Note 137 — Geschichte von England (continued 3)
Reading edition
Clarke’s Life of James, II. 236: Orig. Mem.; Burnet I. 794; Luttrell’s Diary; Clarendon’s Diary, Nov. 27. 1688. Citters, 27. Nov. (7. Dec.) und 30. Nov. (10. Dec.). Citters schöpfte seine Angaben offenbar aus Mittheilungen von einem der anwesenden Lords. Da der Gegenstand wichtig ist, will ich einige kurze Stellen aus seinen Depeschen hier anführen. Der König sagte, „Dat het by na voor heem unmogelyck was te pardoneren persoonen wie so hoog in syn reguarde schuldig stonden, vooral seer uytvarende tegens den Lord Churchill wien hy hadde groot gemaakt, en nogtans meynde de eenigste oorsake van alle dese desertie en van de retraite van hare Coninglycke Hoogheden te wesen.“ Einer von den Lords, wahrscheinlich Halifax oder Nottingham, „seer hadde geurgeert op de securiteyt van de lords die nu met syn Hoogheyt geengageert staan. Soo hoor ick,“ sagt Citters, „dat syn Majesteyt onder anderen soude gesegt hebben: „„Men spreekt al voor de securiteyt voor andere, en niet voor de myne.““ — Waar op een der Pairs resolut dan met groot respect soude geantwoordt hebben dat, so de difficulteyt dan nog te surmonteren was, dat het den moeste geschieden door de meeste condescendance, en hoe meer die was, en hy genegen om aan de natic contentement te geven, dat syne securyteyt ook des te grooter soude wesen.“