← Table of contents
Geerten Basse

Front matter (continued 2)

Reading edition

Trees slefte rond in 't keukentje, sloeg haar vent van ter zijde gade, wachtend op zijn eerste woord. Klappijen hadden haar den vorigen dag, nadat ze Geerten 't vunzig-besmoezelde pak had uitgetrokken en te bed geholpen, 't gebeurde in 't lang en breed verteld, haar den wijzen raad gevend van deze gelegenheid te profiteeren om Geerten thuis te houden ... Trees had heur beste kleeren aan en heur vuil donker-bestoven haar zat strakker dan gewoonlijk in twee stijf-weg-gestreken blessen ... Ze schonk koffie op, onafgebroken sprakeloos loenschend naar Geerten wiens tanige verwilderde kop, terug neergezakt was in 't kussen ... Eindelijk nam ze een kop, spoelde ze gauw uit, goot ze boordevol koffie, bracht ze haren man ... Die ongewone vriendelijkheid verwonderde hem, deed hem zacht-aan en meesmuilend slurpte hij met groote slokken den drank, die klokkend spoelde door zijn bier-vuile keel ... Plots Trees aankijkend, taalde hij verbaasd:

"Hedde-gij, verdraaid uwen besten tenue nu niet aan ... Pruttige?..."

—"Ja, Geerten ..."

—"Wel, God van maranten, zoude niet omvallen en ter eere van wat Heilige?..."

—"'t Is moeder-zaligers sterfdag en ik moet naar den dienst, in de Preekheeren ... dat weet ge toch wel ..."

't Leek hem de moeite niet meer waard, daarop te antwoorden. Allemaal centen weggesmeten, meende hij, en liet Trees betijen zonder naar heur om te zien, tot ze eindelijk vertrok na lang zoeken in eene half uit-de kast hangende lade, om heuren paternoster te vinden ...

—"Zijt gij nog thuis, straks, wanneer ik terugkom?" vraagde ze ...

—"'k Weet niet ... 't Gaat u niet aan ... Salut! en den wind ván achteren!..."

Wanneer zijn vrouw weg was, sprong Geerten 't krakende bed uit, begon zich te wasschen in een grooten emmer koel water ... 't Was hem een weelde de frissche nattigheid over rug en harige borst te laten stroelen, en proestend spoelde hij zijn zeep-schuimenden ruigen kop, dat de haren recht stonden in dikke klisjes bijeen-geplakt ...

Nu was hij heelemaal opgeknapt en onder het eten der dikke met margarine besmeerde brood-hompen, kwamen als een martelende obsessie de herinneringen aan 't gebeurde van den vorigen ochtend in hem opdringen. Geerten had verdriet, nu hij wist hoe het onvermijdelijke gebeurd was: tusschen hem en Lowis was alles gebroken en uit.

Kauwend op zijn pruimpje zon hij op wraak, doch het bleek hem weldra bespottelijk zijn plannen te volvoeren. Het hielp tóch niets dat hij Fransken paars en blauw sloeg of de ruiten van 't kroegsken ging ingooien ... Aan zijn vroegere onoverwinnelijke kracht was hij, sedert het gevecht met venijnigen Charel, allengskens gaan twijfelen. Wat zou die lachen en leute hebben om zijn ongeluk ... Hij hoorde hoe de anderen meevooisden: "Dats rats in mijn voeten" ... Franske mocht doen wat hij verkoos: immers 't was een jongman, en dat hij Fientje Mossel zitten liet was een dagelijkschheid, waarover na een wijle, de ratelende tongen wel zouden zwijgen. Zoo redeneerend, besloot Geerten van zich maar in het ongeluk te schikken. Iets anders nam hem nu heelemaal in en dat zou worden zijn wraak ... op Lowis en schoon Franske ... den Venijnigen en al de andere luizen: nu zou hij zijn moteurken welhaast bezitten.

Kort ná 't geval met het in stilte verschacherde vat wijn, was hij in onderhandeling getreden met een constructeur voor 't bouwen van een sierlijk bootje, en daags vóór vastenavond-nog, had hij toegeslagen en een voorschot aan den wantrouwenden handelaar afbetaald ...

Wanneer Geerten aangekleed was, trok hij naar het werkhuis om den bouwer spoed te doen maken, want hij wist wel dat hij voortaan bij de andere bootjes-roeiers niet meer in tel zijn zou ...

Iederen morgen bijna, ging hij nu kijken hoever 't met zijn moteurken stond, en wijl hij nu geen geld thuis bracht, dwong hij Pruttige Trees, elken dag met haren stootwagen vodden te gaan rondhalen in de stad ... 's Avonds moest ze 't geld, dat de opkooper haar betaalde voor de vuile lompen, aan Geerten aftellen en wanneer ze te weinig aanbracht, raasde hij vloekend en dreigend ...

Op een namiddag deed hij zijne oude roeiboot op een steekkar thuis brengen, begon ze dan op te schilderen ten-einde ze te kunnen verkwanselen, want in zijn ijver om 't mooiste moteurken te hebben had hij er versieringen doen aanbrengen, die den prijs ervan deden stijgen boven 't bedrag waarover hij beschikte ...

Trees waagde niet uit te vorschen waarom Geerten niet meer roeien ging; ze meende dat hij zich schaamde over zijn belachelijk avontuur met Lowis, want voor haar bleef de aankoop van 't moteurken een geheim.

Nu ze 't oude roeibootje liggen zag, op de binnenplaats met de versch- geteerde zwartglanzende kiel in de lucht, durfde ze eindelijk te vragen aan Geerten, die ijverig-borstelend de boorden licht-rood kleurde ...

—"Wat zijt-ge nu van zin, Geert, met uw bootje"?...

—"Verkoopen," snauwde hij norsch ...

—"En dan"?...

—"Verrekt", klonk het nurksch-kort-af ...

"Brengt maar eens thuis," voegde hij er bevelend aan toe, veegde dan heel voorzichtig de schel-roode verf uit, profijtelijk-kauwend op een oúwe pruim, speeksel spritsend links en rechts in vuil-donkere vlekken op de grijs-blauwe steenen ...

Van tijd tot tijd nu, trok Geerten de Schelde over naar Sint Anna, waar hij den huisbewaarder der Yacht-Club bezocht, met hem hernieuwend de kennismaking van vroeger toen ze samen als lichte matrozen vaarden op den "Devonshire" ...

Sluw-royaal trakteerde hij, nam den Bart in vertrouwen, deelde hem mee hoe hij in 't geniep een motorbootje liet maken, vroeg of hij hem zou aanbevelen bij de heeren der Club, om hen over te brengen, wanneer zij in den zomer naar op-stroom-gemeerde zeilscheepjes wilden komen ... Vreugdevol staarde Geerten nu de toekomst in, die hem tegenlachte, gul en veelbelovend ...

Op een avond, keerde hij, in-vroolijk, bijna uitgelaten, terug van den constructeur, die hem 't bootje had laten bekijken ... Kant en klaar was het, alleen moest het nog wit-geschilderd worden en van rood-fluweelen zitbankjes voorzien ... Heel helder zag hij de ranke slanke lijnen van den scherpen boeg, en de fijne buiging van de flink-stevige kiel, waar, heel van achter, het kleine drie-bladige schroefje aangebracht was. Nog een week geduld en 't bootje zou door 't Scheldewater klieven ...

Peinzend en zinnend beende hij, door oude gewoonte gedreven, langs de straat, waarin de Plezante bazin woonde. Vóór het huis was het zwart van bijeengedromd volk ... Nieuwsgierig naderde Geerten ... Hij hoorde 't door elkander roepen van twee hoog-schelle vrouwenstemmen, ópjoepend boven 't gelach der omstanders ... Hij herkende de taal van rosse Lowis, was een oogenblik ontroerd, naderde toch om te zien.

De plezante bazin, schoor-staande op beide uitgespreide beenen, de armen wijd-open, versperde met heur zware gestalte de heele deuropening ...

—"En ge zult er niet binnen," krijschte zij, uitdagend ...

—"Smerige rosse hoer"!!...

In de pletsende klaarte der hel verlichte vitrine stond Fientje. Snel vingerde ze in heur kapsel, dat slierend losgolfde op haren rug, greep een paar haarspelden, en heesch-vloekend, wipte ze op Lowis af, poogde haar 't aangezicht van-een te krabben.

De rosse schoot naar heur aanvalster toe, greep ze bij de hangende haren, trok er-mee, woest sleurend dat het meisje van pijn gilde. Met brusken armzwaai klauwde Fientje de bazin door 't van inspanning hoog-paarse gelaat, dat het bloed langs heur kaken biggelde ... "Daar leelijke smots!" ... "Allemansgerief" ... Lowis wilde de tierende vrouw omklemmen, doch zij verweerde zich dapper, greep de bazin in 't roode haar, dat de dikke vlechten uit-een vielen, trok met een sprong de mooie valsche krullen af, smeet ze op den grond, tot groote jool der gapers ...

—"Wat is hier te doen, baaske?" vroeg een juffrouwtje aan Geerten ...

—"Twee wijven die vechten" ...

—"Waarom?"

Zonder antwoord te geven, bang de aandacht te trekken, nu vooral wijl hij Fransken uit het portaal der herberg springen zag om de twee worstelende harpijen te scheiden en partij voor Lowis te kiezen, trok Geerten voorzichtig af ...

Weldra was het overal bekend dat Basse een moteurbootje in de maak had en er eerstdaags mee op de Schelde verschijnen zou. Dit nieuwsje verwekte onder de bootjesroeiers een opschudding van belang, vooral toen ze vernamen dat de "Vijg" op aanraden van Bart van de Yacht-Club in alle Vlaamsche en Fransche kranten eene advertentie had doen plaatsen, waardoor hij beleefdelijk verzocht om de gunst van 't publiek, en zich ter beschikking van ieder stelde voor 't maken van vaartochtjes aan billijke prijzen, op den stroom. Ze vermoedden wel, dat Geerten den Bart lekker had mogen betalen voor die hulp, maar 't gaf hun tevens de zekerheid dat de mededinging nog scherper worden zou.

Rik-Schampavie-zelf, duchtte Geertens concurrentie, het meest wijl hij nog steeds iedere week geld aan den baas uit 't Feschken afkorten moest. Er ontstond van lieverlede eene toenadering tusschen de ploeg van Rik en de gewone roeiers. Geen dag ging voorbij of er werd over Basse gesproken in dreigende woorden, en iederen morgen verwachtten zij er zich aan het spik-splinternieuw moteurken te zien wegtuffen, sierlijk snijdend door 't groene Scheldewater.

Vooral schoon Franske smaalde op zijn vroegeren makker, dien hij nu haatte en vreesde tegelijkertijd, wijl hij hem verdacht Fientje te hebben opgestookt tot het opstootje, waar de vuurrosse schoonheid der plezante bazin, zoo deerlijk gehavend was uitgekomen. Hij was ook naijverig, in stilte bang dat Geerten zijn oude plaats in 't hart der veranderlijke Lowis, terug innemen zou nu hij met zijn motorken meer geld verdienen kon ... Vloekend en tierend, zette hij bulderend, de anderen aan het bootje bij de eerste gelegenheid de beste te vernielen ...

Door de koepeling der doorschijnend-blauwe mei-morgenlucht, waarin zweefden de roomige wollige wolken-vlokjes, goudomboord en flossig, vloeide 't heerlijk jeugdige zonnelicht, de heele ruimte doortintelend met glanzende klaarte, gloeiend op de vergulde tinnen der hooge huizen en kristallijnig flonkerend in de opsprinkelende waterdroppels boven de schuimstrepen, die zachtziedend uitlijnden achter de staag-forschig malende schroef van een wegstevenend stoomschip ...

Rank-wit, sierlijk vlug schoot Geertens moteurken door de opkammende bobbelbaren beschubd met kwijnend-gouden lichttintelingen, door elkander wemelende schakeeringen van veranderlijke kleuren: licht zee-groen vervloeiend tot diep-hemelazuur teer-blank gestreept ... Zijn bootje huppelde blij en gezwind op de hobbelende golven, die achter den loggen stoomer uitwaaierden, tegen den oever klotselend verstierven ... Heerlijk, overmoedig-jong, klonk het doffe tuf-ontploffen over den wiegelenden vloed, werd door de kaaien teruggekaatst ...

Langs den scherpen boeg sprong het water òp, gleed kabbelend op-zij, vloeide in gesmijdige lijning terug omlaag, langs de blanke flanken, in de diepe barenwemeling, werd eindelijk tot wit-opborrelenden schuim-staart geslagen door 't onzichtbare schroefje ...

Met volle kracht, bij kort klare knallen van den motor, scheerde het rijzig-lijnende vaartuigje over de deining als een witte meeuw, drijvend met langs het lichaam gestrekte vlerken, keerend en wendend, lenig-slank, brekend den opsprinkelenden golf-slag, die het een oogenblikje, zacht-veerend dansen deed ... Zoetjes dobberend sneed het door de ruischend-bruisende wriemeling der rolle-bollende baarkens ...

Geerten had daar juist zijn vijfden klant overgebracht, en nu vond hij er een danig genot in zijn moteurken te doen heen en weer varen, midden de zon-overgoten rivier ...

Eene overzetboot paddelde voorbij ...

De menschen op het dek oogden het mooie òp wippende scheepje ná, dat Geerten dwars-door 't vaarwater stuurde ... Traag, onder 't forsche buigen en strekken van spierig-pezige armen, schoven roeisloepjes over den stroom, moeilijk vooruitkomend tegen het opkomend tij, dat de vaartuigjes altijd afdrijven deed.

Schoon Franske, keerde terug van Sint-Anneken. Zijn bootje was leeg ... Regelmatig plonsden de riemen in 't water, deden duizenden zon- doortintelde druppels opstuiven bij elken slag ... Zijn plat-bodemig schuitje was log en zwaar, moeilijk om te besturen.

Tuffend kwam Geerten aandrijven, klievend door de meevloeiende strooming. Franske stuurde zijne boot dwars voor 't moteurken ... Plots-opschrikkend, wilde Geerten opzij-wegschieten, doch de vloed voerde hem mee en met een doffen knots botste hij met groot geweld op Franskens schuitje, dat koppeken onder deed, weer boven kwam ... De motor stond stil, pufte niet meer ...

Franske was overeind gesprongen, een riem hoog-opgeheven, vloekend ... Met een forschen armzwaai bonsde de roeispaan op den half-verdekten boeg van 't moteurken, sloeg een diep bosselende bluts in 't zink, deed de afblottende verf in schilfers rondspringen.

Woedend, schor-schreeuwend greep Geerten zijn noodriem, die in 't bootje lag, zette zich schrap-schrijlings op 't rood-fluweelen zitbankje, zwierde met uitgestrekten arm zijn riem boven Franskens kop ... Van den oever kwamen roeibootjes aanvaren, snel voortbewegend onder de dubbel-krachtige slagen der nieuwsgierige mannen ... "Zóo rap hadden ze't nu toch niet verwacht" ...

Met een fellen slag verbrijzelde Geerten den riem in Franskens hand ... De brokken ploften in 't water en van den hevigen schok wiegewaagden en dobberden de bootjes, wild stijgend en dalend ... Ras vatte Fransken zijn tweede roeispaan, hakte er geducht mee op 't witte vaartuigje, dat bij elke wiegeling water schepte.

Al de roeischuitjes lagen samengeschoold om de worstelende mannen, wier machtige gestalten flink-omlijnd, pezig-stoer, klaar-afgeteekend stonden op de ijlheid der zon-doorgloeide meilucht. De kampers repten geen woord, hijgden van inspanning, elk oogenblik vreezend den noodlottigen houw, die hun deinend bootje zou doen kapseizen ... De kijkers riepen, hitsten hen op lijk vechtende honden. Op de wandelbruggen, op de dekken der schepen, aan de kade, verdrongen zich de toeschouwers, staarden met verwonderd-angstige blikken. De hevelende kranen, stonden een pooze roerloos met in de lucht den bengelenden last aan den stijf uitgestrekten arm, en gedurende een oogenblik, hing ongewone stilte boven den rimpelenden stroom, waarover laaide in slinger-strepen vloeiend goud, de pure straling van 't zonnelicht.

Geerten bukte zich, den ruig-behaarden kop intrekkend tusschen beide schouders, wipte dan weer recht, kapte als een bezetene op Franskens schuitje ...

Plechtig-bijna, hief Franske de zware roeispaan krampachtig met beide handen omkneld, omhoog, wijl zijn bloeddoorloopen oogen uitpuilden in 't roodblakende toorngezicht, zijn nekpezen als koorden spanden, en zijn spieren dik-bolden; liet nu brusk den riem met volle kracht neerbonken op Geertens schoft. 't Moteurken sloeg op-zij en met een plof plompte Geerten 't water-in, dat hoog opspatte in iriseerende droppels ...

Basse's kop, kwam even boven ... Uitgestoken armen klampten hem vast, wierpen hem in een bootje, dat naar de stad terugvoer ... Onderwijl was 't moteurken midden kokende schuimbobbeling van 't hevig woelende en wentelend-kolkende water, gezonken zonder dat één der roeiers er een vinger naar uitgestoken had ... Franske bereikte al flikkerend 't Vlaamsche Hoofd ...

Geerten even tot bewustzijn teruggekeerd, had een wijle de visie eener groote wit-bepleisterde kamer waar in 't licht-gekleede mannen hem warm in wollen dekens rolden, dan hem neerlegden onder zwart-linnen kap van 't wiegende wagentje, dat hem naar 't gasthuis vervoerde.

Heel lijze sleepten de dagen voorbij en werden tot sleur-gelijke eenzame weken en eindelooze maanden voor Geerten, lijdzaam-wachtend de talmende genezing, die hem soms niet-wenschelijk scheen, want 't leven leek hem nu wreed en somber, weeïg van leegte en liefdeloosheid. Toch kwam de beternis stillekens-aan ... en toen hij rechtzitten kon en de heele zaal overkijken, waar nog vele lijders worstelden tegen de krankheid, haakte hij ernaar hier weg te zijn, uit die mokerzware muffe ziekteatmosfeer.

Regelmatig kwam Trees hem bezoeken en ook soms Sophie, zijn zuster, die druiven meebracht. Zoo vernam hij dat Lowis op trouwen stond met schoon Franske, die haar "zoo" gemaakt had ... fluisterde men ... 't Deed hem geen pijn: zijn geest was dof en voos. Alleen de prediktoon van Sophie, welke hem berispte om zijn vroeger slecht leven en hem voornemen deed zich nu eens voor goed te beteren, hinderde hem geweldig ... Zijn moteurken was verloren ... zijn krachten gebroken, 't roeien zou nu onmogelijk wezen ... Wrevelig-smartelijk tikkelden die gedachten voortdurend in hem òp, deden alles donker-dreigend en triestig schijnen ...

Eindelijk op een mooien Oogst-morgen, daverend van goud-glariënden zonneschijn, trillend van roerlooze warmte, mocht Geerten 't benauwende gasthuis verlaten.

't Avonde ... De laatste bloedstrepen vergloorden, en over de diep-azuren lucht kwamen donkere voolen zweven, waarop twinkelden, heel zwakjes nóg, enkele sterren, goud-sprinkelingen gelijk op zwaar-fluweelen mantel-sleep ...

Tusschen de boomen der lanen hing de zoelte nog loom en drukkend ... Met zijn samengerolden mantel over de schouders, zijn dunne kleederen flodderig-hangend om 't vermagerde lijf, de groot-kleppige klak diep over den fel-vergrijsden smal-geworden kop, toog Geerten naar het verre-weg liggende zeilschip, waar hij nacht-waak had gekregen door tusschenkomst van zijn schoonbroer, den waterklerk ...

Hij klopte zijn vunzende pijp uit tegen zijn schoenzool, stapte dan verder, de haven toe ... Voor hem, tusschen de donkerte der stofferige boomkruinen, zag hij vagelijk spitsen hel-gele of blanke masten, waaraan kruisten de raas, dik van opgerolde zeilen ...

Met tegenzin ging hij naar zijn post ... Nu woonde hij met zijn vrouw, aan wie hij beterschap beloofd had, op een vlierinkje in eene der dicht-bevolkte naar gebakken haring en smout stinkende volkswijken der binnenstad. Dat leven van overdag slapen in een dof kamertje, snikheet en vuil, en 's nachts waken op een doodstil schip, midden de treurige eenzaamheid der nachtelijke dokken; dat hondenbestaan vervloekte hij ... De komende nacht zou zijn 'lijk al de vorige: een gruwel voor hem, een stille marteling zonder einde, door niets-gestoorde verlatenheid waarin 't harde blaffen van een heeschen hond, 't schorre toeten van een sleeper, of 't verre ratelen van een kraanketting groeien tot reusachtige geluiden, galmend over de diepe-donkerheid van 't onbewogen water waarop strepen, hel-oranje gloeden van gaspitten of krinkelen rilde lichtlijntjes van twinkelend-sterrende lantaarntjes in onzichtbare mastspitsen ...

Geerten sufte, had wee naar zonnelicht, spetterend-dansend op de golvenwiegeling, warm-doorfonkelend de ijlheid der ruimte, kletterend tegen de vroolijk-wit geschilderde scheepskajuiten en blekkend in de klare vensterruiten der huizen langs de kade, waar de bries speelsch voorbij suist licht en blij als een zomerzonnekind; jagend de goud-omrande, nauw-omkrullende wolkjes door het teer-blauw azuur, van sparkelend vuur doorgensterd ...

Geerten ging en zijn schreden werden traag en loom ... Hij trok een brug over, zag de lichters dicht tegen elkander aangedrumd, klaar tot uitvaren ... In de verte, aan 't einde der breede straat, waarin de gaspitten één voor één aan-flapten, hoorde hij het zagend-hijgen eener harmonica, die poogde opgewekt te zijn en te beheerschen het lawaaierig zingen van mannen en vrouwen ... 't Groepje naderde dansend ... Ze liepen met koppels ... 't Zal een houwelijk zijn, peinsde Geerten, zich herinnerend dat het Zaterdag was.

Met een schok, of hij in-eens ontwaakte, herkende hij de tenorstem van Franske en 't hoog-schelle gil-geluid van Käthe ...

Vandaag waren ze dus getrouwd, Lowis en Franske ... hij zou ze zien, ze moesten hem voorbij ... hij wilde terugkeeren ... Ze hadden hem reeds bemerkt ... 't Kon niet anders, want hij bevond zich in 't pletsende licht der toonraam van een kruidenierswinkel.

Lowis hing aan Franskens arm, ze was dikker geworden, en heur lijf zichtbaar zwaar ondanks de prangende keurs ... Ze stonden vóor hem, zwegen ... wijl de harmonicaspeler 't marsch-deuntje deed overgaan in den tragen rhythmus van een sleependen wals ...

—Dag Geert, taalde Lowis, luchtig, stak hem de hand toe ...

De anderen waren reeds voorbij, bleven wachten en riepen, wenkend met hoofd en armen:

—Allez mannen! manne-ën!...

—Gaat g'-er mee een snappen, Geert," vraagde Franske meelij-gevoelend met den slappen man vóor hem ...

—'k Moet gaan waken ...

—Toetoetoet!... Kom-op!...

Geerten ging mee ... Al zijn goede voornemens vielen weg, in zijn zwakheid dacht hij niet meer aan haat of vijandschap ...

Het gansche troepje trok binnen in het drankhuis op den hoek ... Fransken betaalde een rondeken, en nog één, en nog één ... Onderwijl walsten getuigen en bruid de stoelen omver ... Ze werden al lustiger en lustiger: hunne oogen schitter-straalden van danige jolijt ... willen of niet moest Geerten omtollen met Käthe ...

"'nen Redowa," kondigde de harmonicaspeler aan ...

Onder 't dansen zwierden de rokken van Lowis, fel-afteekenend de ronding van heur zwangeren schoot.

Geertens hart werd warm ... 't Was nog beter zoo ... hij was te oud voor zoo'n flinke deern als de rosse ... toch speet het hem, niet meer te zullen genieten de zoete innigheid van haar weelderig lichaam ... Met een stevigen borrel jenever was de emotie ras doorgespoeld ...

Wanneer Franske zijn vrouw op heur plaats bracht, klopte Geerten heel familiaar en met oolijke oogen, waarin pretglimmingen vonkten, Lowis eventjes op den ronden buik, spottend roepend:

—"Bedod! voor dien erin zit!"

De heele herberg doorschaterend klonk het dol-uitgelaten lachen der heele bende—de mannen pletsten op hunne billen met een krakenden vloek van bijval, de vrouwen gierden hun plezier uit, onbedaarlijk, of pootig-vrijpostige mannen hen onophoudelijk kriebelden ... en met toegenepen oogen en wijd-opengespalkten mond in 't van louter leute stuipachtig vertrokken gezicht, brak de harmonicaspeler den teemenden redowa af met een oorverscheurenden-wanklankigen kwak ...

EINDE.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings