← Table of contents
Goethe's Faust

IV De weg van Faust

Reading edition

1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen

Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel “een tragedie” heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier “helden” was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is, evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede deel, dat “den weg van Faust” bezingt, is niet maar een toevoegsel, waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt, maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit der beide gedeelten is onmiskenbaar.

Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie, een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den weg vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de wildernis? Faust II heeft kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft.

Faust II is een heden na het gisteren van Faust I. Tusschen beide gedeelten van het Faust-poeem ligt een nacht, een nacht van vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden en vermoeienden werkdag: “nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen ijver.” Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft, wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den “proloog” met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten; Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt: geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze maatlooze zieletoestanden.

Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen dagtijd vol ondervinding.

Het zestiend’eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen; de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of na Faust’s ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het ledige Duister der sterrenlooze middernacht.

Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal Faust’s rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt; zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust in zijn gemoed herstellen: “Nu is de nacht neergezonken en heilig verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door de volle pracht der maan bezegeld.” Onder deze zegening slaapt Faust een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht; het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk bestaan van het doorleefde tumult.

Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen ingeluid. Zij zongen het avondlied van de zon, die haar dagreis voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats maakt voor diepen nacht—maar de geesten, die het tweede gedicht openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts: “Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans, die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen: slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken, terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die verstaat en snel handelt.” En bij dit woord verkondigt een geweldig gedruis de nadering der zon: “hoort o hoort naar het aanstormen der Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag.”

Met dezen aanroep is Faust ontwaakt.

2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding).

En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg; geheel het denken van Goethe’s tijd en vooral de natuurfilosofie voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid, die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht alle levens-vrede tot verwoesting keert.

De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en—na eenige jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd, en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust’s wezen uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn, waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden: zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat van zijn streven niet wordt vervuld—zoolang is zijn streven zelf zijn levensweg. Het oneindig streven is de weg van Faust.

Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in tegenstelling met de oude.

Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen zeventiend’ eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch, doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie; in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens.

Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de oude (zeventiend’ eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld; de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije persoonlijkheid erkent.

In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn verwildering gered, doordat “in hem een vaste zin was en onversaagde mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk.” Zijn zedelijkheid was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem gesproken: “wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen” (wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen).

Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt, de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden, de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen, vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet, en deze zedewet is een goddelijke instelling, geen opwelling uit het menschenhart zelf.

De Zeventiende Eeuw heeft het mechanisch denken tot overwinning gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer, en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten, die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf!

De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip, het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme, Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der Zeventiend’ Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd—in de levensleer is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn heilige boek Bunyans Pilgrims Progress een uiting geleverd, die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt, heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans “Christenreize naar de Eeuwigheid” is het Zeventiend’ Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in groote menschenkennis en is het tegendeel van Faust. Geen boek ter wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden, en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen uit zichzelf voortbrengend—dit nieuwer levensbegrip is er onbekend.

Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude leer niet bevroed.

Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen “streven om in eigen zijn te volharden” het eenige fondament der deugd is. In deze uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken; zich-zelf-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg: nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet niet boven zich, maar in zich heeft.

De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de organische. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den metselaar, die ze behandelt—groeit het zaad tot een plant niet door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt, organisch, is de Negentiend’ Eeuwsche gedachte.

Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens overstemd en de “oude” zedelijkheid heeft zich als de kettermeester der nieuwe gedragen.

Goethe’s Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen Negentiende Eeuw zich spiegelt.

De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst.

3. Het besluit tot daden.

“In den beginne was de Daad”, zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust gefilosofeerd. Er staat geschreven: “in den beginne was het Woord”, maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede, ook niet de kracht.

Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad.

In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie, Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman, zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in Carlyle’s Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman, zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze verliezende.

Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust’s dienaar kan blijven geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt door eigen streven den weg van het levensheil.

Faust’s moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel van zijn streven is het besluit tot de levende daad. De daad is uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf; zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk volgens de zedewet; geen “werk der dankbaarheid” of wat ook, waarbij een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als getuigenis. De daden waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid doet gelden: “dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden; tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht.”

Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot zelf-uiting in de daad schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn, nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten, werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden, vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is.

Aan Faust’s besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat vooraf het berouw. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles’ leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot hoofdbelang; in litteratuur kon het in ’t breede geëxploiteerd worden als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend’ Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen—Goethe is te zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking, te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn, aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is: in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten: “brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk van doorleefden schrik.” Hier is het geestelijk herstel van Faust geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis) voorbij is, zie! daar ontwaakt “een krachtig besluit om volhardend naar den hoogsten levensstaat te streven.”

4. De klassieke beschaving als leerschool.—geestelijke vorming.—de idee der schoonheid.

Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta—een streven rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind, en roept nu uit: “den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon.” De waterval werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen; hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende daden van zijn hart. Ziehier zijn weg.

Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai; uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen; de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de schatkist is tot den bodem geleegd.

Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus’ tijd is het godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt; voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband, zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over ’t algemeen genomen, acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle “instituut”) de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de menschelijke schare, dat is voor het gemoed der menigte, want dit is voor zedelijke weldaden ontvankelijk.

Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing doorloopen. Het “strevend in werking zijn” (strebend sich bemühen) moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven zich uitleeft, zoo wil het Grieksche zich inhouden. Werther is de romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen; maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft.

Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond: een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde werkelijkheid heeft veel onschoons en op ’t einde gaat de geheele maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn oogen verschijnen!

Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid, in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de bezinning, maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt met plechtig geluid verzekerd: “godinnen tronen verheven in hun eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar; over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de eenzaamheid?” Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet; maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: “in uw Niets hoop ik het Al te vinden.” Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen, die hij doorloopen moet.

Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij haar aangrijpt.

Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het huwelijk met Helena zal hem tot de zedelijke daad bekwamen.

Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de “Klassieke Walpurgisnacht” moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie, die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat half-dierlijks er meer zij, voortbracht—maar de klare en zuivere geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld, daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg.

5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat.

De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de “oude zedelijkheid” heeft de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische, mechanische aanleg van het Zeventiend’ Eeuwsche denken, sluit den schoonheidszin eer buiten dan in zich.

Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde, begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak tot zijn volmaking.

Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen; maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft aanraking met den geest der Grieksche beschaving.

Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig, omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture zijn daden. De student, die in Faust’s studeercel kwam verkondigen, dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet romantisch zij.

Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als “kosmos” opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël, Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid geweten en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele kultuur gemaakt.

Dit is dus de vrucht van Faust’s scholing door de klassieke kultuur, dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt.

Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust’s armen ontzinken. Wat zij hem verwekt heeft is de poëzie. Immers deze is niet anders dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen, om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion, in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook Helena’s oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is, zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht, stichtster harer eigen beschaving.

6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der zedelijke daad.

Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door het besef van maatvolle orde verhelderd—ziehier den weg van Faust: op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen.

Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat bevredigd wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust, die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar al te gemakkelijken raad op wist?

Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht.

De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in haar symbolische beteekenis doorzien wordt. “Mijn oog was gericht, zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve omhoog te streven—dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij, gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert.

“Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen, de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied, en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven: hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk: zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn wensch, waag het de uitvoering te bevorderen.”

Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk, dat zich in vrije werkzaamheid oefent.

Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet, en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt—doet de zee niets dan verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de “goede werken” voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze daad beteekent Faust’s overwinning over Mefistofeles.

Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later, zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in ’t duin gelegen woonplaats af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt!

Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang, d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen van dezen, maar in Faust’s eigen gevonden en geschapen taak zijn drang vervuld is.

Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen!

Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: “zal ik ooit gerustgesteld mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag, mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken: blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan.”

Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij heeft de daad gedaan die de meest zuivere omzetting is van zijn oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op elk oogenblik nog slechts een betrekkelijke uitdrukking van zijn drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en zoo is het een onvolkomen werk.

Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in ’t nieuwe gebied een beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts weigering. Mefisto volgt Faust’s wenk op eigen manier en.... de hut gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling, naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt.

Toch heeft Faust zijn weg gevonden. Maar de weg is niet het doel, doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in een nieuwe zedelijkheid zich tot het hoogste voorbereid.

Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang hij streeft.

Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie, de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen—zoolang hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg.

Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt zij.—En gij wie zijt gij dan?—Ik ben nu hier.—Verwijder u!—Ik ben ter rechter plaats.—Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? “Uw macht erken ik niet” roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem uit en Faust wordt blind.

Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met onbevredigdheid. “Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid” roept hij uit; en: “de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik.”

De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht, die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto’s gezellen bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen, (want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren!

Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: “nu waag ik tot het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik.”

Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. “Wiens geest altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen” zal van Faust gelden: dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings