← Table of contents
Goede Vaêr Tromp

Naar Zee! Naar Zee!

Reading edition

Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.

Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met hunne roofschepen, en, al zeî ook heel de wereld, dat wij de eerste mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, ’t was of ze met den dag brutaler werden.

Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op één enkelen dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsch oorlogsschip en vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer oorlogsschepen mede.

Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee waren.

Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor onze kooplieden bladzijde 95was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, inplaats van ze te verwenschen.

Weet je waarom?

’T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.

Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.

De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog ter zee voeren!

Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer geleerd hebben, van hem of van Tromp.

Die eene Brielsche kwâjongen is méér dan de andere, de roem van zijne stad en de eer van zijn Land geworden!

Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een handje tegen de Spanjaarden te helpen.

In Oogstmaand van ’41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet behoorde tot de luî, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik Hendrik naar Engeland gingen brengen.

Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning bladzijde 96Karel eens gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk had toen hij zeî: “Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan nog niet dat er tweeërlei soort van menschen zijn en wel matrozen en landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: “Hier ben ik! en jij zegt dan: “En ik ben hier!”—En als we dan zoo over en weer mekaêr gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt: “’K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!” Zie-je, Huib, zoo zouden wij, matrozen en varensluî, doen, en daar we toch wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te denken wat de landkrabben doen!”—

Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.

Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.

Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond dan nog voor een groot deel uit luî, die nooit zeewater geproefd hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander oneens, en toen er zoo’n klein stormpje opstak, liepen er zes van de tien te grienen bladzijde 98en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, alsof hun leste uurtje al geslagen was.

En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. ’T stond bijster mooi aan.

“Goeien morgen, Huib,” zeî ik tot mij zelven, “goeien morgen, Huib, dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!”—

Onderwijl ik dat zoo zeî, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik keerde mij om, en, ’t was om de oogen uit het hoofd te schamen, een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.

“Wat hapert er aan jou, kameraad?” vroeg ik.

Zoo’n lummel!

“Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?” vroeg ik.

“Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik nooit niet meer m’n Smeerdiekje mee z’n klokkespilletje!”—

“Och, och, hoe erg!”— bladzijde 99

“Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z’n klokkespilletje, daer weunt m’n meutje en daer ’oud ik zoovee van!”—

“Wel, wel, dat ’s verschrikkelijk!”—

’T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.

Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag gieren van het lachen, zeî hij: “Dat moet je niet doen, Huib! En jij, goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar weet je wat je doen moet?”—

“Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!” snikte de man.

“Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den goeden God vertrouwen; want die heeft voor ’n armen zeeman ook wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen meê af te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag zooveel geleerd hebt!”

Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en ... daar ging het er van door!

Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te bladzijde 100vereenigen. De vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem na. Maar Gijsels dacht: “Neen, dat bedoel ik niet!” en terstond liet hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter dat hij zoo ’n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,

“Mannen,” riep De Ruyter, “onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche Dons te kwaad; we gaan hem helpen!”

Zoo gezegd zoo gedaan.

Van ’s morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als leeuwen.

Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan narden schoot.

“Dat heb je ’m eens secuur gelapt, kompeer!” zeî ik.

“Jae, jae, dat ’eb ik net! Aoist, aoist, aoist!” juichte hij.

“Aan de pompen, aan de pompen!” kommandeerde De Ruyter, en ’t was noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken hebben, zóó hadden ze ons beschoten.

Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.

Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen bladzijde 101wat er gedaan moest worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol konden honden.—

De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te Lissabon binnen te loopen.

De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen ons niet hielpen. Die luî waren echter liever koud dan moê, en daarom zeî onze Ammiraal op een’ mooien morgen den Koning goeien dag en wij keerden naar het Vaderland terug.

Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch was ik aangekomen of ’t was alweer maar: “Vooruit, Huibje! Help de Duinkerkers eens achter den broek zitten!”—Was dàt afgeloopen, dan was het weêr: “Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok, eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, bladzijde 102help jij met je Brielschen kameraad, ’t “Kregel Mennonietje,” dien Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!

In Hooimaand van het jaar ’44 staken twee en veertig oorlogsschepen onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zeî: “Als ik ga varen, wil ik Ammiraal worden!”—En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip waarop ik kapitein was!—

En nu! ’T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:

Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in ’45 nog eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te beschermen. Nu was zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met bladzijde 103zijne oorlogsvloot door de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte’s hand. Met vijftig wél uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.

Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was, te begroeten.

Witte gaf geen antwoord.

“Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, Ammiraal?” klonk andermaal de vraag.

“Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?”

“Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!”

De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.

Dáár lag het sterke Kroonenburg en dáár stond de Koning.

Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard een paar keeren zijnen hoed af, en zeî: “Dag Kris! Je hebt de groeten van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes uitbetaling houden.”

Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van ’46.

Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.

Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.

Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht ik dikwijls: “Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, ja, dat ben-je!” bladzijde 105

Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al geen botertje tot den boôm. Dat is harrewarren hier en harrewarren daar. Zelfs onder ons sjouwerluî kwam er al verdeeldheid, en dat gaf maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.

Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet geern zag.

En wat was het gevolg?

Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en Piet zeî alweêr: “De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!”

Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.

Nu ben ik op mijn manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag, nu misschien een jaar geleden.

Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd van de Hoeken en Kabeljauwen!”

“Welke boer was dat, Huib?” vroeg Jonge Kees.

“Hei, boer,” riepen ze, “wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?”

“Wacht, we zullen je Hoekschen,” riepen die luî en gaven Krelis een hard pak slaag.

“Dat heb ik al vast beet,” dacht onze maat en ging verder.

’T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo’n troepje van die vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?”

Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zeî: “Kabeljauwsch, mannen! Rondom Kabeljauwsch!”

“We zullen je Kabeljauwschen!” was het antwoord en daar ging het weer, van hetzelfde laken een pak.

“Die heb ik al weer beet,” zeî Krelis, “maar nou zullen ze me niet weer vangen!”—

Daar kwam het derde troepje en ’t was al weer: “Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?”

“Wel,” zei Krelis, “dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!” en den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.—

Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.

“Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!” riep een jonge kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. “Dat vrachtje is voor ons!”

“Heeft de kapitein jeluî dan al aangenomen?” vroeg ik.

“Neê, maar jij blijft er af, ’t is voor ons!” zeide de ander en duwde me met een flinken ribbestoot terzijde.

Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten den besten kwâjongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn’ arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en zeî: “Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!”—

Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.

“We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!” riepen ze en begonnen onder het schreeuwen van: “Landkrabben!” ankersmidje te spelen. Hunne vuisten waren de voorhamers en de koppen van de “Landkrabben” de aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.—Wij, oude zeerobben, waren in de minderheid en weken meer bladzijde 108en meer achteruit, totdat wij onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.

Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.

Ik keek hem aan en dacht: “Jou heb ik meer gezien!”

Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en leî het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.

Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: “Schort het je in je bol?”

De man lachte even en zeî: “Als een visch op het droge, Huib!”

Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die mij vroeger gezegd had, dat er tweeërlei soort van menschen waren, doch ik was het vergeten.

“Hoe maak-je ’t, ouwe jongen?” vroeg ik en stak mijne hand uit.

“Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens gezegd heb?”

“Jij mij gezegd? Wàt heb je mij gezegd?”

“Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?”—

“o, Ja, dat ’s waar ook: matrozen en landkrabben!”—

“Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element en ’t zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob Cats spreekt!”—

“Wat zegt die excellente puikpoëet dan?”— bladzijde 109

“Ken je ’t versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff altet, soo reiten hem de Krehen.

“Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen, Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen, Ick was in ’t woudt gesien, en overal gevreest, Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest, Oock van ’k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen, Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen, Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach, Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach. Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen, Die komen tegen mij, en over mij gesprongen: Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft, ’t Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft.”

“Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd,” zeide ik.

“Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, dan ben je net als dit botje!”

Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den grond lag.

“Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!” gaf ik heel wijs ten antwoord.

“Je bent gladder dan ik dacht, Huib,” zeî de ander weer, en na nog eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het beest in de Maas.

“Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?” vroeg ik.

“Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!”—

“Welke bot?”

“Wel, die ik in de Maas smeet!”

“Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit meer weerom!” antwoordde ik.

“Dat ’s niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen bladzijde 110kan, dat een matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en ’t is zoo vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, even als de wolf, je tanden overleefd!”—

“Maar ik en heb geen zin meer in het varen!” gaf ik eenigszins schoorvoetend ten antwoord.

Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van kwaadheid, riep hij: “Daar heb-je ’t! Daar heb-je ’t! Jawel, als de luî bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: “Adjuus, Vereenigde Provinciën! Heel de wereld groeit je over den kop en je bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, weet-je ’t dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht, kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!

Heb je je Land lief? Naar zee!

Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar zee!

Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!

Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en streken? Naar zee! Naar zee!”

Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren er van alle kanten mannen en vrouwen bladzijde 111komen opdagen, die met open ooren en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar: “Ga voort, ga voort!”

Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: “Hoezee! Hoezee!” bladzijde 112

Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om “Goede vaer Tromp” nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd hebben. “Goede vaer Tromp” zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen volgen, dat is ook zeker!”—

Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder der hoorders volgde zijn voorbeeld.

Thans wist men ook wie Tromp was. bladzijde 113

Notes in this chapter

Note 1 · Portugal was van 1580 tot 1640 met Spanje vereenigd geweest. In 1640 echter werd Portugal onder Johan IV, Hertog van Bragança, weer een onafNote 2 · Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote oorlogsschepen beNote 3 · Sint Maartensdijk een dorp op het eiland Tolen heet in de wandeling steeds Smeerdiek.Note 4 · Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte Nederlandsche naam van tante.Note 5 · Aoist! is vooral op Walcheren een uitroep van buitengewone blijdschap.Note 6 · Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een ledig vat.Note 7 · Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.Note 8 · De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt zelfs, daNote 9 · Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.Note 10 · De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode mutsen.—Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi en beteekent eigenNote 11 · Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.Note 12 · Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet ongepast zNote 13 · Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land een hNote 14 · Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten eNote 15 · “Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!” gaf hij mij ten antwoord.3Note 16 · “En as ze me noe is doodschiete, wat zal m’n meutje dan jule!”4Note 17 · “Aoist, aoist, aoist!” klonk het op eens naast me.5Note 18 · “Veel roemen met een dommen geest, Een ijdel vat bomt aldermeest.”6Note 19 · “Hoeveel schoten? Eén, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een dronkenNote 20 · De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning Note 21 · “En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je ’t vertellen. In den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen en KNote 22 · Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of Kabeljauwen, zeî op de bonnefooi10: “Wel Hoeksch, mannen!”—Note 23 · Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag aan den wal te Rotterdam. Ik stond bladzijde 107al sedert een paar dagen opNote 24 · En Warmont sprak: “Ik en weet niet of jeluî altemaal Rotterdammers zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar”—hij we
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings