2
Reading edition
Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk—met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.
Aan het hoofd, statig in staal gehuld waar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op ’t zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.
En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.
Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.
De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen, vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed, werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.
Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklaps rees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolus saâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.
Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen hadden gekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,—hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen—, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.
Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam, hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.
Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen en druischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of ’t herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende, vroeg hij den burger wie zij waren.
„Dat zijn de dochters van heer Lugina,” antwoordde die met een lachje. „Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen.”
Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.
Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, in het rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.
Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.