HOOFDSTUK VI.
Reading edition
Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.
Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, gouden en zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren, bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden, zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”
Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.
Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.
Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.
Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.
Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.
Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtende druïdessen mede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.
Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger en luisterde droevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…