← Table of contents
Grashalmen

UIT: CALAMUS

Maurits Wagenvoort translation

OP ONBETREDEN PADEN

Op onbetreden paden,

In het gewas der poelzoomen,

Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,

Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de

genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,

Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,

Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet

algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel,

Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen

vindt in zijne gezellen,

Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,

Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende

lippen,

Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik

antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.)

Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het

andere omvat,

Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die

van mannelijke gehechtheid,

En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen

hooren,

Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,

Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn

een en veertigste jaar,

Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of

geweest zijn,

Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...

Ik zal de noodzaak van makkers loven.

WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT

Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,

Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet

nutteloos,

Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,

Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.

Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?

Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?

De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,

Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en

alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet,

Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten

uitputten,

Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk

maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven,

Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door

mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne

schouders,

Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.

Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,

waar ik U zal beproeven,

Of achter een rots in de open lucht,

(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,

noch zult gij mij in gezelschappen zien,

En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een

ongeborene of een gestorvene),

Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst

zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt

kan naderen,

Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil

eiland,

Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,

Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van

den jongen echtgenoot,

Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.

Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed,

Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag

op uw heup,

Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;

Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,

En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en

gedragen te worden eeuwiglijk.

Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,

zal er gevaar voor U zijn,

Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,

De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en

steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan,

Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat

haddet, zie dan toe!

Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.

Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat

ik dit boek heb geschreven,

Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest,

Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij

hoogdravend prijzen,

Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn

best een zeer gering getal) die liefde winnen,

Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen

even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien,

Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en

waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten;

Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.

NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP

Niet enkel in wat ik mij van de borst werp,

Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in

strijd ben met mijzelf,

Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten,

Niet in de vele eeden en beloften die ik brak,

Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel,

Niet in de ijle levenskracht der lucht,

Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen,

Niet in dat wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn

binnenste, dat eenmaal zal ophouden,

Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken

heb toevertrouwd,

Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij

uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was,

Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden,

Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden,

echo's daarvan, doode woorden,

Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap,

Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van

elken dag,

Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend

aannemen en verstooten—niet dààrin,

Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O

mijns levens polsslag!

Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst

dan in deze zangen.

DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN

De vreeselijke twijfel van den schijn,

De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden,

Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn,

Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs

slechts een mooie fabel is.

Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen,

heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren,

De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen

slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval

is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend,

(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij

mij verlegen maken en mij bespotten!

Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen

weet,)

Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig

standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op

een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken

anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker

anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn

van nu of in 't geheel niets is;

Deze en dergelijke vragen worden wonderbaar beantwoord

door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden,

Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd

naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt,

Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en

redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt,

Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid,

ik ben stil en vraag niets meer,

Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het

identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden,

Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan,

ik ben tevreden,

Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen

bevredigd.

GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN

Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen,

Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk

uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet,

Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man

die de teederste minnaar was,

Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn

vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind,

Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke

zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte,

Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan

zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden,

Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze

nachten, vol onvoldaanheid,

Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij

hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was,

Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles,

in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden

hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen

verwijderd,

Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den

schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend

op zijn schouder rustte.

TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE

Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het

Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de

nacht die volgde toch geen nacht van geluk,

En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt

waren, was ik toch niet gelukkig,

Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief

volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den

rijpen herfstadem,

Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het

morgenlicht verdwijnen,

Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed,

baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag

opstijgen,

En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft,

op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig,

O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag

voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk

voorbij,

En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende,

's avonds, kwam mijn vriend,

En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de

wateren langzaam rollen, rollen op het strand,

Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend

op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen,

Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn

zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht,

In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht

naar mij toegekeerd,

En zijn arm lag zachtkens over mijn borst—en die nacht

was een nacht van geluk.

VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN?

Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken?

Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel

anders dan gij denkt;

Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden?

Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen?

Denkt gij dat mijn vriendschap U onvermengde voldoening

zou schenken?

Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw?

Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne

zachte en verdraagzame woorden?

Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt

naar een werkelijken held?

Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer,

dat dit alles misschien niets is dan maya, illusie.

IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK

Ik zag in Louisiana een levenseik,

Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne

takken,

Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij

zich in blijde donkergroene bladen,

En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan

mij-zelf,

Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon

uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn

zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen,

En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er

wat mos om,

En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er

altijd het oog op heb,

't Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden

te doen denken,

(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig

anders dan aan hen,)

Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet

me aan mannelijke liefde denken;

Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk

gedijen, alleenig in een groot vlak land,

Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem

heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde

zoekt nabij is,

Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.

AAN EEN VREEMDE

Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend

ik U aanzie,

Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt

in mij als een droom)

Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd,

Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein

en volwassen, herinner ik mij alles weer duidelijk,

Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een

meisje met mij,

Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het

uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne laten

blijven,

Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij

elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard, borst,

handen,

Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel

vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in den

eenzamen nacht,

Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund

zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,

Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze.

IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD

Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door

de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,

Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de

eeuwen gewijde instellingen,

(Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging

er van?)

Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad

dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de zee,

En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot

die op de wateren dobbert,

Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis,

De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden.

ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS

Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem

van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan

benijd ik die veldheeren niet,

En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap,

noch den rijkaard in zijn paleis,

Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen

die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,

Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren,

den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel

den langen weg,

Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier

zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw,

Dan word' ik stil—ik ga haastig voort vervuld van den

bittersten nijd.

SOMS, IN MIJN LIEFDE

Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees

liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt,

Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat

op een of andere wijs het loon zeker is,

(Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord,

Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings