektheid van vijf-en-twintig mijlen, tusschen deze eentonige hoogten, als een zilveren reuzenslang.

Den 27sten Februari vertrok ik te paard naar Trou-Bonbon, en reed den ganschen morgen voort, zonder eene woning of een menschelijk wezen te bespeuren. De bananen rondom mij schenen alleen voor de vogelen des hemels te rijpen. De rijk beladen oranje- en mangoboomen boden hun gouden vruchten aan ieder, die ze plukken wilde.

De Ravine du Sud. (Blz. 366.)
De Ravine du Sud. (Blz. 366.)

De Ravine du Sud. (Blz. 366.)

Trou-Bonbon, op een mijl afstands van Jérémie, is een klein dorp, aan eene baai, die veel door de kustvaarders bezocht wordt en vol vaartuigen lag. Ik betaalde mijn gids, die mijn gehuurd paard weder naar den eigenaar zou terug brengen, en ging aan boord van de Bout-de-Macaque, met bestemming naar les Cayes.

Wij varen langs de landpunt der Abricots, waarbij het vlek van dien naam ligt, aldus genoemd naar de groote menigte abrikozenboomen, die de Europeanen bij hunne komst in deze streek vonden. Volgens Moreau de Saint-Méry beschouwden de Indianen, de oorspronkelijke bewoners van het eiland, deze bosschen als het paradijs. Als zij den dood voelden naderen, lieten zij zich daarheen brengen, en bliezen daar, in het woud, in een aan de takken bevestigde hangmat liggende, kalm en rustig den laatsten adem uit. Zij hielden zich overtuigd, dat hunne zielen dan voortaan in stillen vrede zouden omwandelen door deze heilige bosschen, in schaduw der boomen, wier geurige vruchten hun tot voedsel zouden verstrekken. Want ook deze eenvoudige kinderen der natuur geloofden aan een leven na den dood.

Op nieuw baaien en voorgebergten en enkele vlekken. Wij komen te Anse-d’Eynaud, de hoofdplaats van het arrondissement Tiburon en residentie van den kommandant. Het vlek heeft zich eenigszins ontwikkeld, nadat de haven voor vreemde schepen werd opengesteld. Wij bleven hier vier dagen. Ons vaartuig moest eene lading tafia innemen. Toen ik op den morgen van den vijfden dag, met nog andere passagiers, aan het strand verscheen om weer scheep te gaan, was er van de Bout-de-Macaque niets meer te bespeuren. Was het vaartuig vertrokken? Neen, de kiel moest hersteld worden.

Wij moesten naar een ander vervoermiddel uitzien. De kommandant van het arrondissement had de beleefdheid mij een paard te leenen, om mij naar Tiburon te begeven, waar ik een vaartuig zal vinden, dat naar les Cayes gaat.

Tiburon ligt aan den voet der bergen van la Hotte, en ontleent haar naam van het woord, waarmede de Indianen een haai aanduidden: buron. De haven van het overigens ellendige vlek wordt nog al bezocht.

Het had geregend en de weg was in een poel verkeerd. Ik ontmoette niemand dan eene enkele negerin, en was blijde toen ik eindelijk het dorp bereikte, waar ik een vaartuig verwachtte te vinden. Er was er geen. Alle booten waren ’s morgens uitgezeild. Ik was verplicht, zeven dagen lang in dit ongelukkige nest te blijven, en kon eerst den 12den Maart vertrekken met een boot, die aan een reeder van les Cayes, Jabouin, toebehoorde en naar Tiburon was gekomen om koffie te halen.

Nogmaals eene opvolging van baaien en vlekken en landpunten, met hier en daar een ellendig dorp. Langs deze kust vindt men een aantal eilandjes, door klippen en riffen omringd, waaronder la Folle, een gevaarlijke rots, bekend door de schipbreuk van het fransche oorlogschip Bouvet, in 1868.

Eindelijk kwamen wij aan de baai van les Cayes, die drie mijlen breed is en zeker een der schoonste van het geheele eiland is. Bij fraai weder herinnert zij eenigszins aan de golf van Napels; hemel en zee hebben diezelfde schoone blauwe kleur. Nauwelijks was ik aan land gestapt, of ik herkende een jeugdig docent, den heer Lassègue, met wien ik te Port-au-Prince kennis had gemaakt. Ook hij had mij herkend en kwam aanstonds naar mij toe. Mijn cicerone was gevonden en ik volgde hem.

Den volgenden morgen werd ik door het leven voor mijn venster gewekt: de inlandsche koopvrouwen waren bezig, op het marktplein hare koopwaren uit te stallen. De kraampjes zijn hoogst eenvoudig en toch opmerkelijk. Men steekt een hoogen bamboestengel in den grond, en bevestigt daaraan eene geweldig groote mat, die telkens naar de zijde van de zon wordt gedraaid, zoodat die kraampjes eenigermate den indruk maken van scheepjes onder volle zeil.

Les Cayes is ruim anderhalve eeuw oud, doch heeft zich vooral sedert 1804 uitgebreid. De stad is steeds verschoond gebleven van de vernielende rampen, branden en aardbevingen, die Cap-Haïtien en Port-au-Prince zoo dikwerf geteisterd hebben. Daarentegen richten de overstroomingen van de Ilet en van de Ravine du Sud dikwijls ernstige verwoestingen aan. Ook zijn de orkanen hier zeer veelvuldig. Een der geweldigste was die, welke in den nacht van den 12den op den 13den Augustus 1831 woedde. De kracht van den wind was zoo hevig, dat hij verscheidene huizen medevoerde. De opgezweepte zee drong in de stad door, en op sommige plaatsen stond het water vijf voet hoog. Ook de omliggende vlakte werd voor een deel overstroomd, en eenige honderden menschen verloren bij die ramp het leven. De schepen, die, in de haven geene veilige ligplaats vindende, naar de baaien van Mesle en des Flamands waren gevlucht, om daar te ankeren, werden op de kust geworpen en verbrijzeld.

Het binnenkomen der stad van de landzijde levert een schilderachtigen aanblik op. Een vijftienhonderd el lange straatweg, ter wederzijde door slooten omzoomd, voert van de Quatre-Chemins naar eene brug over de Ravine du Sud. Langs dezen weg staan een aantal woningen met tuinen, die, wanneer zij niet zoo schromelijk vervallen en verwaarloosd waren, een aangenaam verblijf zouden zijn, waar men de genoegens van het landleven kon genieten, zonder de stad te verlaten. Om de gemeenschap met de voorstad Reynaud te vergemakkelijken, heeft men over de Ravine du Sud een aantal houten brugjes en vonders gelegd.

Gedurende het bestuur van den generaal Marion, kommandant van het arrondissement, den 20sten November 1831 te les Cayes gestorven, werden alle publieke gebouwen gerestaureerd, en vestingwerken aangelegd tot verdediging van de haven; ook werd op het marktplein en op andere plaatsen in de stad begonnen met het maken van fonteinen. Tegenwoordig is van dit alles bijna niets meer te vinden, en wat er nog van overig is, ziet er zoo ellendig en verwaarloosd mogelijk uit.

Het zoogenoemde altaar van het vaderland, op de place d’Armes, is rondom door graven omgeven.

Toen ik de stad in alle bijzonderheden kende—waartoe niet veel tijd noodig is—organiseerde de heer Lassègue een rijtoertje naar de aangrenzende vlakte du Fond, die eene oppervlakte beslaat van twintig vierkante mijlen en door onderscheidene fraaie, breede wegen doorsneden wordt.

Wij bezochten eerst het fort des Platons, in 1804 door Geffrard gebouwd, dat eene onderaardsche, bomvrije kazerne heeft; het kamp Gérard, waar Dessalines, in 1803 een auto-da-fé aanrichtte met de brevetten, door Lamour-Dérance aan de officieren van het Zuiden gezonden, en ook het kamp Prou. Eenige mijlen verder vindt men het kamp Perin en het kamp Boudat, eene uitmuntende stelling, door een dubbelen wal verdedigd. Tijdens de burgertwisten en oorlogen van 1868, had de president Salnave hier militairen gelegerd. In de vlakte du Pond stichtte Ovando, ten jare 1503, de stad Salva Tierra de la Zabana, die in 1606 weder verlaten werd.

De lucht te les Cayes is zeer vochtig, en wordt nog ongezonder gemaakt door de kwaadaardige uitdampingen der moerassen, die de stad omringen. Wanneer het regent, blijft het water, dat nergens eene gelegenheid tot wegstroomen vindt, in de straten staan. Van daar dat rhumatiek, borstaandoeningen, tering hier zeer gewone ziekten zijn. Ik vertoefde hier een maand, en was gedurende al dien tijd verkouden. Ik was dan ook hartelijk blijde, toen de stoomboot Esther, die naar Jacmel ging, de haven van les Cayes binnenliep; den 12den April ging ik ’s morgens ten vijf uren aan boord, met mijn vroolijken vriend kapitein Cautin. Bij het verlaten van les Cayes was er slechts een ding, dat ik ongaarne miste: mijne roeitochtjes op de prachtige Ravine du Sud, te midden van de weelderigste tropische flora.

De stoomboot liep weldra de baai van Saint-Louis binnen, de veiligste en schoonste van het Zuiden, vroeger baai van Cromwell genoemd, omdat de vloot, door den beroemden Protector uitgezonden ter verovering van Jamaïca, hier in 1655 het anker uitwierp. De tegenwoordige naam der baai werd haar in 1677 gegeven. Dienzelfden naam draagt ook het aan den oever gebouwde vlek, dat in 1698 werd gesticht, in het jaar der oprichting van de Compagnie van Sint-Domingo. Na de opheffing dezer compagnie, die hier haar hoofdkantoor had, in 1721, werd het vlek op nieuw aangelegd. Het ligt aan den voet van een ruim vijfhonderd el hoogen heuvel en heeft de gedaante van een langwerpig vierkant, met rechte en breede straten. Op een eiland in de baai, het Grand-Ilet, ziet men nog de ruïnen van het oude fort, dat vroeger den toegang tot de stad moest verdedigen.

Tegen den middag kwamen wij aan de baai van Aquin of Yaquimo, waar Columbus in 1494 voet aan wal zette. Aquin is bekend om zijn schapen, zijn oesters en zijn truffels. Omstreeks vier uren stoomden wij langs Bainet, aan den oever van eene ruime baai, die ten eenemale van klippen vrij is, terwijl de geheele aangrenzende kust als met een gordel van rotsen is omzoomd: aan deze omstandigheid dankt de baai haar naam, die eigenlijk Baie Nette, schoone baai, beduidt.

Te Jacmel of Jaquemel stapt men af aan een kleinen steiger, van leuningen voorzien. Om de stad te bereiken, moet men een trap beklimmen, waarvan de onregelmatige afgesleten treden steen voor steen wegbrokkelen onder uw voet. Deze stad, waar een vrij levendige handel gedreven wordt, is in twee gedeelten verdeeld: de boven en de benedenstad. In de eerste, Bel-Air genoemd, heeft men een vrij uitzicht over de omringende velden en de zee. De huizen in de benedenstad zijn luchtig en niet zonder smaak gebouwd. Het drinkwater moet uit de Grande-Rivière, ten westen der stad, gehaald worden.

Jacmel is bekend door het beleg, waarbij de soldaten van het legioen van het Westen, met onbezweken moed, voet voor voet het terrein betwistten aan Dessalines, aan Christophe, aan Toussaint-Louverture. Op zich zelven staande forten vormden toen eene lijn van verdediging rondom de stad.

Eene boot, gelijk aan die waarmede ik van Léogane naar Miragoâne was gevaren, bracht mij van Jacmel naar Cayes-de-Jacmel. Dit vlek, omstreeks 1714 gesticht, is alzoo genoemd naar de klippen, cayes, waarmede de naburige kust bezaaid is. In de nabijheid vindt men nog sporen van indiaansche nederzettingen, die doen vermoeden dat dit kanton weleer door een talrijken stam was bewoond, en twee mijnen, door de Spanjaarden geëxploiteerd. Er is hier koper- en ijzererts in overvloed.

Voorbij Jacmel vindt men nog een paar ellendige dorpen langs de bergachtige kust, tot aan de rivier der Pedernales, die de grensscheiding vormt tusschen de neger-republiek Haïti en de republiek Sint-Domingo.

Ik verlangde naar Port-au-Prince terug te keeren; de afstand tusschen Jacmel en die stad bedraagt over land niet meer dan tien mijlen, die men gemakkelijk in een dag kan afleggen.

Ik nam mitsdien een paard en reed tusschen de heuvelen naar de hoofdstad terug. Den 2den Mei 1873 zat ik in den namiddag weer op mijne kamer te Port-au-Prince en vermaakte mij met het eigenaardig tooneel op de straat.

Ik mag niet eindigen zonder een enkel woord te zeggen over dit land, ook naar aanleiding van de vraag, die mij meermalen gedaan werd: welke toekomst heeft deze republiek Haïti?

Mevrouw Beecher Stowe, de schrijfster van den welbekenden roman De Negerhut, wie men zeker niet van vooringenomenheid tegen het negerras zal beschuldigen, dat zij integendeel veeleer geneigd schijnt als den hoogsten type der menschheid te beschouwen; mevrouw Beecher Stowe legt een harer personen, George Shelby, deze woorden in den mond: “Waar is het vaderland der zwarten? Ik zie om mij heen. Het is niet in Haïti: daar ontbreekt het aan elementen: de beken keeren niet tot haar oorsprong terug. Het ras, dat het karakter der Haïtianen gevormd heeft, was verbasterd, uitgeput, kwijnende: er zullen eeuwen moeten verloopen, eer Haïti iets worden kan.”

La Folle. (Blz. 366.)
La Folle. (Blz. 366.)

La Folle. (Blz. 366.)

Ik weet niet, in hoeverre mevrouw Beecher Stowe voor Haïti heil zou verwachten van eene immigratie van echte, onverbasterde negers uit Afrika, het vaderland der zwarten. Zeker, indien de negers der werkelijkheid geleken op het door haar, met eene bepaalde tendenz, geteekende fantazieportret van Oom Tom, dan zou zoodanige immigratie binnen kort Haïti tot een aardsch paradijs, een modelstaat, maken. Doch de neger van mevrouw Beecher Stowe en de wezenlijke neger, zoo als wij dien overal vinden, zijn twee wezens, die zeer weinig met elkander gemeen hebben; en de geschiedenis van Haïti, die toch nog maar weinige jaren omvat, bevestigt het getuigenis, sedert vele eeuwen door de wereldhistorie afgelegd: dat het negerras onbekwaam is, eene geregelde staatsorde, eene werkelijk beschaafde maatschappij in het leven te roepen, zich te verheffen boven de eenvoudigste vormen der maatschappelijke ontwikkeling. In Afrika, het vaderland der zwarten, is nergens een spoor van eenige hoogere beschaving te vinden; hier in Haïti, waar het negerras anderhalve eeuw lang in aanraking is geweest met blanken en te midden eener beschaafde maatschappij heeft geleefd, onvermogen, niet alleen om zich die beschaving werkelijk toe te eigenen en verder te ontwikkelen, maar zelfs om het bestaande en overgeleverde te behouden. Sedert de zoogenaamde vrijverklaring is het land, ook wat het gehalte der bevolking aangaat, voortdurend achteruit gegaan; en zoo er voor dit door de natuur zoo rijk gezegende land nog immer eene betere toekomst zal aanlichten, dan kan dit alleen geschieden, wanneer op nieuw blanken, hetzij dan Europeanen of Amerikanen, de macht in handen nemen en het negerras teruggebracht wordt tot de ondergeschikte plaats, die het in spijt van alle theorieën door de natuur is aangewezen.

Illustration from Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings