← Table of contents
Eene Gekkenwereld!

Het Paradijs Der Krankzinnigen.

Reading edition

Derde Schets

I.

Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het 2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een paar uren afstand van Gheel.

Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe hadden bijgedragen.

Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.

Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te wachten hadden.

Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.

Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen slijten.

De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de velden of op de heide.

Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien en gesproken.

Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan terug zijn voor het einde van den dag.

Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich naar Gheel te begeven.

Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie groene kwispel.

Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, dat iedereen hen bewondert.

Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men maar over zich zelven tevreden is?

Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was gevallen.

Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.

Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand die het te heet heeft en uitrust.

Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.

"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt zeker met uw half bataljon te Gheel?"

"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog verre?"

"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn gezelschap u niet hindert...."

"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."

Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden burgerstand behoorde.

"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige honderden zotten [1]."

"Wel duizend, fourier, wel duizend!"

"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de straten wandelen?"

"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."

De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met verrassing:

"Ja, die is ongetwijfeld zot."

"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in zijn leven niet."

Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren naakt tot aan de knieën.

Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen eenen boom en presenteerde het geweer, met evenveel ernst als een ware soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.

"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is misschien soldaat geweest?"

"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij vroeger heeft verzuimd."

"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en winter, in nat en droog?"

"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze streek."

"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.

"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, den gulden weerhaan niet glinsteren?"

"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de aangewezene richting blikkende.

"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."

"Uw kasteel?"

"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."

De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, smeekte zij:

"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."

De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den fourier:

"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."

De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen schaterlach:

"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... Zot, leelijke zot!"

Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige stappen te hebben gedaan:

"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt gij daarover, fourier?"

De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste scheldwoorden uitvarende.

Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "gare, gare au cheval!" hem ter zijde deed springen.

Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.

"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt gij het durven, fourier?"

"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"

De baron wees vooruit en zeide:

"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."

En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat snuif te koopen!"

"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, van verbaasdheid bijna stom.

"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"

De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in de baan wegvlood.

Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar Moll terug te keeren.

Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.

Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van St.-Dymphna en trad het stadje in.

Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat hij eenige aandacht op hen sloeg.

Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een kangaroe te springen.

De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te worden verpletterd.

Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.

Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.

Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.

"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo goed aan gewend dat ik,—gij zult het niet gelooven,—dat ik dagelijks op het dambord speel met een hunner."

"Met eenen zot?"

"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."

"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, van ons verstand maakt!"

"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"

"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien terug naar Moll."

"Ik begrijp, zoo is altoos de eerste indruk, maar hij gaat spoedig voorbij. Wij zullen eene goede pint te zamen drinken, ginder achter den hoek in den Toren. Gij moet het uithangbord opgemerkt hebben. Daar komen vele onder-officiers. Ga er naar toe en wacht er eenige oogenblikken op mij. Ik moet met een rapport naar den adjudant. Gisteren had ik de wacht; er is daar een erge zaak voorgevallen: de korporaal en twee man zullen waarschijnlijk voor den krijgsraad verschijnen. Nu, vraag een glas bier in den Toren. De adjudant zal mij niet lang wederhouden. Tot straks."

De fourier stapte over de Markt naar de aangewezen herberg. Wat hem onderweg verwonderde, was het schouwspel der houding van de burgers tegenover de zinneloozen. De meesten gingen voorbij zonder acht op hen te slaan; maar hij zag er insgelijks die, vriendelijk en in schijn ernstig, met de krankzinnigen spraken of hun de hand drukten; burgervrouwen, die arm aan arm met eene zottin wandelden; gezonde kinderen die aan de spelen van zinnelooze kinderen deelnamen. En het was blijkbaar aan den stillen, welwillenden glimlach, op het gelaat der redelijke lieden, dat slechts een gevoel van medelijden en liefdadigheid hen dus aanspoorde om de arme, dolende zielen door vriendschap en toegevendheid hun ongeluk te laten vergeten.

Dit aandoenlijk voorbeeld verlichtte het gemoed van den fourier. Hoewel hij zich de macht nog niet gevoelde om het na te volgen, begreep hij nogtans, dat het edeler en moediger was den krankzinnigen mensch broederlijk de hand toe te reiken, dan hem door afschrik of misprijzen nog dieper in den afgrond zijner ellende terug te stooten.

Dus overwegend wat onder zijne oogen gebeurde, kwam hij in den Toren en vroeg den waard, die achter de toog stond, een glas bier.

Op dit oogenblik bevond er zich niemand in de herberg dan een deftig heer, met eene meerschuimen pijp aan den mond. Zijn lange jas van blauw laken, gesloten tot onder de kin, gaf hem het voorkomen van een uitgediend officier, maar hij droeg knevels noch bakkebaarden. Hij had schoon wit haar, dat tegen zijne slapen opkrulde. Meer dan zestig jaar kon hij evenwel niet oud zijn, want zijne oogen waren helder en levendig, en zijne wangen, vol en blozend, getuigden van gezondheid en welbehouden levenskracht.

Aan de tafel waarbij deze heer was gezeten, nam de fourier plaats, om reden dat zij onder het venster stond en hij vandaar zijnen kameraad kon zien komen.

Na eene lange wijl stilte vroeg de onder-officier,—om toch iets te zeggen,—aan den heer, die voor hem zat, of Gheel eene uitgestrekte gemeente was.

"Ja, zeer uitgestrekt," kreeg hij ten antwoord. "Om haar grondgebied geheel rondom te gaan, heeft men wel negen uren noodig. Onder haar behooren zeventien buitengehuchten, waarvan vijf of zes hunne eigene kerk of kapel hebben; maar dit belet niet dat de kom van het dorp, afzonderlijk genomen, nog boven de vierduizend zielen telt."

"De zotten er onder begrepen, zoo verstaat het mijnheer ongetwijfeld?" bemerkte de fourier.

"Inderdaad, maar die zijn slechts ten getale van ongeveer 900, en wonen voor de grootste helft in de naastliggende gehuchten."

"Neem mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik misbruik van uwe goedwilligheid maak. Ik zie Gheel voor de eerste maal. Alles schijnt mij hier zonderling en belangwekkend. Van waar komen al deze zinnelooze menschen?"

"Uit onze provinciën, uit Duitschland, uit Frankrijk; het grootste getal komt evenwel van Brussel, omdat de godshuizen dezer stad al hunne zotten te Gheel besteden."

"Betaalt men veel voor het onderhoud van elken zot?"

"Dit is volgens de zorgen welke zij vereischen, het werk dat zij nog kunnen doen of den welstand, dien men hun wil verzekeren. Voor de armsten, die nog tot eenigen arbeid bekwaam zijn, betaalt men iets als vijfentwintig centen daags, en voor de rijksten, waar tusschen er zich bevinden die deftig gekleed gaan, uitgekozen voedsel krijgen en wijn drinken, soms wel tot 2,000 gulden en meer nog 's jaars. Dat de bewoners van Gheel hunne zinneloozen met liefde en zorg behandelen, dit is onbetwistbaar; maar even onbetwistbaar is het, dat zij in de verpleging dier ongelukkigen eene milde bron van voorspoed vinden."

Deze heer scheen de zaken der gemeente zoo nauw te kennen, dat de fourier in twijfel geraakte of hij niet de eer genoot, met den burgemeester zelven of ten minste met eenen schepen in samenspraak te zijn. Na eenige malen van achter het venster te hebben uitgekeken, of de sergeant niet kwam, vergat hij eindelijk zijnen vriend geheel, om te luisteren op hetgeen de bereidwillige heer hem zeide over de merkwaardigheden der gemeente, en onder andere aangaande de prachtige kerk van St. Dymphna, patronesse der zinneloozen, en de roerende legende harer stichting, die vertelt hoe deze martelaresse, op den grond waar de kerk nu staat, door haren eigen vader het hoofd werd afgeslagen.

Zeer welsprekend was de oude heer; hij doormengde zijn verhaal met wijsgeerige overwegingen, die getuigden van geleerdheid en verstand. Ook luisterde de fourier met waar genoegen en zelf met verslondenheid.... toen zijne aandacht eensklaps werd afgekeerd door het verschijnen in de herberg van zijnen vriend.

Maar de sergeant, na hem eenen glimlach en eenen groet te hebben toegestuurd, ging rechtstreeks naar den toog, als om van den baas een glas bier te eischen. Hier keerde hij zich echter om en spiedde de gelegenheid af om zijnen kameraad, door eenen wenk van zijnen vinger, tot zich te roepen.

Toen de fourier hem genaderd was, fluisterde hij hem in het oor:

"Volg mij; ik heb u iets mede te deelen, dat u zal verwonderen."

Beiden gingen op den achterhof, en daar vroeg de sergeant:

"Wat dunkt u over den ouden heer met wien gij aan het spreken waart? Een verstandig man, niet waar?"

"Zeer geleerd en diep verstandig, inderdaad."

"Onnoozele, het is een zot!"

"Hij een zot?" wedervoer de fourier met ongeloovigen spotlach. "Indien er vele zulke heldere hoofden in Gheel zijn...."

"Kom, kom, laat ons daar niet langer over twisten. Ik ga er u het bewijs van geven. Ik zal hem het woord toesturen en slechts, als bij geval, den naam van Napoleon uitspreken. Indien gij dan nog twijfelt, of hij zot is, zal ik twijfelen of gij het niet zijt."

"Neen, doe dit niet!" smeekte de fourier.

"Bah, het schaadt hem niet; integendeel, het maakt hem voor eenige oogenblikken gelukkig. Gij hebt er u niet mede te bemoeien; zie en hoor, dit is voldoende."

Zij keerden terug in de gelagkamer; de fourier bleef bij den toog staan, terwijl zijn kameraad den heer met den toegeknoopten jas naderde, en als onverschillig hem zeide:

"Het is zeer heet vandaag, niet waar? Een ander weder dan toen Napoleon met zijn groot leger in Rusland...."

Hij kon niet eindigen; reeds was de heer rechtgesprongen, en riep nu met oogen die van trotschheid fonkelden:

"Napoleon? De groote Napoleon? Hij is hier te midden der Markt gekomen, op een wit paard; hij heeft mij vriendelijk op den schouder geklopt en mij gezegd: u maak ik burgemeester van Gheel voor geheel uw leven! En om uw groot verstand en uwe geleerdheid te beloonen, daar is het eerekruis, daar zijn al mijne kruisen!.... Gij gelooft het niet? Ziehier!"

En onder het uiten dezer woorden, rukte hij zoo geweldig zijnen jas open, dat twee of drie knoopen lossprongen.

Op zijne borst blonken, aan vuile linten van allerlei kleur, medailles, ongangbare munten, blikken schijven, ja, zelfs het tinnen deksel eener pint.

Terwijl de fourier, bleek van aandoening en medelijden, den gewaanden filosoof aanstaarde, ging deze immer voort met over de bijzondere genegenheid van den grooten Napoleon voor hem te roemen, en verklaarde, met gekken ophef, van wie en waarom hij zijne schitterende eereteekens had bekomen: dit was het Fransche legioen van eer, dat was de Nederlandsche Leeuw, een derde het kruis van Oostenrijk, de anderen de kruisen van Spanje, van Rusland, van Turkije, ja, zelfs van de Kaap der Goede Hoop!

Na eene wijl met eenen halven glimlach dit tooneel te hebben nagezien, kwam de baas van achter zijnen toog, legde zijnen arm den opgewonden man over den schouder en fluisterde hem iets aan het oor.

De oude heer, als bij tooverslag bedarend, knoopte zijnen jas toe, zakte op zijnen stoel terug en bleef zeer stil en bewegingloos, met het gezicht neergeslagen zitten.

Op dit oogenblik traden drie andere onder-officiers in de herberg. Zij kenden den fourier niet; maar de sergeant hun gezegd hebbende wie hij was, werden de handdrukken gewisseld en de kennis gemaakt.

Onderwijl had de heer met de toegeknoopte jas zijne pint bier geledigd en zonder spreken de herberg verlaten.

Natuurlijk was,—toen de onder-officiers te zamen bij eene tafel hadden plaats genomen,—het eerste onderwerp hunner redekaveling de wonderlijke zinnelooze, die daar juist was weggegaan.

De sergeant legde hun uit, wat hij over dezen man had vernomen. Het scheen dat hij waarlijk, ten tijde van Napoleon, had gehoopt tot burgemeester eener groote gemeente in Brabant benoemd te worden; maar dat hij, in zijne eerzucht bedrogen, het verstand was kwijtgeraakt.

Dan begonnen de andere onder-officiers te zeggen, wat soort van zinneloozen in hun logement werden verpleegd, en welke zonderlinge tooneelen zij dagelijks bijwoonden.

De eerste vertelde, dat er in zijn logement eene zottin was, die zich verbeeldde Onze Lieve Vrouw zelve te zijn; en, het wonderlijkste van al, de andere zinneloozen schenen daarvan zoo innig overtuigd, dat zij bijna gedurig voor haar op de knieën zaten te bidden.... Er was ook een man,—een heer van Brussel,—die den ganschen dag niets deed dan in het veld met eene roede den grond af te meten en op een boekje de bekomene maten te berekenen. In den eerste weigerde deze man hem het geheim van zijnen arbeid te openbaren; maar het was hem toch eindelijk gelukt, den zot tot spreken te brengen. Uit zijne verklaringen bleek, dat hij een ontwerp vormde om van Gheel eene zeehaven te maken; daartoe wilde hij eene breede vaart doen graven, die boven Antwerpen in de Schelde zou monden. Eenige millioenen waren toereikend om dit werk te bekostigen. Aan de belangen van handel of landbouw liet hij zich in deze zaak weinig gelegen, aangezien zijn eenig doel was, de zinneloozen van Amerika, van Batavia en van geheel de wereld naar Gheel te lokken, door hun de reis gemakkelijk te maken.

In het logement van den tweede woonde een zot, die voor karaktertrek had, alles te stelen waar hij aan of bij kon komen, de gestolen voorwerpen onder zijn bed verborg en ze dan geheel vergat. Zoo had hij reeds eens den schako en tweemaal de schoenen van den onder-officier op den zoek gebracht; maar de lieden van den huize, wanneer er iets werd gemist, waren zeker het onder het bed van den zot terug te vinden.... Nevens deze sliep een Paus, die altoos statig rondwandelde, met eenen grooten houten sleutel in de linkerhand, terwijl hij met de andere niets deed dan zegeningen uitdeelen.

De derde vertelde van eene vrouw, die de onwrikbare overtuiging had, dat zij sedert lang was gestorven en zich in de andere wereld bevond. Ook zag zij in hare gezellen en in de burgers van Gheel niets dan spoken of zielen van overledenen, die, evenals zij, in hunnen aardschen vorm op het laatste oordeel wachtten. Den onder-officier deed zij echter eene bijzondere eer aan, want zij hield hem voor den aartsengel St.-Michiel in persoon.

Nog spraken zij van eenen afgedankten kapitein, die zich opper-generaal van het Nederlandsch leger waande; van een Lodewijk XVII, die beweerde aan zijnen bewaker Simon te zijn ontsnapt; van eenen ouden huissier, wien men niet uit het hoofd kon praten dat hij een weerwolf was, en van meer andere gevallen.

Waarschijnlijk dat zij, allengs door hunne eigene verhalen aangeprikkeld of volgens soldaten-gewoonte, de zaken begonnen te overdrijven en er wel iets van eigen vinding bijvoegden, want een hunner riep uit:

"Het schoonste zou ik nog vergeten! Wat mij gebeurd is, op den eersten dag mijner aankomst te Gheel, overtreft alles. Ik stond op de Markt; daar naderde mij een man met eene kroon van verguld papier op het hoofd, en langzaam en rechtop gaande, met geheimzinnige blikken en gebaren als een profeet. Ik twijfelde niet, of het moest een dier zotten zijn, welke zich keizer of koning wanen; maar hij stak den vinger gebiedend tot mij uit en zeide op plechtigen toon: 'Kniel en bid, ik ben God-de-zoon!'—Maar even ras kwam een andere zot toegeloopen, en deze riep met koddige verontwaardiging: 'Geloof hem niet, mijnheer; hij liegt. Ik ben God-de-vader en ik ken hem niet!'"

Dit vertelsel deed eenen langen schaterlach ontstaan. De fourier alleen bleef ernstig en was in het geheel niet tot vroolijkheid gestemd. Het lot dezer arme, ongelukkige menschen scheen hem zoo ellendig en beklagenswaardig, dat hij met eene soort van afkeer de scherts zijner makkers aanhoorde. Een onuitlegbaar gevoel van angstigheid ontstelde hem, en sedert eene wijl begon hij te zeggen, dat zijn uur om naar Moll terug te keeren was verschenen, en hij welhaast hun vaarwel zou moeten wenschen.

Hij drukte tevens met zooveel aandringen den wensch uit, door zijnen vriend, den sergeant, ten minste tot bij het gehucht Kevermont te worden vergezeld, dat deze met hem de herberg verliet.

Onderweg zeide de sergeant glimlachende:

"Ik doe u gaarne uitgeleide, gij twijfelt daar zeker niet aan; maar waarom scheen mijn gezelschap nu zoo bijzonder veel prijs voor u te hebben? Gij zijt vervaard van de zotten en gaat liever met twee dan alleen tot aan de palen der gemeente? Bedrieg ik mij?"

"Neen, het is wel zoo," antwoordde de fourier half beschaamd. "Ik weet niet wat ik heb, maar ik gevoel mij geheel ontsteld en ben niet op mijn gemak."

"Och, gij zijt nog altijd dezelfde droomer als toen wij te Borgerhout te zamen speelden. De wereld is nu zoo; wij hebben ze niet gemaakt en kunnen ze niet veranderen."

"Maar hoe is het mogelijk, sergeant, dat men lache en spotte met het ellendig lot der arme zotten? Het zijn toch menschen zooals wij."

"Misschien; wat ik evenwel heb opgemerkt, is, dat de krankzinnigheid der meesten onder hen slechts de straf van ijdelheid en hoogmoed is."

"Neen, sergeant, daarin bedriegt gij u zeker. Verlies van fortuin, liefdesverdriet, wonden aan het hoofd, ongeluk en tegenspoed, ziedaar de oorzaken welke den mensch van het verstand berooven."

"Gij gelooft het, fourier? Maar dan nog griffelt de verwaandheid en de ijdele hoogmoed zich op de eerste oorzaak. Wat zien wij hier anders dan Goden, pausen, keizers, koningen, oorlogshelden en millioenrijke lieden? Op weinige uitzonderingen na, niets dan hoogmoed en ijdelheid."

Zoo redekavelende, vervorderden de beide onder-officiers hunnen weg. Nog zagen zij vele zinneloozen; maar die, welke hen naderen wilden, hield de sergeant door zijnen strengen blik en dreigende gebaren achteruit, en zoo bereikten zij eindelijk het gehucht Kevermont, waar zij van elkander afscheid namen.

De sergeant keerde terug naar Gheel en de fourier, nadenkend en mismoedig, ging de baan naar Moll op.

Vooraleer te vertellen wat den fourier later nog met de zinneloozen wedervoer, is het noodig hier eene aanmerking in te lasschen. Ofschoon wij, tot nu, niets anders beschreven dan wat de jonge fourier werkelijk heeft gezien en gehoord, zou men kunnen twijfelen aan de waarheid van ons verhaal, omdat de toestand der krankzinnigen te Gheel aanzienlijk is veranderd sedert het Staatsbestuur, in 1851, de hooge hand over hunne verpleging heeft genomen. Om dit te voorkomen zal het volstaan, hier een kort uittreksel te geven uit het belangwekkend werk: "Gheel, de Kolonie der krankzinnigen, historisch geschetst door A.C. Van der Cruyssen." Deze schrijver zegt onder ander:

"Toen wij te Gheel aankwamen, stonden wij niet weinig verwonderd, niets van dit buitengewone, dat men ons zoo levendig afgeschetst had, te ontwaren. Het gaat er rustig toe evenals in elke andere gemeente; men bemerkt er bij eene oppervlakkige beschouwing niets bijzonders; en, zoo men niet wist, zich in een middelpunt te bevinden, waar zich meer dan 900 zinneloozen bewegen, men zou dit niet het minste bespeuren, en Gheel voor eene der rustigste plaatsen van gansch het land nemen.

"Nogtans men had er ons zooveel van verteld. Mannen, die zich inbeelden keizers en koningen te zijn, liepen er in grootsche houding de Markt op en neder, gevolgd door eenen sleep straatbengels; hier zag men er met groote hoeden, suwarows met pluimen op het hoofd en eene houten sabel aan de zijde, die dachten groote veldovorsten te zijn en in schijn een gansch leger aanvoerden; daar groote dames, prinsessen en wat al meer; verder bisschoppen, predikers en anderen, in de drolligste kleeding, die hen aan de algemeene bespotting blootstellen moest.

"Zeker moest de beweging van die verschillige zinneloozen, die daar allen volgens goeddunken liepen en wandelden, te midden eener volkrijke plaats en van duizenden menschen met verstandelijke vermogens begaafd, het zonderlingste kontrast opleveren, dat men wel ooit op eene vrije plaats aantreffen kon. Dit alles is echter voorbij, niets meer van dat buitengewone, dat u opeens zeide waar gij u bevondt.

"Op onze bemerking van den geneesheer-opzichter, Br. Bulckens over hetgeen men mij verhaald had, zeide deze achtbare heer, dat dit vroeger zoo bestond; maar dat dit slechte gebruik sinds verscheidene jaren uitgeroeid is."

Tot dus verre de hr. C. Van der Cruyssen.

In den loop dezes jaars 1878, heeft de schrijver van dit verhaal gelegenheid gehad, om de gemeente Gheel te bezoeken en er kunnen erkennen dat, alhoewel daar nu ongereer 1300 krankzinnigen worden verpleegd, en deze meest allen in vrijheid op de straat verkeeren, het er inderdaad even rustig toegaat als in het vreedzaamste dorp des lands.

Het kan dus niet verwonderen, dat een geleerde, als de hr. August Droste, in zijn schrift over Gheel, dit stadje Das paradies der Wahnsinnigen noemt; en wij, hem daarin navolgende, ons verhaal Het Paradijs der krankzinnigen hebben betiteld.

II.

Te Moll teruggekeerd, vertelde de fourier aan zijnen sergeant-majoor, wat wonderlijke, treurige dingen hij te Gheel had gezien en vernomen; hij verborg hem daarbij niet, hoe onuitlegbaar diep hij door het schouwspel van der zinneloozen ellendig lot was ontroerd geworden.

Zijn kameraad schertste gedurende eenige dagen met zijne overdrevene gevoeligheid, waarna deze indrukken allengs in des fouriers gemoed zelf verzwakten; en hij had de krankzinnigen van Gheel waarschijnlijk al spoedig vergeten, indien niet eene onverwachte omstandigheid ze weder had te berde gebracht.

Eenen middag, toen de onder-officiers op de wacht-parade tegenwoordig waren om het dagorde te ontvangen, werd daar een bevel van den generaal afgelezen, welks voorname inhoud was, dat de twee Compagnies morgen naar Gheel zouden vertrekken, om er de compagnies van het 3de bataljon te vervangen, die zich naar Turnhout begaven.

Dit nieuws verraste den fourier niet weinig; hij twijfelde een oogenblik, of hij het wel juist had verstaan. Wat? zij moesten te Gheel gaan logeeren? Te midden der zinneloozen leven, en ongetwijfeld onder hetzelfde dak slapen met eenigen der schrikbarende wezens, wier aandenken hem nu nog somwijlen deed huiveren!

Dan, er was aan de noodzakelijkheid niet te ontsnappen: een soldaat gehoorzaamt.

In het gevoel, dat hij ditmaal niet naar Gheel zou gaan als liefhebber en uit vrijen wil, maar tot het vervullen van eenen opgelegden plicht, vond hij gemoedssterkte genoeg om zijne bekommerdheid te overwinnen.... en het was tamelijk licht van hart, dat hij, des anderen daags 's morgens, de lieden der Zwaan vaarwel wenschte, en met den sergeant-majoor zich schikte bij den troep, die reeds met pak en zak reisvaardig stond.

De trommels gaven het sein, en de compagnies, tot bij de laatste huizen der gemeente door een gedeelte der inwoners begeleid, sloegen de aardebaan naar Gheel in.

Ongeveer twee uren later, bereikten zij de kerk van St. Dymphna en de eerste huizen der gemeente Gheel.

Van dit oogenblik af, werden zij al meer en meer vergezeld of voorafgeloopen door zinneloozen,—meest kinderen,—die met papieren hoeden op het hoofd en houten sabels of stokken in de hand sprongen en dansten op de maat der trommels.

In den eerste poogden de bijldragers of sapeurs hen te verjagen; maar het was als een vliegenzwerm; zij vloden wel weg voor de bedreiging der sapeurs, doch keerden telkens weder; en dewijl er van alle kanten nog anderen kwamen toegeloopen, was het wel zichtbaar dat men ze moeilijk zou kunnen verdrijven. De gansche troep, officiers en soldaten, eindigde dan ook met om het zonderlinge schouwspel te lachen, en vervorderde zijnen weg zonder zich aan de luidruchtige vroolijkheid der arme wezens gelegen te laten.

Bij de Markt kwamen nog een honderdtal straatbengels, even uitgelaten, zich met de zinneloozen vermengen; en toen eindelijk de compagnies voor het gemeentehuis stilhielden, waren zij omringd van eene wolk dansende of juichende lieden, waartusschen men onmogelijk de redehebbenden van de krankzinnigen kon onderscheiden.

Hier werden onmiddellijk de logement-biljetten uitgedeeld, en welhaast zag men de soldaten, in groepjes van zes, vier of twee, naar alle richtingen zich over de Markt verspreiden om hunne herberg op te zoeken. Niet zelden kregen zij, zonder het te vermoeden, eenen zinnelooze tot leidsman, en daaruit ontstonden koddige misgrepen en verrassende tooneelen, die den ganschen dag het voorwerp bleven van de vroolijke scherts der soldaten.

Op de Groote Markt zelve, te midden der Westelijke zijde, werd den sergeant-majoor en den fourier van verre hun logement aangewezen.

Het scheen een tamelijk groot burgerhuis; maar, buiten de gewone inkomdeur, had het nog eene wagenpoort, die toeliet op eenen voorhof te zien, waar de mesthoop, karren, egge en ploeg aantoonden, dat hier, evenals bij vele inwoners van Gheel, nevens de verpleging van krankzinnigen, insgelijks den landbouwerssstiel werd uitgeoefend.

Onze onder-officiers werden zonder veel beslag, doch met minzaamheid onthaald door eene dochter en eene oude vrouw, welke laatste hun zeide:

"Ja, mijnheeren, het is wel ten onzent, dat gij moet zijn. Komt binnen, en weest zoo goed ons te volgen; wij gaan u maar seffens uwe kamer toonen; zoo kunt gij u van ransel en geweer ontdoen."

Men bracht hen eerst door een ruim vertrek, waar vier of vijf personen,—eene juffer in uitgezochte kleeding, een oude man, een jongen van dertien of veertien jaar en een klein meisje,—rondom den wijden schoorsteen zaten: zinneloozen ongetwijfeld, want in hunne blikken of in hunnen lach was iets verwilderds of iets dwaas. Boos of dreigend schenen zij echter niet te zijn; bovenal niet de juffer die, roerloos als een wassen beeld, hare groote blauwe oogen, zoet en klagend, op hen hield gericht.

"Zoo jong, zoo lief.... en krankzinnig!" zuchtte de fourier met medelijden.

"Het is Ermelinde, de verwenschte prinses," zeide de dochter met eenen glimlach.

"Houdt gij nog andere zotten?" vroeg de sergeant-majoor.

"Wij houden er gewoonlijk tien," was het antwoord. "Voor het oogenblik hebben wij er maar acht. Het zijn gelukkiglijk stille, rustige zotten.... behalve een enkele, maar die is meest altoos opgesloten."

Nu bereikten zij de kamer, die den onder-officiers tot tijdelijk verblijf was bestemd, en er ruim en goed ingericht uitzag.

"Vrienden," sprak de oude bazin, "stelt u nu maar op uw gemak en doet alsof gij te huis waart. Wij hebben allen ons werk: ik moet koken, bijna den geheelen dag; onze Trees, daar, moet mij helpen en de koeien in den stal verzorgen; onze Beth, welke gij straks zult zien, moet op de zotten letten; mijn man en mijne twee zonen zijn aan den veldarbeid. Misschien zoudt gij kunnen denken, dat wij niet veel naar u omkijken; maar, wenscht gij iets, zegt het. Kan het zijn, wij zullen het u oogenblikkelijk geven, met veel plezier. En wat de uitdeelingen van vleesch en brood of handgeld betreft, mijnheeren, die kunt gij doen op den voorhof. Daar is eene schuur met tafel, banken en weegschaal, doelmatig daartoe geschikt. Wij hebben tot nu toe sergeant-majoors en fouriers gelogeerd en waren altijd de beste vrienden."

De onder-officiers bedankten haar voor hare goedwilligheid.

"Ik zou het nog vergeten," voegde zij in het heengaan er bij. "Het is nog verre van middag en de reis heeft misschien uwen eetlust opgewekt. Komt beneden, mijnheeren, zoohaast gij hier gedaan hebt: de hesp, de kramik en een goed glas bier zullen gereed staan."

Met deze woorden lieten de vrouwen hen alleen.

De sergeant-majoor wreef zich de handen en juichte over het voortreffelijk logement, dat hun ten deel was gevallen. Min vroolijk scheen de fourier. Toen zijn gezel hem de reden dezer koelheid vroeg, bleek het, dat de prinses Ermelinde hem in het hoofd speelde en hem eensklaps zwaarmoedig had gemaakt. Dit gaf den sergeant-majoor weder stof tot spotten.

"Uwe gekke scherts laat mij ongevoelig," zeide de fourier zeer ernstig. "Zeg al wat gij wilt; maar ik kan, zonder van medelijden te sidderen, mij niet voorstellen, dat zulk jong meisje, die waarschijnlijk tot eene goede familie behoort, voor gansch haar leven tot krankzinnigheid is veroordeeld. Misschien was zij bestemd om in de wereld te schitteren; zij is schoon...."

"Schoon?" riep de sergeant-majoor, "dit levenloos gelaat, zonder de minste uitdrukking, effen en blinkend als een porseleinen poppenkop? Ik geloof, dat gij scheel ziet. Is het mogelijk, zulk spookachtig aangezicht schoon te vinden! Let maar op, dat uw ziekelijk medelijden u zelf niet zot maakt."

"Daarvoor is geen gevaar," wedersprak de fourier lachend. "Ik ben inderdaad kinderachtig. Wat kan ik er evenwel aandoen? Maar het is alweder een eerste indruk, die spoedig zal voorbij zijn.... Laat ons nu beneden gaan en de hesp eens aanspreken; want, ondanks mijne deernis met het lot der arme juffer, gevoel ik, dat het mij wel zal smaken."

Zij daalden een tiental trappen af en kwamen in de huiskamer, tevens tot keuken dienende, en waar zij ditmaal geene zinneloozen meer aantroffen.

"Zit neder, mijnheeren," zeide de oude bazin, die alleen was om hen te onthalen. "Gij zult mij nieuws zeggen van onze hesp en onzen kramik."

Toen ze beiden reeds aan tafel hadden plaats genomen, keek de fourier, waarschijnlijk zonder het te weten, nog om naar den leunstoel bij den schoorsteen, waar eenige minuten te voren de krankzinnige juffer had gezeten.

"Ja, ik zie het wel, mijnheeren," zeide de bazin, "het verwondert u, dat onze kostgangers eensklaps zijn verdwenen. Mijne dochter Beth heeft ze in de zottenkamer geroepen, opdat zij u, ten minste dezen morgen, niet zouden storen. Anders gaan en komen zij vrij door ons huis, in den hof en zelfs op straat. Het zou wreed zijn, niet waar, de ongelukkige schapen, die niemand kwaaddoen, altijd in dezelfde kamer opgesloten te houden? En gij zult het ongetwijfeld niet kwalijk nemen, indien gij nu en dan eenen onzer zotten ontmoet."

"Zeker niet, bazin; integendeel, het zou ons spijten, moesten zij voor ons een oogenblik hunne vrijheid missen," antwoordden de onder-officiers.

"Zij verlieten niet gaarne de keuken," ging de vrouw voort, "want die onnoozele sukkelaars zijn nog nieuwsgieriger dan redelijke menschen. Ik had ze niet weggekregen: zij moesten onze nieuwe soldaten zien, maar onze Beth is de moeder der zotten; op den klank harer stem of op eenen wenk van haren vinger, gehoorzamen zij goedwillig, ja, zelfs de reus Carabos,—zooals de prinses Ermelinde hem noemt,—die anders, nacht en dag, zou moeten geboeid liggen.... maar, dank zij onze Beth, nu kan de arme man van tijd tot tijd in de zottenkamers wat rondwandelen en zijne leden uitrekken."

"Is er een reus in uw huis? Een zinnelooze reus?" mompelde de fourier half lachend en half angstig.

"Het is veeleer een leeuw in menschengedaante. Was onze Beth niet daar om hem te temmen, voor geen geld der wereld nam ik hem in den kost. Gij zult hem zien, mijnheeren, morgen of overmorgen wanneer hij kalm is. Ik weet het niet, onze Beth alleen weet het."

Terwijl de bazin deze uitleggingen gaf, hield zij zich onledig met hare keuken. Zij stelde eenen ziedenden pot op de heete assche, trok eenen emmer bij en begon aardappelen te schillen.

De sergeant-majoor, die opmerkte dat de oude vrouw gaarne sprak, vroeg haar eenige inlichtingen aangaande de krankzinnige juffer, welke bij hunne komst in den leunstoel had gezeten, en drukte daarbij de meening uit, dat ongetwijfeld liefdesverdriet de oorzaak harer ziekte was.

"Dit weten wij niet juist, mijnheeren," antwoordde zij. "Het is toch wel mogelijk; maar mijn gevoelen is, dat men haar, toen ze nog een kind was, te dikwijls in slaap heeft gewiegd met vertelsels van tooverijen, reuzen, monsters en andere dwaze dingen. Zij verbeeldt zich, eene koningsdochter te zijn, die verwenscht is door eenen machtigen toovenaar, en in eenen kuil onder den grond moet zuchten en tranen storten, totdat haar verloofde, de prins Arthur, haar komt verlossen. Maar zij en die arme Arthur zijn wel te beklagen; want om haar te kunnen redden, moet hij eerst den reus Carabos het hoofd afslaan en eenen draak met zeven koppen overwinnen.... Gij zult het bij gelegenheid wel uit haren eigen mond vernemen. Zij antwoordt zeer zelden rechtstreeks op wat men haar zegt of vraagt; maar vertelt schier elken dag hare geschiedenis aan wezens, die zij waant te zien."

"Van waar is het arme meisje?" vroeg de fourier.

"Van Brussel, mijnheer. Zij is eene weeze, door hare voogden bij ons besteed. Ongetwijfeld hebben hare ouders haar eene rijke erfenis nagelaten; want niets mogen wij haar weigeren, noch kostbare kleederen, noch uitgekozen voedsel. Zij heeft eene kamer voor haar alleen en wordt er gediend als eene welhebbende dame. Wat haar het grootst gedeelte van den dag bezighoudt, is haar opschik; zij is uiterst zindelijk, zooals gij het ongetwijfeld hebt opgemerkt."

"Ja, haar aangezicht is glad en blinkt als ware het gevernist!" schertste de sergeant-majoor.

"Nu, dit komt daarvan, mijnheer, dat de prinses Ermelinde zich niet alleen het blonde haar met pomade besmeert, maar ook voorhoofd en wangen."

De fourier luisterde nadenkend toe. Hoe meer hij van de prinses Ermelinde hoorde vertellen, hoe dieper zijn medelijden werd.—Eene weeze, jong, rijk en schoon.... en verzonken voor altijd in den donkeren kolk der zinneloosheid! Het was een lot, zoo schrikkelijk, zoo beklagenswaardig, dat er aan te denken alleen hem het hart beklemde.

Op de vragen van den sergeant-majoor, zeide de bazin verder:

"Gij hebt tot nu maar vier onzer zotten gezien, mijnheeren; namelijk de prinses; een ouden vent, die slechts doodarme bloedverwanten heeft, en sedert twintig jaar op eene millioenrijke erfenis wacht; een jongen, zonder verstand geboren; en een klein meisje, zot geworden nadat zij door eenen harer schoolkameraden met eenen steen tegen het hoofd werd geworpen. De anderen, welke gij nog niet hebt gezien, zijn ten eerste de reus Carabos, van wien ik u reeds heb gesproken; ten tweede Baptist-de-vogel, een professor der cijferkunst, die uit eenen ballon gevallen is en meent in de maan te zijn geweest. Hij zal u van zijne reis de ongelofelijkste dingen vertellen, indien gij maar wilt luisteren; ten derde, een ouden sukkelaar, die gelooft een dozijn levende muizen in zijne maag te hebben, en gansche dagen met het hoofd op de borst zit om ze te hooren piepen; en ten vierde Trientje Snoeck, een zeventigjarig vrouwken, die voor eenige bezigheid heeft, onder stoelen, banken en kassen naar haren neus te zoeken, dien zij meent te hebben verloren."

"En heeft zij werkelijk geenen neus?" lachte de sergeant-majoor.

"Geenen neus, mijnheer? Hij bedekt de helft van haar aangezicht; maar zij gelooft dat het een houten neus is, dien men haar heeft opgezet. Ook trekt zij er gedurig aan, om hem los te maken; maar hij staat vast en het doet haar te veel pijn."

Na aldus door de bazin nog eenige andere inlichtingen te hebben bekomen, stonden de onder-officieren van tafel op. De sergeant-majoor betuigde den lust om de gemeente eens rond te wandelen.

Beiden wenschten de goede vrouw vaarwel tot den middag, en traden de straat in.

Zij ontmoetten vele lieden, die klaarblijkend krankzinnig waren; eenigen stuurden hun het woord toe, en de sergeant-majoor lachte met hunne vieze grillen of dreef hen achteruit, zoohaast zij hun lastig werden. Ook de fourier begon te ondervinden, dat het gezicht dezer onnoozele of dolende menschen niet meer voor hem zoo schrikwekkend was als de eerste maal, en hij erkende, dat hij na weinige dagen er zich geheel zou kunnen aan gewennen.

Toen zij,—na een uurtje nog in de herberg de Toren met goede kameraden te hebben doorgebracht,—weder te huis kwamen, vonden zij de lieden reeds aan tafel en op hen wachtende om het middagmaal te beginnen.

Daar zagen zij nu den baas en zijne twee zonen, mannen met breede schouders en eeltige handen, minzaam doch weinig sprekende.

Een stoel, waarvoor een bord stond, bleef ledig. Zij twijfelden niet, of deze plaats aan tafel was bestemd voor Beth, de moeder der zotten, die met eenen wenk harer oogen den reus Carabos kon doen gehoorzamen.... Maar toen het middagmaal reeds halve was afgeloopen, had nog niemand den ledigen stoel ingenomen.

Dan stond echter de andere dochter, die met zichtbaren haast had gegeten, van tafel op en verdween in eene nevendeur, langs waar hare zuster, een oogenblik daarna, in de keuken kwam, om op hare beurt het noenmaal te nemen.

Dit was dus Beth; de bewaakster der zinneloozen. Zij groette door eenen stillen "goeden dag, mijnheeren," de twee onder-officiers en begon, zonder meer acht op hen te slaan, haar middagmaal.

Niets bijzonders was er aan haar op te merken; evenals hare zuster was zij de eerste jeugd voorbij, noch mooi, noch leelijk, sterk van lichaamsbouw en grof van wezenstrekken; maar zoohaast haar eerste eetlust wat gestild was, en zij nu en dan de nieuwe kostgasten aanzag, stonden dezen niet weinig verbaasd over de indringende vastheid en de beheerschende kracht van haren blik. De fourier bovenal, daar hij telkens als gedwongen werd, de oogen voor haar neder te slaan, gevoelde zich vernederd en gekwetst, en, wat er in zijn hart voor de fiere meid ontstond, was geheel iets anders dan toeneiging.

"Juffrouw Beth is de moeder der zotten?" vroeg haar de sergeant-majoor met een glimlach, dien hij zoo beleefd mogelijk poogde te maken.

"De bewaakster en verpleegster der zotten, inderdaad, mijnheer," antwoordde zij.

"En blijft gij zoo geheele dagen alleen met hen?"

"Het is mijn plicht, mijnheer."

"Een treurige plicht."

"Wanneer men hem volbrengt met liefde...."

"En gij zijt niet vervaard, juffrouw?"

"Vervaard? Ik? Al onze zotten zijn zachte, stille lieden."

"Uwe moeder sprak ons nogtans van eenen reus Carabos."

"Ja, Carabos, zooals onze prinses hem gedoopt beeft. Die ligt aan ketens geboeid, zoolang ik afwezig ben."

"Ha, dit is altijd eene verzekering; maar indien hij bij ongeluk zijne keten verbrak?"

Beth glimlachte, en zich een weinig ter zijde over den vloer buigende, wees zij met den uitgestrekten vinger ten gronde.

"Hij mag losbreken en woedend worden," zeide zij, "met mijne oogen en met zulk teeken van mijnen vinger, zal ik hem voor mijne voeten doen knielen."

Bij het uiten dezer woorden had zij waarlijk een meesterachtig, een mannelijk voorkomen, dat eenen diepen indruk op het gemoed harer aanhoorders deed. Hare ouders en hare broeders schenen trotsch over hare stoutmoedigheid, en bezagen de onder-officiers met oogen, die schenen te vragen: "Welnu, wat dunkt U van zulke vrouw?"

Een zwaar en dof gerucht, als van paarden die in den stal trappelden, deed het huis daveren.

"Hoort gij, mijnheeren, hij schudt en wringt zijne keten," zeide Beth opstaande. "Uwe trommelaars hebben hem onrustig gemaakt; mij in zijne nabijheid te weten, kan alleen hem bedaren. Ik ga den ongelukkige zijne boeien afdoen. Indien de heeren lust hebben om onzen armen Carabos te zien, zou ik hun aanraden tot morgen te wachten. Nu is hij te aangejaagd. Vaarwel, mijnbeeren: mijn plicht is daar, achter die deur."

En zij verdween in de nevenkamer.

De ouders begonnen te roemen over hunne dochter, een toonbeeld van moed, opoffering en werkzaamheid, tot zoo verre dat niemand hunner zich met de zotten had te bemoeien, noch dag noch nacht; want Beth sliep in het gedeelte van het huis, dat voor de zotten was bestemd; en, wat er ook voorviel, zij alleen herstelde de rust en de stilte. De tegenwoordigheid van anderen deed er meer kwaad dan goed aan.

Op eene half schertsende bemerking van den sergeant-majoor, antwoordde de bazin:

"Vechten met de zotten? Geweld gebruiken? Kom, mijnheer, daar is schijn noch gedachte van. De zotten weten wel, waarom zij hunne bewaakster den zoeten naam van moeder geven. Zij wascht en reinigt ze, zij laat hun niets ontbreken, zij vervroolijkt ze met spel en zang, en, waar zij kan, troost ze de arme schapen alsof het hare eigene kinderen waren. Hare goedheid en haar engelachtig geduld hebben zelfs in den reus Carabos,—die anders van den mensch niets heeft dan eene verre gelijkenis,—een gevoel van dankbaarheid opgewekt. Zoo is onze Beth van kindsbeen af, mijnheeren, tusschen zinneloozen opgevoed, heeft zij niet, als anderen, met hun ongeluk gespot of van hen teruggeschrikt; integendeel, in haar is de gedachte gegroeid, dat zij ook den hemel kan verdienen met wel te doen aan die ongelukkige, verlatene wezens.... en, op mijn woord, ik geloof dat ze gelijk heeft. Wat dunkt u daarover, mijnheeren?"

"Hum, hum, het hangt af van goesting," mompelde de sergeant-majoor.

"Ja, ja, bazin, uwe edelmoedige dochter heeft gelijk!" riep de fourier met begeestering uit. "Het is een heilige taak, het bitter lot dezer arme, dolende zielen te verzachten. Wel zeker moet zulk verborgen werk der hoogste liefdadigheid aangenamer zijn in Gods oogen, dan vele schitterende daden, die hunne belooning vinden in de bewondering der wereld!"

De oude vader stond op en kwam ontroerd de hand van den jongen onder-officier drukken.

"Gij begrijpt het goed, fourier," zeide hij. "Er zijn twee wijzen om zijn geld met de verpleging der zotten te winnen: ze voeden en gevoelloos hun lijden aanzien, of hun daarbij nog een deel van zijn hart te geven en ze te troosten, waar het mogelijk is. Onze Beth doet meer: zij aanschouwt die kamers, daar achter, als haar klooster; en met haar leven aan de verpleging der zotten te besteden, meent zij het toe te wijden aan God.... Heb dank, fourier, heb dank voor mijne dochter."

En onder het uitspreken dezer laatste woorden ging hij, door zijne beide zonen gevolgd, de kamer uit, om den onderbroken veldarbeid te hervatten. Ook Trees verdween in het schommelkot, om potten en borden te gaan afwasschen.

"Mijnheeren," zeide de bazin, "wij hebben hier de gewoonte niet, seffens na ons middageten koffie te drinken; maar gij zijt waarschijnlijk jongens uit de stad. Kan ik u plezier er mede doen, het water kookt, ik schenk u in een paar minuten tijds eene kom sterke koffie op."

"Gij zijt veel te goed, moeder," antwoordde de sergeant-majoor. "Indien het u evenwel niet te veel moeite was? Een kopje koffie na het middagmaal en een lekker pijpje daarbij gerookt, het is het gelukkigst oogenblik van den dag."

Zij hoefden niet lang te wachten: kort daarop vermengden de welriekende walmen der koffieboon zich met den sterkeren geur van de tabak, en de onder-officiers, half achterover op hunne stoelen liggende, bliezen wellustig de blauwe rookwolkjes in de lucht en redekavelden vroolijk, terwijl de bazin sedert eenige oogenblikken in het schommelkot was gegaan, om hare dochter aan den huisarbeid te helpen.

Eensklaps hoorden zij achter hunnen rug een gepiep, als de schreeuw van rotten of van zekere vogels. Zij keken om en zagen eenen ouden man, met eenen blauwen kiel aan het lijf, die, met den vinger wenkende, hun teeken deed om te komen luisteren, en op geheimzinnigen toon hun zeide:

"Ze zitten daarbinnen, daarbinnen in mijne maag. Hoort gij ze niet? Ze hebben weder jongen. Nu zijn er al zes en zestig. Piep, piep, piep! Hoort gij ze niet?"

De onder-officiers lachten; maar er was evenwel iets dat hen verwonderde. Het gepiep scheen waarlijk uit de maag van den armen man op te komen; en het kon niet anders, of hij had door inspanning en lange oefening, voor dien enkelen klank ten minste, de buikspraak geleerd.

In den eerste vermaakten onze onder-officiers zich min of meer met de zonderlinge gril van den zinnelooze; maar dewijl hij gedurig hetzelfde herhaalde en er uit hem niet anders was te krijgen dan: "Zes en zestig! piep, piep; hoort gij ze niet?" werden zij hem al spoedig moede.

Gelukkiglijk kwam de bazin op dit oogenblik in de kamer, om iets te halen. Zij vatte den krankzinnige lachende bij den schouder, leidde hem naar de buitendeur en mompelde in schijn spijtig:

"Kom, laat die heeren gerust. Ga met uwe muizen op straat en doe ze een luchtje scheppen; anders zullen ze nog versmachten."

"Het is een felle zageman, dit levend muizennest, mijnheeren," zeide zij, zich weder naar het schommelkot richtende. "Geviele het dat hij terugkeerde of een andere onzer zotten u verveelde, roept mij, ik zal er u van verlossen."

Nauwelijks was zij verdwenen, of de nevendeur werd geopend, en nu vertoonde zich een tamelijk welgekleede man, die met kleine sprongen rondom de kamer huppelde, terwijl hij de armen in de lucht sloeg zooals een vogel met zijne vlerken doet, en daarbij een zonderling keelgeluid liet hooren, dat hij ongetwijfeld van de wilde ganzen had afgeleerd.

"Ha, ha, Baptist, wat doet ge daar?" riep de sergeant-majoor, die zich herinnerde dien naam van de bazin te hebben gehoord.

"Ik vlieg.... ik vlieg naar de maan!" antwoordde de zinnelooze.

"Maar gij zijt er reeds geweest."

"Ik keer er terug naartoe: het deugt hier niet voor mij."

"Is het zoo, met uwe armen uit te slaan, dat gij meent in de maan te geraken?"

"Neen, ik wil eerst leeren vliegen. De mensch leert wel zwemmen. Het is slechts een verschil in de vereischte kracht. Bij mijne vorige reis was ik te veel overlast en ben daarom bijna den nek gebroken."

"En door welk middel zijt gij de eerste maal tot de maan opgeklommen?"

De man kwam nader, trok eenen stoel bij, zette zich gemeenzaam tusschen de twee onder-officiers, nam eene houding aan als een professor die zijne les gaat geven, haalde een stuk wit krijt uit den zak en teekende daarmede op het tafelblad vele ronde figuren, als een hoop appelen. Dan zeide hij met eenen fieren lach van zelfvoldoening:

"De heeren weten ongetwijfeld, waarin de klimkracht van eenen luchtbal bestaat. Veronderstelt dat zulke luchtbal, opgevuld met waterstof-gas, vijf duizend pond minder weegt dan dezelfde ballon zou wegen, indien hij met gewone lucht was gevuld. Welnu, wanneer men twintig dergelijke ballons, allen onwrikbaar aan elkander gehecht, doet maken, bekomt men eene klimkracht van honderdduizend pond. Dit is juist wat ik heb gedaan.... en op eenen schoonen morgen ben ik in de hoogte gevlogen met zulke schrikkelijke snelheid, dat mij hooren en zien verging, en ik in eenen duizeligen slaap geraakte, totdat ik eindelijk op de maan ontwaakte, zonder te kunnen denken waar mijne ballons zijn gebleven. Ongetwijfeld hebben zij hunne reis voortgezet en vliegen nog immer in het eindelooze ruim, tusschen de starren van den Melkweg. Zijn ze, integendeel, naar de zon gevlogen, dan beklaag ik het lot van mijn wonderbaar kunstwerk."

"Gij waart dus uit uwen luchtbal op de maan gevallen? Dat moet uwe arme knoken geene deugd gedaan hebben," schertste de sergeant-majoor.

"Neen, mijnheer, ik had geen het minste leed bekomen. Het schijnt ongeloofelijk, niet waar? Het is evenwel gemakkelijk te begrijpen: ik lag te midden eener breede rivier, zonder nogtans er in te kunnen zinken; ik werd zelfs niet eens nat. Dit water, moet gij weten, bestond uit millioenen doorschijnende blaasjes, geheel gelijk aan de zeepbellen, waarmede de kinderen hier spelen; maar zij braken niet, namen vloeiende allerlei vormen aan en waren rekbaar als gom-elastiek. Ik kroop over hunne oppervlakte tot bij den boord der rivier; maar daar zag ik op den oever geheele rijen leelijke menschenhoofden op de aarde liggen, en deze hoofden lachten of grijnsden mij aan, met zulke vervaarlijke grimassen, dat ik bevend terugdeinsde en wel een halven dag boven de luchtblaasjes op mijnen buik bleef liggen, voordat ik het waagde den vasten grond der maan te betreden. U beschrijven, mijnheeren, hoe de zaken daar staan, durf ik niet; gij zoudt mij uitlachen en zeggen dat ik van mijne zinnen ben."

"Neen, toch niet; gij maakt ons nieuwsgierig; kom, vertel ons wat gij in de maan hebt gezien."

Verward en dikwijls voor zijne aanhoorders bijna onverstaanbaar waren des mans uitleggingen.

"De grond der maan," zeide hij, "bestaat uit duizenden en duizenden naakte rotsgebergten, zonder valleien; maar in alle scheuren en kloven van den keiharden steen, tot op den oppersten top der hemelhooge alpen, ligt eene zwarte, sponsachtige aarde, die zeer vruchtbaar is.... In zulke voorwaarden zouden er geene groote boomen kunnen groeien; maar de almogende Schepper heeft er in voorzien: de boomen hebben er beweegbare wortelen, als zoovele voeten, en daarmede klimmen ze, alhoewel langzaam, de bergen op en af, om naar nieuwe en diepere grondlagen te zoeken.... Wat de maanmenschen betreft, die zijn nog al wonderlijker geschapen. Leelijk—zooals wij het woord verstaan—zijn ze boven alle beschrijving; maar wat hen van de aardmenschen in alle geval zou onderscheiden, is een staart als eene gewrongene koorde, die hen verscheidene ellen achterna sleept. Er zijn mannen, noch vrouwen, noch kinderen. Allen noemen zich met hetzelfde woord Unakau, dat in hunne taal wil zeggen: mosselslikker. De Unakaus zijn niet onsterfelijk. Hoe worden daar dan de nieuwe menschen geboren, zult gij vragen, mijnheeren? De leelijke, grijnzende hoofden, welke ik allereerst op den oever der rivier meende te zien liggen, waren nog ongeboren maanmenschen. Ziehier, vanwaar zij komen. De Unakaus hebben lange, breede olifantsooren, en daarachter groeien nu en dan kleine harde bolletjes, welke zeer jeuken en hen verplichten, ze af te krabben. Valt zulk bolletje op eenen gunstigen grond, dan zwelt het allengs en schiet eene soort van wortels. In den beginne, gelijkt het een waren paddestoel of champignon; maar de paddestoel krijgt oogen, mond en ooren, en wordt op den duur een menschenhoofd, dit is te zeggen Unakau-kop. Zoo blijft hij groeien en in de hoogte schieten gedurende ongeveer twintig onzer aardejaren; dan geraakt hij los en leeft tusschen zijne mede-Unakaus gedurende veertig jaren, waarna hij weder wortelen in den grond schiet en, twintig andere jaren, immer kleiner en kleiner wordt, totdat hij eindelijk geheel in de aarde terugkruipt, zonder dat er iets zichtbaars van hem overblijft.... Deze Unakaus, alhoewel grooter dan wij, wegen bijna niets; zij gaan niet: zij maken sprongen van honderd voet hoogte en meer, en zijn zoo licht, dat ze bij winderig weder zich aan bergen of boomen moeten vastleggen, om niet als stuifzand in de lucht op te vliegen. Daartoe zijn hun die lange staarten gegeven. Hun eenig voedsel is het ongedierte, dat op de boomen leeft; maar in stede van rupsen en wormen, bestaat dit ongedierte in vier of vijf soorten van oesters, zoo smakelijk, dat ik ze niet kon eten zonder mij vingers en duimen af te lekken.... Er is slechts één verslindend beest op de maan. Het heet Tomagudlo, dit is godswraak. Het te beschrijven kan ik niet: op onze aarde is niets dat er aan gelijkt. Ik zal toch zeggen, dat dit gedierte iets is als eene schrikkelijk groote vliegende schildpad, zonder hoofd; want gansch haar lichaam is slechts éen mond, die opensplijt als eene wagenpoort en tanden laat zien, glinsterend als gepolijst staal. Dit beest is hun duivel. Hij verslindt en verzwelgt slechts de valschaards, de bedriegers, de twistzoekers, in éen woord de boozen. Daarom zijn de Unakaus over het algemeen goedhartig en vreedzaam; maar zij hebben insgelijks driften, die hen verblinden over hun recht, on somwijlen willen zij strijden en het bezit der oesterbosschen op de vruchtbaarste bergen. Zoo heb ik de toebereidsels tot een schrikkelijken oorlog bijgewoond; maar toen de twee legers strijdvaardig stonden, kwam de Tomagudlo aangevlogen en verslond al de Unakaus, die oorzaak van den twist waren en ongelijk hadden.... en daarmede was het pleit beslist en de oorlog ten einde. Weet gij wat denkbeeld zij over onze aarde hebben? want zij zien ze als eene groote, gloeiende...."

Hier werd hij in zijne uitleggingen onderbroken door de verschijning van eenen jongen, die sprakeloos tot bij den schoorsteen naderde, het kussen in den leunstoel opschudde, en weder even stil naar de zottenkamer terugkeerde.

"Het is Topaas, de dwerg der prinses," mompelde de zinnelooze met spijtig ongeduld. "Zij gaat komen.... Ziet, daar is ze reeds!"

En, inderdaad, zonder eenige acht op de tegenwoordigheid der onder-officiers te slaan, kwam de krankzinnige juffer met statigen tred vooruit, gevolgd door haren dwerg Topaas, die den sleep van haar kleed veinsde te dragen. Zij naderde den leunstoel en liet er zich zachtjes op nedergaan. De dwerg,—een krankzinnig geboren jongen met grooten mond, hangende lip en uiterst dom voorkomen,—zette zich op de hurken nevens haar, en beiden bleven zwijgend en roerloos als onbezielde beelden.

Met verbaasdheid keken de onder-officiers het ongelukkig meisje aan: op het gelaat van den sergeant-majoor zweefde een glimlach; het hart van den fourier klopte integendeel van angstig medelijden.

Ja, zij mocht schoon genoemd worden, ten minste zoo men de spookachtige strakheid van haren blik onopgemerkt liet; zij had groote blauwe oogen, een fijnen mond, en wangen welker zuivere gladheid bijna onnatuurlijk scheen. Daarenboven waren hare kleederen niet alleen zindelijk, maar zelfs prachtig; en met hare juweelen, echt of valsch, geleek zij inderdaad naar eene theaterkoningin.

Baptist-de-vogel poogde zijne uitleggingen voort te zetten; maar de aandacht der onder-officiers was zoo onafkeerbaar op de prinses Ermelinde gevestigd, dat zij niet meer luisterden. Ontevreden veegde Baptist met zijne mouw de krijttrekken van de tafel, en liep grommelend het huis uit.

Na eene lange wijl der volledigste stilte, bemerkte de fourier dat uit de oogen der prinses tranen begonnen te vloeien. Met eene zachte stem, vol deelneming en deernis, waagde hij het, haar het woord toe te sturen.

"Arme juffer, gij zijt wel ongelukkig en hebt veel verdriet, niet waar?" zeide hij.

Zijne vraag bleef onbeantwoord; het meisje bezag hem zelfs niet.

Eensklaps begon zij te spreken: met evenveel nadruk en begeesterde stembewegingen, alsof zij eene tooneelrol voordroeg, zeide zij:

"O, vader, vader lief, ik zie u; gij zit op uwen troon en zwaait den schepter des gerechts over uw volk. Men knielt voor u, men bezingt uwe glorie en men waant u gelukkig, o, machtige vorst van Ascalonië!... maar uw oog is kwijnend en in uw hart is het duister als in een graf. Uwe arme Ermelinde, uw aangebeden kind, niet waar? Gij waant ze dood, gij vermoedt niet, dat een godvergeten toovenaar ze aan uwe liefde heeft ontstolen. Hoe zou uw vaderhart bloeden en schrikken, indien gij wist, dat ik hier verwenscht zit in den kuil van den zevenhoofdigen draak, bewaakt, geplaagd, gemarteld door den wreeden reus Carabos, en voor eenigen troost niets hebbende dan den trouwen dienst van onzen goeden dwerg Topaas!... Zal er dan nimmer een einde komen aan mijn akelig lot? Zal ik verouderen in dezen duisteren afgrond, zonder u nog eens te mogen zien en op mijn liefderijk hart te drukken?... En waar blijft hij, mijn verloofde? Hij zoo dapper, zoo ridderlijk van gemoed, waarom komt hij mij niet verlossen? Eilaas, hij insgelijks waant mij dood; hij weet niet dat zijne welbeminde, zijne bruid, kwijnt en wegsterft onder de macht van Albafras, den onmenschelijken toovenaar. Vliet, mijne tranen, vliet als beken: weenen is al wat mij overblijft!"

De jonge fourier beefde van treurig medegevoel en had waarlijk groote moeite, om zijne eigene tranen op te houden. Geheel koel kon de sergeant-majoor bij dit tooneel van smartelijke geestverdwaling niet blijven. Waarschijnlijk om zijne ontroering te verbergen, zeide hij met luide stem:

"Maar, goede juffer, gij hebt ongelijk, zoo allen moed te verliezen. Den eenen dag of den anderen, zal uw vader onverwachts komen en u verlossen uit de macht uwer vijanden."

In stede van op zijne troostende woorden acht te slaan, riep het krankzinnige meisje, met eenen lach van geluk op het gelaat en den glanzenden blik naar het diepe der kamer gericht:

"Gezegend zij God, mijne zalige oogen zien hem.... hem, Arthur, mijn verloofde! Zie, hoe dit zwaard in zijne ridderlijke hand bliksemt.... Let op, let op, daar is de reus Carabos!... Ha, ha, zijn leeuwenhoofd rolt in het zand!... Moed, Arthur, moed: ik hoor den zevenhoofdigen draak uit den afgrond opstijgen en om wraak huilen. Ach, het is eene moeilijke taak!... Arthur, mijn lieve Arthur, zie wel toe, dat gij zijne zeven koppen in eens afslaat; want anders groeien ze oogenblikkelijk weder bij; er kwam geen einde aan en gij zoudt in den onmogelijken kamp bezwijken. Daar is hij, daar is het gruwelijk monster! Zie toe, zie toe, Arthur, en neem uwen slag wel waar: uw leven en mijne verlossing hangen er van af.... Daar, hij slaat, hij slaat.... de zeven koppen al in eens!... Wee, wee, neen, slechts vijf! Het is gedaan! Arme Arthur, verscheurd, verslonden, dood.... en dood alle hoop!... en ik, eilaas, ik mag niet sterven!"

Haar gelaat ontspande en zij hernam hare eerste stille houding, als verging onmiddellijk in haar het geheugen van den schrikkelijken kamp, die voor hare oogen had gespookt.

"Dit ijselijk schouwspel langer aan te zien, is mij onmogelijk," zuchtte de fourier opstaande, "mij dunkt, ik zou er ziek van worden."

"Ik heb er insgelijks genoeg van," zeide de sergeant-majoor. "Wat zij daar uitgalmt, heeft zij ongetwijfeld uit een of ander blauwboek van buiten geleerd. Mij dunkt, ik heb zoo iets van mijne grootmoeder hooren vertellen, toen ik nog een kind was.... Komt gij mede naar den Toren? Daar zal het wat vermakelijker zijn, dan in deze vervelende zottenwereld."

"Neen, majoor, nu kan ik u niet vergezellen. Ik heb nog, voor het appèl van vier uren, den toestand der wapens onzer compagnie af te schrijven; de adjudant heeft het mij bevolen."

"Groote zaak: vijf minuten werk!"

"En daarenboven, majoor, nu gevoel ik mij in het geheel niet gestemd om naar de herberg te gaan."

"Het zij zoo. Ik wed dat gij alleen in de velden wilt wandelen, om aan het lot dier arme prinses te denken; dit zal haar ongelukkiglijk weinig baten. Het is met haar gedaan; en, zooals zij zelve zegt, alle hoop is dood voor haar.... Tot vier uren dus."

Met deze woorden stapte hij naar de huisdeur. De fourier stuurde nog eens eenen blik vol medelijden tot de krankzinnige juffer, en klom dan langzaam de trappen op.

In zijne kamer gekomen, zette hij zich bij de tafel, schikte een ontplooid papier voor zich, en meende te schrijven; maar zijne geschokte verbeelding voerde hem weder beneden, in tegenwoordigheid der prinses Ermelinde. De pen viel hem uit de hand; hij staarde vast in de ruimte en bleef, in smartelijke gepeinzen verzonken, roerloos zitten.

III.

Van dien dag af, stond de fourier onder eenen zonderlingen invloed, dien hij vruchteloos voor zich zelven poogde te verklaren. Waar hij zich ook bevonde, de prinses Ermelinde vervolgde hem onverpoosd, en zelfs wanneer hij achter de gelederen zijner compagnie onder de wapens stond of deel nam aan de krijgsoefeningen, zweefde haar beeld immer voor zijne oogen. Des nachts in zijne droomen vocht hij zegevierend tegen reuzen en zevenhoofdige draken, verloste de prinses, leidde ze tot haren vader, kreeg hare hand tot belooning van zijnen heldenmoed, en beklom met haar den koninklijken troon van Ascalonië.

In den eerste bekende hij den sergeant-majoor zijne wonderlijke geestontsteltenissen en lachte er mede; maar allengs werd hij meer en meer ernstig en poogde, zooveel mogelijk, den spot van zijnen kameraad en zelfs alle samenspraak met hem daarover te ontwijken. Wat in zijnen geest omging, beschaamde hem als iets ten uiterste belachelijk, en het verschrikte hem tevens, omdat hij vruchteloos voor zich zelven de uitlegging ervan zocht. Medelijden? Kan dit zacht en stil gevoel den vorm aannemen eener drift, die geheel het denkvermogen van den mensch opslorpt? Wat dan?... O, hemel, de sergeant-majoor had ook gezegd; "Pas maar op, dat gij zelf niet zot wordt, arme Arthur!" Hij zou krankzinnig kunnen worden? Neen, neen, zulk iets vreesde hij niet; maar hoe kwam het dan toch, dat hij, noch dag noch nacht, die tergende beeltenis van voor zijne oogen kon jagen?.... Het was, meende hij te mogen denken, een gevolg der overgevoeligheid van zijn gemoed; die indruk zou, evenals vele anderen, mettertijd verzwakken en geheel vergaan. O, dede nu een bevel van den generaal zijne compagnie naar een ander dorp vertrekken! Dit ware een groot geluk; want het verblijf te Gheel was voor hem niet goed, dit gevoelde hij wel.

Intusschen ontveinsde hij, zooveel hij kon, de klimmende storing zijner zinnen voor den sergeant-majoor, deed zijnen dienst met nauwgezetheid en ging zelfs meer dan gewoonlijk naar den Toren, alhoewel de kameraden daar niet zelden zich vroolijk maakten over zijne zonderlinge droomachtigheid. Van de prinses Ermelinde en van de andere zinneloozen was hij nog dieper vervaard geworden en deed alles wat hij kon, om hunne ontmoeting te vermijden. De lieden van zijn logement hadden al vroeg bemerkt, dat de tegenwoordigheid hunner krankzinnige kostgangers hem onaangenaam was, en zij hadden de noodige voorzorgen genomen om te beletten, dat een hunner zich nog in de keuken vertoonde, ten minste zoolang de onder-officiers er zich bevonden om hunne maaltijden te nemen.

Op al andere oogenblikken, wanneer zijn dienst hem vrij liet, was de fourier in zijne kamer of hij wandelde eenzaam door de velden, even onophoudend als den eersten dag door het beeld der prinses vervolgd en gekweld.

Misschien zou hij eindelijk toch over zijne kinderachtige ontroeringen gezegevierd hebben, want hij deed er ernstige en oprechte moeite genoeg toe; maar nu en dan, wanneer hij te huis kwam en noodzakelijk door de keuken moest gaan, om zijne kamer te bereiken, zag hij de treurende Ermelinde in haren leunstoel zitten. Bij den kwijnenden, den spookachtigen blik, welken zij alsdan in zijne oogen stuurde, sidderde hij van hoofd tot voeten, en het deed hem in eens alles verliezen wat hij tot de genezing van zijnen ontstelden geest kon gewonnen hebben. Dien nacht vocht hij dan weder tegen den zevenhoofdigen draak en verloste de prinses.

Op zekeren dag, dat Carabos bijzonder rustig was, had Beth, de moeder der krankzinnigen, hem voorgesteld den reus in de zottenkamer te komen bezoeken. Zoo kon hij dan tevens met de andere kostgangers, welke hij nog niet had gezien, kennis maken, onder anderen met de oude vrouw, die altijd op zoek was naar haren verloren neus; maar de fourier noch de sergeant-majoor wilde van zulk bezoek hooren, en zij drukten hunnen afkeer van de zinneloozen zoo onbewimpeld uit, dat Beth er door gekwetst of vernederd werd, en van toen af zich weinig genegen toonde om nog veel in samenspraak met de gevoellooze soldaten te komen.

Eindelijk, nadat de fourier bijna eene gansche week de ontmoeting moeting der prinses had kunnen ontwijken, werd zijn gemoed veel rustiger en hij juichte in zich zelven, bij de zekerheid dat hij welhaast geheel van zijne belachelijke geesteskwaal zou genezen zijn.

Maar dan gebeurde er bij ongeluk iets, van aard om hem nog dieper te ontstellen.

Dien namiddag dreef er een hevig onweder over de gemeente. De lucht werd zeer duister, het bliksemde fel en het donderde zoo hard, dat de huizen op hunne grondvesten daverden.

Gedurende dit soort van orkaan waren de zinneloozen zeer onrustig; de onder-officiers hoorden, van op hunne kamer, hoe ze rondliepen, tierden en schreeuwden, bovenal Carabos, die zijn hol gebrul met het geratel des donders mengde.

Na het onweder werd echter de lucht weder blauw, en ook de rust keerde in de zieke zielen der krankzinnigen terug; alleenlijk hoorde men nog van tijd tot tijd het gerucht der ketens van den reus....

Het kon nu elf uren des avonds zijn. Al de lieden des huizes waren sedert lang gaan slapen, behalve de oude bazin, half sluimerend in den leunstoel der prinses Ermelinde zittende, om te wachten op de terugkomst van den sergeant-majoor, die ongetwijfeld later dan naar gewoonte zich in den Toren met zijne kameraden vermaakte. Zij deed het slechts uit beleefdheid, want de sergeant-majoor had eenen sleutel der huisdeur.

Boven de hooge schoorsteenplaat stond eene lamp, welker zwakke stralen slechts een twijfelachtig, licht verspreidden.

Ook de fourier was nog niet te bed; hij zat op zijne kamer en poogde bij den schijn eener kaars in een boek te lezen. Zijn aandachtsvermogen moest echter gering zijn; want elk oogenblik zag hij op van het boek en staarde droomend en nadenkend voor zich heen....

Eensklaps hoort hij beneden een verward gerucht van ketens, die men schudt, van voorwerpen die vallen, van lieden die om hulp roepen, van deuren die men openwerpt.... en terwijl hij nog twijfelt, of hij niet droomt, komt de schrikkelijke noodkreet: "Moord, moord!" door eene bekende stem geslaakt, hem het bloed in de aderen bevriezen.... Even ras begrijpt hij wat er geschiedt; hij springt naar den wand, trekt zijne sabel uit de scheede en loopt de trappen af. Wie het wanhopig hulpgeroep hem toestuurt, is de prinses Ermelinde.... Carabos, Carabos wil haar dooden!

Inderdaad, de reus heeft zijne keten gebroken; de verschrikte prinses, door haren vijand bedreigd, is voor hem gevlucht.

Daar zit zij nu, in haar lang nachtkleed van hemelsblauw katoen gewikkeld, tegen den wand der keuken ineengekropen, en akelig kermend om bijstand en om redding. Te midden van het vertrek, en in schijn haar niet ziende, loopt, woedt en brult een zonderling wangedrocht, dat, alhoewel gedeeltelijk in wollen stoffen gekleed, er uitziet als een reusachtige aap, van het soort dat men Gorilla heeft genoemd. Dit schrikwekkend wezen draait een oogenblik in het ronde, stoot zich zelven tegen muur en tafel en blikt met zijne roode, vlammende oogen naar deur en venster, als zochte hij eene baan om uit zijne gevangenis te ontsnappen.... Maar eensklaps doet hij eene beweging, als bemerkte hij nu eerst de prinses; een vervaarlijk geloei stijgt op uit zijne holle borst; hij nadert de arme juffer en steekt zijne klauwen tot haar uit....

Op dit oogenblik verschijnt de fourier in de keuken; een angstkreet ontsnapt hem. Wat hij zoo dikwijls gedroomd heeft, gaat waarheid worden: nu moet hij de prinses Ermelinde verdedigen tegen haren wreeden dwingeland! Hij heft de sabel in de hoogte en zal het monster den ruigen kop kloven.... maar achter zijnen rug klinkt nu eene stem, die hem toeroept:

"Houd op, houd op! Zijt gij zot geworden? Gij weet niet wat ge doet. Carabos zal de prinses niet hinderen: hij ziet ze zelfs niet; de arme man is geheel nachtblind!"

Zij, die deze woorden spreekt, is Beth, der zotten moeder. Uit haren slaap door al dit gerucht opgewekt, heeft zij metterhaast een kleed aangetrokken, en staat daar nu, met eenen spotlach van medelijden op de lippen den verbluften fourier aankijkende, als waande zij hem inderdaad krankzinnig.

Maar ze grijpt onmiddellijk den reus hij den schouder, terwijl zij op beheerschenden toon hem zegt:

"Carabos, mijn jongen, het tempeest, de donder heeft weder den boozen geest u in het lijf gejaagd. Op de knieën nu, op de knieën! Hoort gij mij niet?"

Het wangedrocht beeft in al zijne leden en zinkt grommend voor haar neder.

De bazin, die in het schommelkot was gevlucht, opent aarzelende de deur, bij het vernemen der stem harer dochter.

"Moeder," zegt deze, "hij heeft eene vijs zijner keten gebroken. Haast u, breng mij eene nieuwe vijs, dan is alles weder te recht."

Terwijl het moedige meisje den reus dwingt, haar naar de zottenkamer te volgen, staat de fourier nog altijd met de sabel in de hand, verstomd en roerloos te midden van het vertrek. Hij gevoelt het belachelijke van zijnen toestand en is neerslachtig en beschaamd.

Onder eene nieuwe vlaag van geestverbijstering, komt nu de prinses Ermelinde op hare knieën tot voor zijne voeten gekropen, heft de smeekende handen tot hem en roept op scheurenden toon:

"O, Albafras, machtige toovenaar, genade, genade, spaar mijn leven! o, neen, neen, dood mij niet!"

Daar wordt de buitendeur met eenen sleutel geopend, en de sergeant-majoor treedt binnen. Hem ontsnapt een angstschreeuw bij het gezicht van zijnen jongen kameraad, die met de sabel in de vuist de krankzinnige juffer schijnt te willen vermoorden, terwijl zij voor zijne voeten kruipt en om genade kermt.

Hij springt op hem toe, ontrukt hem zijn wapen, sluit hem in de armen en zegt met diep medelijden:

"Ongelukkige vriend, wat gebeurt u? Kom, houd u stil, bedaar; het zal overgaan."

De fourier blijft een oogenblik zwijgend; maar dan barst hij eensklaps los in eenen schaterlach, die zijnen gezel nog meer doet verschrikken. Zou de arme fourier waarlijk zinneloos geworden zijn?

Nu komen opvolgend de andere huislieden beneden. Wanneer zij vernemen wat er is voorgevallen, schijnen zij er weinig belang aan te hechten. De prinses wordt naar hare kamer terugbracht; de keten van Carabos is bij middel eener nieuwe schroef hersteld. Allen wenschen elkander goeden nacht. De sergeant-majoor, weinig gerust over den geestestoestand van zijnen gezel, leidt hem naar boven.... en de diepste stilte daalt neder over het huis, waar een oogenblik te voren woest gehuil en bange noodkreten hergalmden.

IV.

Tegen alle verwachting van zijnen gezel, scheen de fourier, den morgen na zijn wedervaren met Carabos, zeer rustig en zelfs van betere luim dan te voren.

Hij had, gedurende eenen slapeloozen nacht, den tijd gehad om over zijne belachelijke verbeeldingen en den goeden raad van den sergeant-majoor na te denken, en daarbij met schaamte erkend, dat hij, sedert zijne aankomst te Gheel, juist had gehandeld als ware het hem te doen om tegen den ridder Don Quijote van Cervantes in gekheid te wedijveren. Zoo dwaas scheen hem zijn gedrag, dat hij met zich zelven den spot dreef en hartelijk deel nam aan de vroolijke scherts van zijnen kameraad, die gelukkig was, zijne blijdschap over de genezing van zijnen jongen vriend te mogen uitstorten.

Wel werd de fourier allengs weder eenigszins ernstig, doch het bleef echter klaarblijkend, dat de betoovering, vroeger door de prinses Ermelinde op hem uitgeoefend, beslissend was verbroken.

Na de morgenvergadering der compagnie, zeide hem de sergeant-majoor.

"Fourier, ik ga straks naar Moll, om daar den baas der Zwaan een bezoek te brengen. Alles begint mij hier schrikkelijk te vervelen; en dewijl de baas mij door eenen bode heeft uitgenoodigd, wil ik de gelegenheid waarnemen, om mij ginder een weinig te verzetten en te vermaken. De kapitein heeft mij verlof gegeven tot dezen namiddag, te zeven uren. Het spijt mij, dat wij niet te zamen naar Moll kunnen gaan. Wij mogen niet te gelijker tijd van de compagnie afwezig zijn, aangezien gij intusschen ook mijnen dienst op u moet nemen. Maar hebt gij lust om in den namiddag naar Kevermont op te wandelen en mij te gemoet te komen, ik zal Moll te vijf uren verlaten; zoo kan ik ongeveer te half zeven Kevermont bereiken."

De fourier aanvaardde zijn voorstel met genoegen, en vergezelde hem een eind verre in de baan naar Moll.

Dien dag was de jonge onder-officier bijzonder wel te moede. De overdrevenheid zijner ontroeringen had hem gansch genezen. Nu deed het gezicht der zinneloozen bijna geenen indruk meer op hem; en, versomberde nog somwijlen zijn gelaat onder den invloed eener onaangename overweging, het was slechts wanneer hij bedacht, tot welke gekke zinsverdwaling hij zich door zijne kinderachtige gevoeligheid had laten verleiden.

Toen het bepaalde uur naderde, ging hij den weg naar Moll op, en ontmoette inderdaad den sergeant-majoor, vooraleer deze het gehucht Kevermont had bereikt.

"Welnu," vroeg hij zijnen kameraad, "heeft men zich te Moll goed vermaakt?"

"Uitmuntend," kreeg hij ten antwoord. "Er zit wel eene zwarte vlieg op; maar het is beter, aan zulke dingen niet te denken... Ha, fourier, wij hebben ginder eenige flesschen van het patersvaatje geledigd! Die baas Krols is toch een brave vent, en mij zoo genegen dat hij, wilde ik het aanvaarden, mij zijn laatste hemd zou schenken.... Maar waarom ziet gij er zoo nadenkend uit? Speelt de prinses van Ascalonië nog altijd u in het hoofd of hebt gij weder tegen Carabos gevochten?.... Weg met al die vervelende zagemannen! De eenige wijze en vermakelijke zotten zijn degenen, die de wijn maakt, zooals ik, bijvoorbeeld; maar wel verre van de lieden te willen bijten of verscheuren, zou ik al de menschen als broeders in mijne armen willen drukken. Dit is de goede, de edele krankzinnigheid.... Sa, gij zegt niets? Zijt gij weder betooverd?"

"Maar gij laat mij den tijd niet tot spreken," wedervoer de fourier lachende. "En toch, wat zou ik u kunnen zeggen?"

"Geef mij nieuws van Gheel: mij dunkt, het is al eene eeuw geleden, dat ik uit die zottenwereld ben weggevlucht."

"Er is geen nieuws, majoor, ten minste dat ik weet; ik heb bijna den ganschen dag op onze kamer zitten schrijven.... De sergeant Pacquet is onbeleefd tegen zijnen kapitein geweest en men heeft hem voor acht dagen in den bak gezet."

"Dit is inderdaad geen nieuws. Pacquet zal zijne strepen niet lang behouden; het is een dwaze kerel.... Weet gij anders niets?"

"Ha, ja, ik ging het nog vergeten, omdat ik er nu maar weinig belang meer aan hecht: er is een negende zot in ons logement gekomen.... het is te zeggen, eene zottin."

"Hebt gij ze gezien?"

"Ja, een oogenblik."

"Jong?"

"Dertig jaar misschien; het is moeilijk te raden."

"Schoone vrouw, fourier?"

"O, neen, majoor, zij heeft verwilderde oogen, hangende lippen en holle wangen. Zij komt van Antwerpen. Volgens hetgeen Trees mij van haar zeide, moet zij op trouwen gestaan hebben, maar haar verloofde heeft, op het beslissend oogenblik, haar laten blinken en is sedert met een ander meisje getrouwd. Dit heeft haar zoodanig het hart ingedrukt, dat zij van verdriet is zinneloos geworden. Trees heeft dit ongetwijfeld van de geleiders der zottin vernomen; want de weinige woorden, welke de arme vrouw stamelt, hebben geenen zin en zij schijnt niemand meer te kennen."

"Ja, liefdesmart, zielsverdriet," mompelde de sergeant-majoor, het hoofd schuddende, "ik weet wat het is.... en zelfs moet ik bekennen, dat ik onder dit oogpunt eene zeer ongelukkige hand heb. Misschien ga ik alweder te Moll een treurend hart achterlaten; maar ditmaal toch zal ik er geheel onschuldig aan zijn. Hebt gij niet opgemerkt, dat Judoca, de oudste dochter van baas Krols, gedurende de laatste dagen van ons verblijf te Moll, mij veel vriendschap betoonde?"

"Inderdaad, en gij zelf, majoor, waart bijzonder minzaam voor haar," antwoordde de fourier met eenen glimlach.

"Ik? Nooit, ik dacht er niet aan; en, geloof mij of niet, voor niets ter wereld keer ik nog terug naar Moll."

"Waarom?"

"Verbeeld u, fourier, dat tusschen het eten eener lekkere taart en het drinken van een glas wijn, de baas mij heeft doen gevoelen, dat, indien ik den krijgsdienst wilde verlaten, het mij niet onmogelijk zou zijn, eene plaats van het staatsbestuur te bekomen. Dan zou hij zijne dochter eenen goeden bruidschat medegeven en kon ik zijn schoonzoon worden. Hij had wel opgemerkt, zeide hij, dat ik eene innige genegenheid voor Judoca koesterde, en zij, van haren kant, was sedert mijn vertrek zoo droevig geweest, dat het leed deed om aan te zien.... Gij begrijpt wel, dat ik dit zonderling voorstel heb van de hand gewezen. De baas nam mijne weigering niet euvel op; maar toen ik de Zwaan verliet, zag ik tranen in Judoca's oogen glinsteren. Ik had waarlijk medelijden met haar, want zij is een braaf en zedig meisje."

"En gij gevoelt niets voor haar?"

"Niets. Ik heb het u reeds gezegd, fourier: eens in mijn leven heb ik bemind. Sedert dan kan geene vrouw,—zelfs niet de schoonste,—op mij nog eenigen indruk doen. Die taal verwondert u, en gij meent dat ik alweder spot?"

"Ik geloof u, majoor; gij hebt mij reeds meermaals laten verstaan, dat gij eene verborgene wonde in het hart draagt."

"En gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig om die wonde te kennen?"

"Neen, bewaar uw geheim; ik zal nooit iets doen om het te ontdekken."

"Maar toch eens, fourier, zal ik moeten zeggen, wie ik ben en wat mij op het geweten drukt. Welaan, gij zijt een goede kameraad en een bescheiden vriend; ik gevoel den lust om u mijne geschiedenis te vertellen. Het zal den weg verkorten, luister."

En zijnen gezel den arm nemende, stapte hij voort, terwijl hij dus aanving:

"Mijne geboortestad is Brugge; ik was eene wees en stond onder toezicht van eenen voogd, die zeer streng mij behandelde en mij weinig geld gaf, ofschoon mijn vader, bij zijn overlijden, mij ongeveer vijf en twintig duizend gulden tot erfenis had nagelaten.—In onze buurt woonde een zekere Mr. Roovelt, een gepensioneerd groot-majoor, die in den slag van Waterloo zijne rechterhand had verloren. Hij had eene dochter, Lucia genaamd, een zeer bevallig, doch misschien al te gevoelig meisje. In onze kindsheid hadden wij te zamen gespeeld. Toen ik van het collegie terugkeerde en achttien jaar had bereikt, veranderde deze vriendschap welhaast in een diep liefdegevoel, waartegen de majoor en mijn voogd niets anders inbrachten, dan dat wij nog te jong waren en ten minste, om te trouwen, moesten wachten totdat ik mijne meerderjarigheid zou hebben bereikt.... Ik beminde Lucia oprecht en innig; maar zij werd door haren vader zeer streng gehouden, en slechts elke week werd het mij gegund, eenige oogenblikken met hem en met haar door te breugen. Ik was jong en gevoelde den nood tot uitspanning en vermaak, en niet zelden sleet ik den avond en een gedeelte van den nacht in gezelschap van vroolijke vrienden. Lucia was ongerust, mistrouwend, ja, zeer jaloersch van inborst. Nergens kon ik gaan en met vrienden mij vermaken, of zij wist er bericht van te krijgen. Dan deed zij mij hevige verwijten, kreeg zenuwaanvallen of weende uren lang, als had ik mij inderdaad op eene onwaardige wijs jegens haar gedragen. Ik was overtuigd, dat die geweldige ontsteltenissen aan hare overdrevene liefde voor mij waren toe te schrijven; maar hare voortdurende bespieding, de dwang, dien zij op mij poogde uit te oefenen, het denkbeeld, dat ik aan haar en aan haren vader rekening te geven had over mijne minste daden, dit alles te zamen bracht mij in opstand tegen haar, en het scheen mij zelven toe, dat mijne genegenheid voor haar eindelijk zeer was verminderd.... Omtrent dien tijd bereikte ik mijne meerderjarigheid, en mijn voogd stelde mij ter hand wat er alsdan nog van mijne vaderlijke erfenis overbleef, namelijk ongeveer twintigduizend gulden...."

"Gij hebt twintigduizend gulden bezeten?" mompelde de fourier. "In geld?"

"In klinkend geld en in bankpapier."

"En hebt gij die nog?"

"Geen cent meer.... Maar onderbreek mij niet, het zou te lang duren. Ik ga voort. Dit geld werd mijn ongeluk. Ik viel in slecht gezelschap; de meening dat er aan zulken schat geen einde kon komen, de hoogmoed, de zucht naar uitspattende vermaken sloegen mij met blindheid. Paard en rijtuig moest ik hebben, met edelgeborene verkwisters in verkwisting wedijveren, halve nachten tusschen flesschen champagne en liederlijke gezellen van alle slag tuischen, zingen en juichen.... Het spreekt van zelven, dat majoor Roovelt en mijn voogd mij zeer streng over mijn zinneloos gedrag berispten, en de arme Lucia, meer nog dan te voren, mij wanhopige verwijten deed; maar hunne vermaningen, daar ik ze als berekende dwangmiddelen aanschouwde, deden mij des majoors woning schuwen, en dreven mij tot nog grootere buitensporigheid aan...."

Hier werd zijn verhaal onderbroken door het geschreeuw van eenen krankzinnige, die beweerde keizer van Oostenrijk te zijn, en hun den doortocht op zijn grondgebied wilde ontzeggen; maar zij dreven hem terug, evenals eenige anderen, zonder zich nog door zulke ontmoetingen te laten wederhouden.

"Ik zal het kort maken, want wij naderen Gheel," hernam de sergeant-majoor. "Nadat ik gedurende bijna twee jaren dit losbandig leven had geleid, zag ik met verschriktheid het einde mijner geldmiddelen naderen. Dan wilde ik den slechten weg verlaten, waarin ik doolde, en mijne levenswijs veranderen. Het was te laat: de majoor verbood mij den toegang tot zijn huis en mijn voogd deed mij zeggen, dat hij voortaan den zinneloozen verkwister niet meer wilde kennen, die waarschijnlijk zou eindigen met den naam zijns vaders door schandelijke daden te onteeren. Daar ik geen ander geld meer had, dan drie of vierhonderd gulden, bekroop mij de vrees, dat, indien ik in Brugge bleef, zijne voorzegging waarheid kon worden. Geheel bedorven of grondig slecht van inborst was ik niet. Ik betaalde mijne kleine schulden tot den laatsten stuiver: en, zonder iemand iets van mijn voornemen te melden, liep ik naar Holland en nam er vrijwillig dienst onder het voetvolk. Door mijn goed gedrag en mijne vlijt won ik de welwillendheid mijner oversten. Na anderhalf jaar was ik reeds sergeant; doch dan brak de Belgische omwenteling uit, en ik verkoos naar mijn vaderland weder te keeren. Ik had Lucia, mijne zoete speelgenoote, eerste voorwerp mijner jongelingsliefde, niet vergeten; integendeel, zij had nooit opgehouden voor mijne oogen te zweven; en zelfs, ik beken het, was de eenige reden van mijn voorbeeldig gedrag onder dienst, de zwakke hoop dat ik daardoor hare vergiffenis en die haars vaders zou kunnen verwerven. Ook, wat ik allereerst deed, was mij naar Brugge te begeven. Eilaas, majoor Roovelt had deze stad verlaten en was naar Brussel gaan wonen. Wat mij nog meer bedroefde, was te vernemen, dat Lucia, door mijn onverwacht vertrek pijnlijk getroffen, was ziek gevallen en eenigen tijd in levensgevaar had verkeerd. Volgens het gevoelen van den vriend, die mij deze berichten gaf, was er voor mij op geene vergiffenis te hopen; want de majoor had gezworen, dat, indien ik mij nog voor hem durfde vertoonen, hij met de eenige hand die hem overbleef mij eenen kogel door de hersens zou jagen.... Brugge was in volle gisting; overal herklonk de kreet: 'te wapen, te wapen!' en honderden jonge lieden trokken op naar de Hollandsche grenzen. Ik volgde zulk eenen troep, en werd te Antwerpen in eene nieuwgevormde compagnie tot sergeant-majoor aangesteld.... Men heeft reeds meer dan eens beweerd, dat ik eene bijzondere genegenheid voor het een of ander meisje had opgevat. Gij zelf, fourier, voorondersteldet daar straks, dat zoo iets mogelijk is. Ach, ik zou het willen: het zou mij misschien helpen om Lucia Roovelt te vergeten; maar die herinnering mijner eerste jonkheid, die pijnlijke knaging van mijn geweten, is zoo gemakkelijk niet te overwinnen."

"En hebt gij, sedert uwen terugkeer in ons land, geene moeite gedaan om Lucia terug te zien?" vroeg de fourier.

"Neen," was het antwoord, "ik gevoel mij schuldig en ben overtuigd, dat de majoor en zijne dochter met verachting hunne deur voor mij zouden gesloten houden, indien Mr. Roovelt, in zijne wettige gramschap, zijne bedreiging niet uitvoerde. Ik heb het verdiend en hoop niets meer. Kon ik slechts haar beeld mij uit den geest drijven! Ik doe er moeite genoeg toe, en misschien zal het mij mettertijd gelukken; maar mijn geweten zal mij toch eeuwig blijven verwijten, dat ik mij jegens haar wreed en ondankbaar heb gedragen."

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings