← Table of contents
Een uitstapje naar Sicilië

TIJDENS DE UITBARSTING VAN DEN ETNA IN 1865. (continued 2)

Reading edition

De eerste hellingen van den berg, aan den kant van Linguagrossa, leveren niets dan oude lavalagen en graanvelden op, maar wanneer men de hoogst gelegen pachterswoningen voorbij is, bereikt men het bevallige plateau van Donnavita, waar het pad nu eens door grasrijke weiden, straks onder groote pijnboomen en eiken voortslingert. Ongelukkig ontmoet men van afstand tot afstand de houten hutten der kolenbranders en houthakkers, die nu aan het werk zijn om het bosch te vernietigen en alzoo den zuidelijken wand van den Etna onvruchtbaar te maken. Weldra, wanneer de boomen zullen geveld en het gras zelf door den regen zal vernield zijn, zullen er diepe kloven in de hellingen ontstaan en zal de streek het voorkomen aannemen van een woestijn. Toen ik voorbijging hadden de speculanten, die zich tot taak gesteld hadden den Etna van zijne eeuwenheugende bosschen te berooven, hun goddeloos werk pas aangevangen; de boomen met hunne breed uitgespreide twijgen stonden nog overeind, terwijl de vogels, nog niet door den bijl verjaagd, lustig en wel in het gebladerte kwinkeleerden. Zoodra de eerste stralen van den dageraad, als zoovele pijlen door het netwerk der ontelbare takken heendringende, geheel het gewiekte vogelenkoor hadden gewekt, was het overal feest; en als ware het bosch niet veroordeeld geweest om weldra te verdwijnen, begroette een concert van allerhande gekweel den ontwakenden dag.

Verschillende ontploffingen hadden mij reeds aangekondigd, dat ik het tooneel der uitbarsting naderde. Plotseling, bij een kromming van het pad, zag ik een laag van zwarte en nog rookende lava, die het bosch omgaf als de bouwval van een reusachtig bolwerk. Het was een arm van den stroom van gesmolten stoffen, door den Etna uitgeworpen. De geweldige metaalslakken, door de inwendige kracht der lava gespleten en verwrongen, verhieven zich boven elkander als ineengekronkelde slangen ter hoogte van tien en vijftien ellen; boomtronken, sommige half verkoold, andere nog met hunne takken prijkende, lagen hier en daar op de oppervlakte verspreid van den stroom die hen had medegesleept. Aan de boorden van den gestolden vloed rezen op zich zelf staande of in groepen bijeengevoegde pijnboomen op, die niet door de nabijheid der gesmolten stoffen schenen geleden te hebben, en bewogen nog hun gebladerte boven de opeengestapelde rookende massa.

Eenige boomen, om zoo te zeggen met een overtrek van lava bekleed, vertoonden nog een zweem van leven, hoewel een vurige stroom zich om hunne wortels gelegerd had. Een kleine heuvel, die op zijne hellingen een boschje van pijnboomen torschte, verhief zich nog als een eiland boven deze zee, die het met hare gloeiende golven hield omsloten. Op de oppervlakte was de lava nog warm, maar toch viel het mij niet moeielijk den als in een eiland herschapen heuvel te bereiken, terwijl ik over de gestolde metaalslakken als over de ijsschollen eener rivier heenstapte.

Den oever van de gestolde laag volgende, kwam ik aan den voet van een steile lavamassa, waar de aandrang der gesmolten stoffen zich nog krachtig bespeuren deed. De gestolde korst verhief zich hier en daar, spatte vervolgens met een metaalklank uiteen, terwijl de verblindende massa naar buiten stroomde als het uit een smeltoven voortkomende ijzer. Niet ver van daar ontwaarde ik een ouden met hout begroeiden krater, waar, volgens het zeggen van mijn gids, twee lordi inglesi eenige weken vroeger hunne tent hadden opgeslagen, om photographische afbeeldingen van de uitbarsting te maken.

Aan den voet des ouden kraters, Due Monti genaamd, gekomen, zag ik eindelijk de donderende heuvels, die zich trapsgewijs ter hoogte van honderd ellen boven de kloof van den vulkaan hadden opgeworpen. De hoogste kegel, waardoor de uitbarsting plaats heeft, werpt geen metaalslakken of asch meer uit; de schoorsteen van den krater is met brokstukken gevuld, en het inwendige woelen en koken blijkt alleen uit de zwavelachtige of met zwavel en salpeter bezwangerde dampen, die als rook uit de zijden van den heuvel opstijgen. De tweede kegel, op een lager gedeelte van de kloof gelegen, staat nog in rechtstreeksche verbinding met den lavahaard; maar hij brengt op den duur geen donderend gedruisch voort, en rust als het ware van iedere ontploffing om adem te halen uit. Een gerommel, aan dat van den donder gelijk, kondigt de uitbarsting aan; groote grauwe dampwolken, met asch en steen beladen, stijgen uit den mond van den vulkaan op, verdonkeren een oogenblik de atmosfeer, laten hunne projectielen binnen een rayon van verscheidene honderde ellen rondom den kegel vallen, om daarna, door den wind voortgedreven, in de verte met de wolken van de lucht in een te smelten. Wat de lagere kegels betreft, die zich onmiddellijk boven de bron van lava verheffen, deze loeien steeds voort en werpen onophoudelijk gesmolten stoffen uit hunne kolken op. De uit den kokenden put opdwarrelende dampen verdringen elkander en verdeelen zich aan den mond des kraters, de eene zijn rood- of geelachtig door den weerschijn der gloeiende stoffen, de andere hebben verschillende kleuren door de mede opgeworpen steenen en rotsblokken, maar zij ontvluchten zoo snel, dat men hen met den blik niet volgen kan. Een onbegrijpelijk gerucht van snijdende stemmen en geluiden komt uit den grond voort: het is als het geraas van zagen, fluiten en tallooze hamers die telkens op het aambeeld nedervallen. Men zou meenen het geloei te hooren van de door storm voortgezweepte, op de rotsen brekende golven, indien de plotselinge ontploffingen niet nu en dan haar donderend geraas aan al dat woedende geweld der elementen paarden. Men staat verschrikt, als voor een levend wezen, bij het gezicht van die groep loeiende en rookende heuvelen, wier kegels steeds grooter worden door de uit het hart der aarde opgejaagde en uitgedreven puinen.

Terwijl ik mij aan den westelijken voet der steenheuvelen bevond, was het niet mogelijk de hoogsten hunner te beklimmen, want de wind blies met vrij wat geweld in de richting van het noordoosten en dreef naar dien kant de wolken van damp en asch heen. Alleen was ik genoodzaakt snel te loopen, want de rookende grond bezat nog een hoogen warmtegraad.

Terwijl ik dus met groote stappen voortschreed, kon ik mij rekenschap geven van het algemeene voorkomen der heuvels. Hunne zwartachtige hellingen waren hier en daar met goudgeel of sneeuwwitte lagen bekleed, die niet anders waren dan daarop uit de dampen neergeplofte zwavel, ammoniak- en keukenzout.

Rondom de kraters was de grond met asch bedekt, die de wind in den vorm van duinen had opgewaaid. De dichtst bijstaande boomen schenen zoovele in het zand geplante palen; het onderste gedeelte van hun stam was bedolven, hun kruis was ontkroond of zelfs geheel en al gebroken; eenige, reeds aan den voet verbrand, hingen schuins over de aschvlakten heen. Ten zuiden toonden een zeer zichtbare uitholling en groote spleten in den grond, op verschillende plekken van de lange helling van den Monte Frumento, de kloof, waaruit, in den nacht van den 30sten op den 31sten Januari 1865, de eerste lavastroom gevloeid was. Deze overstrooming van gesmolten stoffen, die plotseling het bosch overweldigden, had duizende boomen weggeraapt, hoewel enkele krachtige stammen weerstand hadden geboden, en zelfs, ten teeken van hunne overwinning, gestolde stukken lava op hun schors droegen. Op de plek, waar de vuurstroom voorbij was gegaan, had een vroeger reiziger een pijnboom ontdekt, welks stam, bij wijze van overtrek, op een tiental ellen boven den grond een dikke metaalslak droeg, blijkbaar door den aan den Frumento ontsnapten stroom aangevoerd. Een lekkerbek zou dit stuk steen bij een aan ’t spit gestoken schapenbout vergeleken hebben.

Een groot gedeelte van den dag bracht ik aan den voet dezer ongenoemde heuvels door, waaraan men voortaan naar recht en billijkheid de namen moest geven der geleerden door wie zij zijn bestudeerd, als daar zijn Fouqué, Silvestri, Viotti, Grassi; daarna daalde ik langzaam naar beneden, terwijl ik den oostelijken oever van den lavastroom volgde tot aan den rand van den afgrond van Cola Vecchia, van welks hoogte een katarakt van steenen en gloeiende stoffen, eenige dagen na het splijten van de zijden des bergs, was neergetuimeld. Niet ver van daar heeft men een pachterswoning, waar mijn gids mij een onderkomen verschafte. Het eenige op dezen tocht geleden verlies was dat van mijn hoed, die door eenige nog brandende en uit de kraters opgeworpen steentjes doorboord was.

De weg, dien ik den volgenden dag moest inslaan om den grooten cheire van Zaffarana, in 1852 uit den Val del Bove voortgekomen, te bezoeken, loopt op een kleinen afstand van den beroemden kastanjeboom der Honderd-Paarden. Deze reusachtige boom is niet meer wat hij in de vorige eeuw was; het is zelfs geen boom meer, maar een groep van drie stammen, waarvan de twee voornaamsten reeds volkomen in het hart zijn aangetast. In de dagen van zijn roem bedroeg de omvang van den kastanjeboom van Honderd-Paarden niet minder dan zestig ellen. De prachtige kastanjeboom van de Nave, dien men nog op een geringen afstand in het noorden ziet, heeft slechts achttien ellen omvang; maar hij is nog niet, als de genoemde, van ouderdom verteerd, en zijne geweldige takken breiden zich verre uit, om zich te vermengen met de twijgen van een anderen bijna even reusachtigen boom. Overigens zullen zij, die niet alleen de boomen om hun kolossalen omvang of hoogen ouderdom bewonderen, op deze zelfde helling van den Etna duizende kastanjeboomen, eiken en abeelen aantreffen, die inderdaad prachtig zijn om hun fraaien stam, hun zuivere schors, de bevalligheid en den adel van hun voorkomen. Hoewel de boomen schaarsch en weinig beteekenend zijn, wordt de zwarte mestaarde gestadig vochtig gehouden door het doorsijpelen van de sneeuw, en kan het hout der boomen de noodige sappen vinden.

Zaffarana, mijn tweede pleisterplaats op de oostelijke helling van den Etna, is een groot dorp aan het lagere einde van den lavastroom, die in 1852 uit den Val del Bove vloeide, en die, in de hedendaagsche geschiedenis van den vulkaan, alleen met de uitbarsting van den Monte Frumento kan worden vergeleken. Ook kon ik niet nalaten dezen stroom te onderzoeken, te meer daar het mij de gelegenheid schonk dien afgrond van den Val del Bove, dien ik reeds van de sneeuwhoogte des bergs aanschouwd had, weder te zien. Ik was zelfs zoo gelukkig, mijn geestdrift over te storten in het hart van een eleganten Cataniaschen burger, die te Zaffarana was om ik weet niet welke belangrijke zaak. De brave kerel was in de schaduw van den Etna geboren; hij had altoos den witten rook er van in de lucht zien dwarrelen, en toch was hij nooit op het denkbeeld gekomen hem te bestijgen, of zelfs maar een der kleine kraters te bezoeken, die men op de zijden van den berg in menigte aantreft. Ik verweet hem zijne onverschilligheid, en des avonds, toen wij elkander wederkeerig goeden nacht wenschten, was mijn kameraad er vast toe besloten krachten te verzamelen voor den volgenden dag.

Inderdaad waren wij beiden op het bepaalde uur gereed en begaven wij ons dapper op marsch. Alles ging uitmuntend zoolang wij nog op het gebied der tuinen van Zaffarana waren; maar voorbij een steenachtig veld, dat aan de eene zijde door moeielijk te beklimmen steilten en aan den anderen kant door een muur van metaalslakken, afkomstig van de groote uitbarsting, ingesloten werd, bemerkte ik dat mijn vriend de Cataniër den moed liet zakken.

Het was recht warm: geen zuchtje drong door in de soort van put, waarin wij ons bevonden. Echter deed de toerist-leerling eenige vruchtelooze pogingen om een eerste helling te bestijgen, door zich aan de struiken vast te klampen; maar deze eerste proef scheen hem voldoende: hij overwon het gevoel van schaamte, dat hem nog aan mijne zijde deed blijven, en terwijl hij mij allen mogelijken zegen op mijn pad toewenschte, keerde hij naar Zaffarana terug.

De beklimming van het voorgebergte, dat den zuidelijken rand van den Val del Bove vormt, gaat inderdaad zeer moeielijk; maar hoe ziet men zijne vermoeidheid beloond, als men den top der steilte bereikt heeft! De groote kegel van den vulkaan vertoont zich in al zijn luister, terwijl hij als twee groote armen de wanden van den Val del Bove, beurtelings wit en zwart gestreept, door de lavamuren en de sneeuwvallen vooruitsteekt. In de verte ontwaart men het uitgebreide veld van metaalslakken, welks oppervlakte niet minder dan vijf-en-twintig vierkante mijlen beslaat; uit het hart dezer zee verheffen zich hier en daar, als eilandjes, afzonderlijk gelegen rotsen en de kraters, aan wier voet de uitbarsting van 1852 een begin nam. Deze groote stroom, die zich van de oudere lava’s door zijn ijzerkleur zeer duidelijk onderscheidt, verspreidt zich eerst in het veld, vervolgens splitst hij zich in drie afzonderlijke armen, waarvan de twee voornaamste verder zich op nieuw in de velden van Milo en Zaffarana vereenigen. De zuidelijke arm werpt zich met een grooten val in het kleine gesloten bekken van den Val van Colonna, waar men enkele brokken weiden aantreft. In de streek van den Etna wordt het oog door weinig verrassender tooneelen aangedaan dan die van dezen zwartachtigen lavaval, welke van een hoogte van 120 ellen naar beneden stort en door een groote rots wordt gekroond, in het midden van den stroom als de rots van den Niagara oprijzende.

De lavastroom van 1852, een der aanmerkelijkste die in de nieuwere tijden uit de zijden van den Etna is voortgevloeid, is ook een van die, welke de meeste schade heeft aangericht, want door zijn onderste laag werden de velden bedekt, die onder de best bebouwde van Sicilië gerekend werden. Daarenboven verdorden eensklaps de wijngaarden en de boomgaarden, beneden de verst voortgedrongene lavastroomen gelegen, alsof hunne bladeren door de hitte van den brand waren vernield. Om dit zonderlinge verschijnsel te verklaren, moet men weten dat zekere aderen van den grooten lavastroom de spleten van den grond binnendrongen, en de een of andere holligheid in den berg onder de vermelde boomgaarden vulden; daar de wortels het noodige vocht dierven moesten de boomen wel sterven.

Te Zaffarana teruggekeerd, behoefde ik slechts den voet van een fraaien, door landhuizen omgeven kegel om te trekken, om het dorpje Via-Granda te bereiken, van waar uit ik den tocht om den Etna had aangevangen. Weldra kwam ik weder te Aci-Reale en den volgenden dag te Catania, na met blijdschap de Cyclopen-eilanden en het kasteel van Aci-Castello terug te hebben gezien.

IV.

Beminnelijkheid der Cataniërs.—De fraaie stad.—De kerk van San Benedetto, de Kathedraal en de sluier der heilige Agatha.—De stroom Amenano.—Handel van Catania.—De historische karren.—Centorbi en de zwavelmijnen.—Gezicht van den Etna.—Kaap Santa Croce.—Agosta.—Het voorgebergte van Panagia.—Het eiland Ortygia.—De tempel van Minerva.—De bron van Arethusa.—De katakomben.—Mijn vaarwel aan Sicilië.

De Cataniërs beroemen er zich op de beminnelijkste der Sicilianen te zijn, en, als ik naar mijne eigene ondervinding er over mag oordeelen, ben ik zeer geneigd te gelooven dat zij gelijk hebben. Zelden heb ik dienstvaardiger, welwillender lieden gezien, of die er meer op uit zijn, den naam van gedienstigheid en gastvrijheid te verwerven. Als vreemdeling werd ik overal met de uiterste voorkomenheid ontvangen; ik vond alle deuren voor mij geopend. Nauwelijks was ik vier-en-twintig uren te Catania, of reeds hadden eenige personen gezorgd dat ik een allergenoegelijkst leven kon leiden, door op de verplichtendste wijze hunne boeken, hunne dagbladen en vooral hun tijd ter mijner beschikking te stellen. Van waar ontstaat deze tot een spreekwoord geworden beminnenswaardigheid der inwoners van Catania? Ik kan het niet zeggen: maar hoe het ook zij, de Cataniërs zijn trotsch op den goeden naam, die in deze van hen uitgaat en zoeken dien des te sterker te verdienen. Het schijnt ook, dat zij niet zoo jaloersch zijn als de Palermitanen, want hunne vrouwen en dochters zijn geenszins beducht zich in de straten te vertoonen, het hoofd ter helft omhuld met een bevallige mantille van zwarte zijde, die onder den rechterarm is vastgemaakt. Van verre zijn al de vrouwen in dit bevallige costuum schoon.

Kastanjeboom van de Nave.
Kastanjeboom van de Nave.

Kastanjeboom van de Nave.

Zelfs uit het oogpunt der architectuur is de stad een der aangenaamste van Sicilië. De straten zijn breed en zeer luchtig. De huizen, in den pretentieusen stijl der zeventiende eeuw opgetrokken, maken niettemin een vrij goede vertooning wegens hunne regelmatige vormen, hunne schitterende kleuren en groote lijnen. Fraaie tuinen versieren de stad. Aan de zuidzijde van Catania ziet men wel is waar, als een somber bolwerk, den grooten stroom der zwarte of rosachtige lava van 1660, waarop niets groeit dan eenige doornige cactussen met hun krans van ronde bladeren, van een metaalachtigen glans glinsterende: maar ten westen en ten noorden omringen de oranjebosschen, de boomgaarden, de tuinen vol vreemde planten, met hun schitterend gebladerte of doordringenden geur, de stad als met een groenen gordel. Aan alle kanten steken boven de takken hooge met parcelarias en andere slingerplanten bekleede torentjes uit: het zijn de landelijke, op de waterleidingen gebouwde kasteelen, waardoor de van den Etna afgedaalde beekjes heen stroomen. Toch maken noch de boschjes, noch de tuinen, de voornaamste schoonheid van Catania uit, maar wel de dubbele blauwachtige kruin des vulkaans, die men boven de lange hellingen, aan den voet met groen bekleed en in de hoogte met sneeuw gekroond, ziet rooken. Uit de groote straat, die door geheel Catania, ter lengte van drie kilometers op de helling van den berg loopt, geniet men een uitzicht, dat zijns gelijken in Europa niet heeft.

Catania heeft geen monumenten, die de moeite van een bezoek beloonen. Het oude romeinsche theater, welks materialen grootendeels gediend hebben tot den opbouw der kathedraal, heeft slechts voor de archeologen iets belangrijks; het amphitheater is bijna geheel onder de lava bedolven en men moet er als in een grot binnendringen. Van de honderd drie kerken, die de stad bezit, is er niet een, wier stijl schoon mag worden geheeten, als men die van Santo Carcere uitzondert, wier romaansch portaal allermerkwaardigst is. Al de anderen, hetzij slechts kleine kapellen met eenvoudige klokketorens of groote met koepels gekroonde kerken, zijn evenzeer met lomp en gemaniëreerd beeldhouwwerk beladen. De merkwaardigste kerk is ongetwijfeld die van San Benedetto, die een deel uitmaakt van een geweldig groot klooster, waarin de ambtenaren van het gouvernement, alsmede de officieren en soldaten van het garnizoen, nevens de monniken, zijn gehuisvest. De voorgevel der kerk is nog onvoltooid, maar wekt des te meer belangstelling op met hare groote schachten van kolommen, die in plaats van kapiteelen met gras en bloemen zijn bekroond. Het schip, het grootste van Sicilië, is niet minder dan honderd-zes-en-zestig ellen lang en twintig ellen breed; het krachtige orgel, dat deze ruimte met zijn klank moet vullen, telt bij de drie duizend pijpen. Op het plaveisel der onafzienbare kerk hebben de beroemde sterrekundigen Sartorius, dynast van Waltershausen, en zijn vriend, doctor Peters, een meridiaan getrokken en in marmeren letteren hunne opmerkingen betreffende de meteorologie, en de hoogte van Catania, Nicolosi en de Etna gegrift.

De kathedraal, die zich op een geringen afstand van de haven verheft, is een gebouw van een minder profaan voorkomen, en hare met fresco’s beschilderde kapellen zijn allen opgevuld met altaren en beelden.

Daar bewaart men den beroemden sluier der heilige Agatha, die het palladium van Catania geworden is. Eertijds was de kathedraal aan de Heilige Maagd gewijd; maar tijdens de verschrikkelijke uitbarsting van 1669, waardoor een gedeelte der stad vernield werd, en later in 1693 tijdens een aardbeving, hebben de Cataniërs, die van oordeel waren dat de heilige Agatha zich een betere beschermster had betoond, de kathedraal herdoopt. Inderdaad is, als wij den schrijver van den Mongibello descritto, don Pietro Carrera, gelooven mogen, de sluier van de heilige Agatha altoos voldoende geweest om het leger Cyclopen op de vlucht te jagen.

„Op het zien der gewijde banier, werd de snelvloeiende lavastroom gekeerd;—hij heeft zich in steen veranderd, waarover men blootsvoets gaat, en waarin de overwonnen geesten en monsters zijn opgesloten. Hier werd de Mongibello verpletterd—hier werden de vlammen uitgedoofd—en zegevierde de dappere standaard der hemelsche amazone.—Sedert heeft de met schaamte overtogen Etna zich in een dichte asch gehuld, hetzij om den langen terugtocht der zijnen te verbergen, het zij om zich het gezicht te sparen der roemrijke krijgers van Catania.”

Niet ver van de kathedraal ontspringt uit den grond een fraaie bron helder water die, lang voor de heilige Agatha, een der beschermende godheden der stad was; het is de antieke Amenanus, op de basreliefs en de medailles voorgesteld onder de trekken van een jeugdig man, met een naïef voorkomen en lokken door een bloemguirlande omkranst. Tot op geringen afstand van zijn monding door den lavastroom van 1669 overdekt, vormt nu de oude, door de Grieken van Catania vereerde „stroom” tegenwoordig een doorschijnende kom op het Domplein, loopt vervolgens onder de oude muren door, en komt weder aan het licht, om met zijn helder water de wortelen te drenken van eenige op de kaai, te midden van andere boomen en bloemen, geplante treurwilgen. Heerlijke massa’s groen, statig tusschen bebladerde oevers zwemmende zwanen, ziedaar alles wat door den Amenano op zijn honderd ellen langen tocht wordt weerkaatst; daarna vermengt hij zijne wateren met de golven van de haven, terwijl hij over een lang bed van keisteenen henen wentelt. Een aantal andere beken, aan den Amenano gelijk, zijn nog onder de lava van Catania verzegeld, en men wijst u de juiste plek, waar de uitgravingen haar eenmaal aan het licht zullen brengen.

De haven van Catania beantwoordt lang niet aan de locale behoefte des handels. Toch is deze stad, zonder in belangrijkheid met Palermo of Messina te kunnen wedijveren, de hoofd- en uitvoerplaats van het nijverste en meest bevolkte gedeelte van geheel Sicilië. Bijna een half millioen inwoners, waarvan ongeveer honderdduizend op de zijden- van den Etna gehuisvest, erkennen Catania voor hun metropolis, en staan met geheel de buitenwereld door deze stad in betrekking. De voortbrengselen der omliggende velden, als wijnen, oranjeappelen, kaas, katoen, sumak, zijn van uitmuntende hoedanigheid, en weldra zal het draineeren en het in bouwland herscheppen van de groote, thans nog moerassige vlakte, die ten zuiden van Catania aan de monden van den Simeto en de Gurna Lunga zich uitstrekt, op een belangrijke wijze de hoeveelheid dezer voor uitvoer bestemde voortbrengselen doen toenemen.

Dit is lang niet alles. In een niet veraf zijnde toekomst zal Catania het centrum van het siciliaansche spoorwegnet worden; het zal het vereenigingspunt worden voor de spoorlijnen van Messina, Palermo en Syracuse, en bijgevolg zal daar voor geheel Sicilië het groote middelpunt voor de reizigers en den transitohandel zijn. Op dit oogenblik is Catania reeds de stad waar de meeste rijwegen op uitloopen, en onder deze wegen is een der voornaamste van geheel het eiland, dat hij van het eene tot het andere eind, van de Ionische zee naar de golf van Palermo, doorsnijdt. Waar is het, dat deze nationale weg tegenwoordig geheel verlaten is, omdat de weg over zee oneindig meer gemak aanbiedt; in een geheel jaar begeven zich nauwelijks drie of vierhonderd lieden regelrecht te land van Catania naar Palermo; maar als men den geheelen weg in eenige uren zal kunnen afleggen, zal ongetwijfeld eensklaps de handelsstroom een anderen koers nemen, en zullen de meeste reizigers zich stellig niet aan de kans van zeeziek te worden blootstellen.

De verschillende rijwegen, die rondom Catania naar de in den omtrek gelegen stadjes, als Lenlina, Caltagirone, Paterno, Aderno en alle andere vlekken der Etnastreek loopen, hebben een betrekkelijk vrij grooten invloed op de vervaardiging van alle soorten van rijtuigen gehad. Uit een artistiek oogpunt kan men dus te Catania het gemakkelijkst eene vergelijking tusschen de rijtuigen maken, want in dit land zijn de wagens en karren, niet zoo als bijvoorbeeld hier te lande, een eenvoudige samenvoeging van planken, maar ook in zekere mate kunststukken. De bok van het rijtuig rust op een fraai bewerkten ijzeren as, die in bevallige arabesken uitloopt. Iedere buitenzijde van de kar is in twee afdeelingen gesplitst, die ieder een schilderij bevatten. Het goudgeel, het hoog rood en andere heldere kleuren spelen in deze schilderijen, wie het soms niet aan stijl ontbreekt, de hoofdrol. Meestal stellen zij godsdienstige tafereelen voor, nu eens uit het leven van Jezus en Maria, dan weder uit dat der meest gevierde siciliaansche beschermheiligen, als Johannes de Dooper, de heilige Rosalia, Agatha of Genoveva van Brabant. Soms worden ook de paneelen der wagens met tafereelen uit de ongewijde geschiedenis, ja zelfs met liefdesvoorvallen beschilderd; en langzamerhand maken dan ook de traditioneele onderwerpen plaats voor anderen, zoodat de natuurlijke aanleg des kunstenaars vrij spel gelaten wordt. De moderne geest is tot dezen achterhoek van het groote gebied der kunst doorgedrongen; maar weldra zullen de spoorwegen, de naar de parijsche mode gevolgde rijtuigen en de boerenwagens, naar het model der engelsche vervaardigd, de siciliaansche karren met hare schreeuwende kleuren vervangen hebben.

Het was mij onmogelijk den omtrek van Catania te verlaten, zonder een bezoek gebracht te hebben aan de zwavelmijnen van Centorbi, die het dichtst bij den Etna gelegen zijn. Het eerste gedeelte van den weg wordt afgelegd in een der hotsende wagens, waarin een groot aantal holderdebolder op elkander gepakte reizigers door de stofwolk heen elkaar in het oog trachten te krijgen. Het uitzicht op het landschap is op sommige plaatsen allerheerlijkst, met name op de hoogte van Misterbianco: maar toch gevoelde ik mij recht gelukkig, toen ik aan het eerste station van mijn tocht was, en wel de stad Aderno, waar ik, hetgeen ik nog vergat te zeggen, met de siciliaansche gendarmes op een vreemde wijze had kennis gemaakt.

Aderno ligt op den noordoostelijken hoek van den Etna, op een hoog terras van lava, dat, aan den kant der rivier Simeto, in loodrechte steilten eindigt. Van dat observatorium ziet gij ten westen het amphitheater der neptunische bergen, wier naakte en rotsachtige wanden zulk een scherpe tegenstelling opleveren met de vriendelijke hellingen van den Etna, waar de rijkste plantengroei tusschen de rooskleurige ophoopingen der metaalslakken zulk een schilderachtige uitwerking doet. Op het hoogste dezer kalkachtige punten van het neptunische gebergte teekent zich de stad Centorbi, niet ongelijk aan een rotsachtige kam, tegen de heldere lucht af. Naar dat arendsnest, waarin een gansche bevolking huist, moest ik omhoog stijgen.

De vlakte, die door het voorgebergte van Aderno wordt beheerscht, is in hare geheele uitgestrektheid met een lavabank bekleed, waarin de Simeto en de in dezen stroom uitloopende Salso zich hunne beddingen hebben gegraven. Over de eerstgenoemde rivier is een brug geslagen, maar ik moest den Salso doorwaden, terwijl ik nog de voeten stootte tegen de overblijfselen van een voor ettelijke jaren bij hoog water weggespoelde brug.

Onmiddellijk daarop nemen de steilten van Certorbi een aanvang. Om de stad te bereiken, wier torens men op een kilometer afstand boven zich ziet, is men verplicht een weg te volgen, die langs de uitstekende zijden van den berg heenloopt, of wel een voetpad te bestijgen, waaraan men den welverdienden naam van Scalazza heeft gegeven, en dat tusschen een smal ravijn met een aantal afgronden doorsneden voortslingert. De beklimming duurt bijna twee uren, en toch zijn de inwoners van Centorbi, die de aan den voet der bergen gelegen velden bebouwen, verplicht alle dagen deze eindelooze trap af te stijgen en op te klauteren. Op hoeveel tijdverlies in het leven van iederen mensch en van de opeenvolgende geslachten komt niet de keuze der woning te staan, die door den bitteren oorlog noodig is geworden! Hoe zou de beschaving zich hebben kunnen ontwikkelen, hoe hadden de menschen zich kunnen vereenigen tot een vreedzame maatschappij, toen iedere groep huizen in een in de lucht hangende vesting bestond? Aderno en Centorbi, beide op een rots gelegen, kijken elkander over het dal van den Simeto aan. De van den eenen naar den anderen top drijvende wolken doorloopen deze ruimte in eenige minuten, en boven op het voorgebergte van Centorbi kan men zelfs den geur inademen der aan de overzijde gelegen tuinen; maar om den afstand afteleggen, die de beide plaatsen scheidt, heeft men even veel tijd noodig als om uit Parijs naar de grenzen van België of naar de boorden van het Kanaal te komen.

Zelfs op Sicilië, waar zoovele steden op den top van een berg hangen, is er geen enkele die met Centorbi, wat haren bouw betreft, vergeleken kan worden. De geheele stad bestaat uit twee lange stegen in den vorm van twee saamgekoppelde halve manen. Deze twee stegen zijn niets anders dan smalle rotspaden tusschen twee steile hellingen, en de aan weerskanten staande huizen zijn gedeeltelijk boven den afgrond opgetrokken. Aan den kant van den openbaren weg, hebben de huizen grootendeels geen verdieping, terwijl zij aan den kant van den afgrond tot op een geweldige hoogte boven de gewelfde en van schietgaten voorziene schoormuren uitsteken. Aan een der naar het zuidoosten gekeerde uiteinden van de dubbele halve maan staat een oude, schilderachtige ruïne, waaromheen de inwoners van Centorbi een cirkelvormige plek hebben opengelaten. Dit belvedère, van waar men het prachtige land, dat door de grootsche massa van den Etna, van Catania tot Syracuse, wordt beheerscht, in al zijn heerlijkheid overziet, is bekend onder den naam van paleis van Koenraad, maar het was ongetwijfeld een romeinsch gebouw. Daarenboven hadden de Siculiërs reeds sedert twee eeuwen de stad Centuripæ bewoond, toen de Romeinen die veroverden, om haar tot een hunner eerste sterkten van Sicilië te maken. In de dertiende eeuw sloopte een duitsch keizer Centorbi, en joeg de inwoners er van naar den oever der zee; niettemin verrees er langzamerhand eene nieuwe stad op deze dubbele bergkruin. Tegenwoordig bedraagt de bevolking der in de lucht hangende stad niet minder dan 6500 inwoners. De vertegenwoordigers van het zwijnengeslacht zijn er haast even talrijk, en de stad wint er in zindelijkheid niet door. Hoewel door den adem van alle winden schoongevaagd, zijn enkele wijken van Centorbi geheel en al ontoegankelijk.

Theater van Syracuse.
Theater van Syracuse.

Theater van Syracuse.

Na een poos lang op de brokkelende muren van Koenraads paleis verwijld te hebben, liep ik haastig het pad af, dat naar de zwavelmijnen van den baron Sesto voert. Tusschen de witte rotsen, die hier en daar boven den grond uitsteken, is de bodem overal met zorg bebouwd; maar nergens ontwaarde ik een huis; al de landbouwers keeren iederen avond binnen den omtrek der stad terug. De uitgestrekte graanvelden, waarmede de dalen zijn bedekt, en die zich langs de hellingen uitstrekken, hebben door deze afwezigheid van menschelijke woningen een bijzonder droefgeestig en ernstig voorkomen: het is alsof de mensch plotseling aan zijn landbouw is ontrukt en niemand komen zal om den in de voren oprijzenden oogst te maaien.

De fornuizen en de verschillende inrichtingen bij de zwavelmijn zijn de eerste gebouwen die men ten zuiden van Centorbi aantreft. Zij liggen op meer dan een mijl afstands van de stad, in een eng, rotsachtig dal, dat geheel en al met uit het hart van den berg voortgekomen steenen is opgevuld. Zonder tijd te verliezen vervoegde ik mij bij den ingenieur, die hier de opgraving bestuurt; deze stelde zich aanstonds met de meeste welwillendheid te mijner beschikking en was zoo vriendelijk mij in persoon in de gangen der mijnen te vergezellen.

Tempel van Castor en Pollux te Girgenti.
Tempel van Castor en Pollux te Girgenti.

Tempel van Castor en Pollux te Girgenti.

Ik was hem er zeer erkentelijk voor, want wij waren op het heetste gedeelte van den dag, en al de arbeiders lagen in de schuren uit te rusten. De zonnestralen vielen loodrecht in het dal neder en werden door de witachtige steenen teruggekaatst. Daar de hoofdingang juist naar het zuiden lag, drong de zonnehitte tot in het diepste van de mijn door. Een sterke reuk van gezwaveld waterstofgas steeg uit den mond van dezen put op en sloeg ons op de keel. Nauwelijks was ik de opening binnengedrongen, of ik begon reeds met moeite adem te halen, terwijl mijn gelaat met zweet overdekt was. Gedurende eenige oogenblikken was ik bang geen stap te kunnen doen. De gangen der mijn van Centorbi gelijken meestal op soortgelijke uitgravingen, die als zijgangen in de bergen zijn uitgehouwen. De gewelven zijn laag en op ongelijke wijze bewerkt; lompe pijlers, op ruwe wijze door het houweel afgerond, ondersteunen de zoldering; flauwe lichtstralen komen met het weifelachtige schijnsel der lampen hier en daar uit het diepste der duisternis te voorschijn; voor een oogenblik ontwaart men gangen, die u oneindig toeschijnen: daarna verdwijnen die perspectieven in een oogwenk, en tracht de blik te vergeefs door het duister heen te dringen; men hoort allerhande vreemde geluiden: hikken en zuchten, die door de verre zich steeds herhalende echo’s geboren worden. De vochtigheid dringt de wanden door; er vallen druppels van het gewelf kletterend op den bodem: het water vermengt zich met de aarde van den grond en verandert dien in een glibberig en lijmig slijk. Op enkele plekken vereenigen de watervallen zich in ware zwavelachtige en rookende beken, die gemakkelijk de badkuipen van een uitgestrekt etablissement, als dat van Barèges en Caterets b.v., zouden kunnen voeden.

Evenwel heeft men deze bronnen niet geëxploiteerd, als alleen om alle jaren den eigenaar zelven van eenige kannen zwavelachtig water te voorzien. Tegenwoordig is deze overvloed van vloeistof, die elders zulk een grooten rijkdom zou opleveren, voor de mijn van Centorbi het grootste gevaar: want indien de pompen niet onophoudelijk in werking waren, zou het water weldra den onmetelijken doolhof van gangen vullen. Vier ongelukkige kerels, enkel met een lap om hun heupen bedekt, zooals de bewoners van Australië, en niettemin van het hoofd tot de voeten badende in hun zweet, werken onophoudelijk aan de slingers van de pompen. Gedurende acht lange uren zijn deze menschen, wier geheele denkkracht en werkzaamheid zich oplost in de aanhoudende gelijkmatige beweging der armen, niet anders dan aanhangselen der onverbiddelijke machine. Deze draait, en draait onophoudelijk en haalt, zonder ooit een oogenblik op te houden, de wateren naar boven, die in de metalen kuipen nederstorten; zij alleen schijnt te leven, en de athleten, die elkander om de acht uren aflossen, zijn niets dan deelen van het werktuig: in plaats van de machine te beheerschen, die zij in beweging brengen, zijn zij er de slaven van.

De verhouding der in de aderen der mijn van Centorbi aanwezige zwavel bedraagt ongeveer zes percent. Dit gehalte is betrekkelijk gering, en toch is het voldoende om de wanden der mijn te kunnen ontsteken en ze als pek te laten koken, alleen door de vlam eener lamp met den steen in aanraking te brengen. Overigens gaat men op dezelfde wijze in het groot te werk, tot verkrijging van de zwavel. De uit de mijnen gehaalde brokken worden eerst in de open lucht opgestapeld, en staan aldus gedurende korter of langer tijd aan den verwoestenden invloed van het weder bloot; vervolgens worden zij in hoopen geschikt boven de vuren der fornuizen. De steen splijt, en de gesmolten zwavel loopt in de voor haar ontvangst gereed gemaakte vormen. Hoewel deze bewerking, overeenkomstig de traditioneele sleur, een groote hoeveelheid zwavel doet verloren gaan, is evenwel de jaarlijksche opbrengst zeer winstgevend. De mijn van den baron Sesto levert ieder jaar twintig duizend quintalen aan den handel, ongeveer het vijfde der jaarlijksche opbrengst van geheel Sicilië. De mijnontginningen, die over de geheele breedte van het eiland, van Centorbi tot Girgenti plaats hebben, voorzien Europa van de twee derden der zwavel, die het voor zijn verbruik noodig heeft. De eigenaars der siciliaansche mijnen zijn inderdaad in het bezit van het monopolie en laten den handel veel te hooge prijzen betalen; ook zullen zij zich niet te beklagen hebben als de eene of andere nieuwe chemische uitvinding hen ten val brengt.

Bij het verlaten der mijn voelde ik mij door mijn zwaveldampbad te zeer uitgeput, om op nieuw den berg van Centorbi te beklimmen. Ik liep de steilten aan den zuidelijken kant, door eindelooze graanvelden, om, vervolgens daalde ik op de boorden van Simeto door een diep ravijn af, dat tengevolge der regens ieder jaar grooter wordt.

Bijna al de bebouwde en toch woeste velden, die ik, voordat ik Aderno bereikte, doortrok, behooren nog aan een groot vrouwenklooster en maken een leengoed (feudo) uit. Dat kwam ik dien avond zelven, bij het voorbijgaan van het klooster Santa Lucia, te weten. Een groote menigte verdrong zich rondom een hoogte, waarop een omroeper stond, die een soort van kloosterliverei droeg. Volgens oude gewoonte bood deze persoon de verschillende perceelen van het domein te huur, en van hunne zijde zochten de pachters hunne contracten te vernieuwen, zonder een hoogeren prijs te betalen. Door de aanwezigheid der saamgestroomde menigte uitgelokt, klampten de nonnen zich allen aan de tralies harer vensters vast, en sloegen het tooneel met groote belangstelling gade.

Den volgenden dag mocht ik, toen ik te Catania terugkeerde, van een ander tooneel getuige zijn. Bij het binnenkomen der stad werd ons rijtuig aan de eene zijde tegengehouden door de ambtenaren der belasting, die zich wilden overtuigen of wij ook kaas of flesschen olie bij ons hadden; en aan den anderen kant door een bedelmonnik, die een afschuwelijke schilderij van zijne compositie liet kijken, de zielen in het vagevuur voorstellende. Om den wille der waarheid ben ik verplicht te zeggen, dat mijne reisgenooten de douanen alles behalve aangenaam ontvingen, en de meeste vriendelijkheid jegens den bedelmonnik aan den dag legden. Deze, met zegebeden overladen en eenige giften rijker geworden, ging deftig op een gebroken voetstuk eener kolom zitten om weder andere reizigers af te wachten en ook van hen zijn tolrecht te heffen. Hij heerscht hier als een machthebbende, en houdt met een gebaar vol autoriteit de voorbijgangers tegen. Veel opgeruimder gehoorzaamd dan zijne collega-schattingheffers, stak hij als zijn hem toekomend deel de traditioneele voor de zielen in het vagevuur bestemde belasting op, en liet de agenten van den fiscus maar begaan, om zoo goed zij konden de verschuldigde bajochis te innen.

Ik gaf de voorkeur aan den weg over zee per stoomboot naar Syracuse, en daar deze haar vaart niet al te ver van de kust neemt, had ik een verrukkelijk uitzicht daarop. Eerst hadden wij de bergen van Lentini in het oog; vervolgens voeren wij het dorpje Bruca en zijne belangrijke steengroeven langs; een poos later kaap Santa Croce, waar, naar men beweert keizerin Helena, moeder van Constantijn den Groote, met het „ware kruis” van Golgotha landde, vanwaar dit voorgebergte zijn naam ontleent. Bij het omzeilen der kaap zagen wij een heerlijk grieksch landschap zich voor onze blikken ontrollen. Daar, naar de zuidzijde toe, strekt zich, zacht hellende, het schiereiland uit, waarop eertijds twee voorsteden van Syracuse stonden. Een weinig verder, ten westen, verheft zich de scherpe spits van het Belvedère, met bouwvallen gekroond, en daarachter rijst eensklaps de hooge wand van den berg Hybla op, gelijk aan den Hymettus, en even als deze door zijne bijen beroemd. Het ovale eiland Magnisi verdeelt de golf in twee halfcirkelvormige baaien, terwijl boven de smalle kustvlakte de met dorpen bezette hoogten zich tot een prachtig amphitheater afronden.

Ten noorden van de golf heeft men een uitgestrekte haven, ten oosten door een rotsachtigen heuvel, waarop het moderne Agosta gebouwd is, tegen de zeewinden beschermd. De haven is uitmuntend, maar de stad allermorsigst. Het was of ik een der jeugdige steden van Zuid-Amerika voor mij had, die reeds in puin liggen eer haar bouw nog voltooid is. De bewoners gelijken op hunne huizen; de meesten zien er haveloos en ellendig uit. Spoedig verlieten wij deze stad, die wij even hadden aangedaan, en naderden daarop kaap Panagia, die zich ten noorden der golf van Syracuse uitstrekt, en reeds konden wij op den heuvel de bouwvallen der oude grieksche vesting van Euryalus onderscheiden. Een inwoner van Syracuse, vol geestdrift voor zijne geboortestad, wees ons met den vinger de beroemde plekken van zijn vaderland aan. Weldra konden wij zijne aanwijzingen ontberen; want wij voeren de „marmeren haven” binnen, sloegen een blik op het rotsachtige eiland Ortygia, waar de huizen der stad als het ware op elkander zijn gepakt, en ontwaarden den tempel van Minerva en de bron van Arethusa.

Behalve deze bron en tempel biedt het eiland Ortygia den bezoekers niets anders aan dan eenige archeologische merkwaardigheden, als daar zijn twee zuilen van een tempel aan Diana gewijd, overblijfselen van baden en eenige byzantijnsche en normandische gedenkteekenen. Het museum bevat hoogst merkwaardige zaken, waaronder een Venus van zeldzame schoonheid, een prachtigen bronzen buste van Medusa en voortreffelijk geslagen medailles. Toch houd ik het er voor, dat men hier niet zonder goeden uitslag opgravingen zou kunnen ondernemen. Maar nog veel wenschelijker zou het zijn, indien deze nakomelingen dier Grieken, die onder hunne gasten en medeburgers mannen telden als Eschylus, Pindarus, Plato, Timoleon, Archimedes, uit hunne vernedering opstonden en hunne eertijds zoo beroemde stad een gelukkige toekomst verschaften. Dat gedeelte van Syracuse, hetwelk op het schiereiland stond, droeg den naam van Acradina. Al wat er van deze verdwenen wijk is overgebleven, is een zuil van het Forum. Eenige kloosters en kerken van zeer gewone bouwkunst hebben de paleizen en tempels vervangen; en steken hunne naakte gevels te midden der rotsachtige vlakte op. Op dit verlaten plateau trekt niets de aandacht: in de aarde zelve moet men de merkwaardigheden van Acradina zoeken. Naast de kerk van San Giovanni, door twee zwaar gebaarde monniken bewaakt, ligt de ingang der katakomben van Syracuse. Deze grafgangen, die nooit geheel zijn onderzocht, zijn veel regelmatiger aangelegd dan die van Rome, en strekken zich over een aanmerkelijker ruimte uit. Bij het licht der flambouwen ziet men de onderaardsche gangen zich, als de galerijen eener indiaansche pagode, in alle richtingen verlengen; onder de bovenste verdieping der katakomben heeft men een tweede, voorts een derde, en eindelijk nog een vierde. Niets is in staat een grootscher denkbeeld te geven van wat de volkrijke stad Syracuse eertijds geweest is, dan de eindelooze straten dezer necropolis, waarin millioenen lijken zijn weggelegd. Aan weêrszijden der gangen heeft men de graven aangebracht, waar de leden van hetzelfde gezin werden bijgezet: de echtgenoot niet ver van de vrouw, en de kinderen onder de moeder. Grove fresco’s, bas-reliefs van luttel artistieke waarde, monogrammen en grieksche opschriften uit het christelijk tijdperk, versieren de graven, maar de meeste geraamten zijn tot stof vergaan, en sedert lang zijn de kostbare voorwerpen, die in de galerijen aanwezig waren, verdwenen. Van afstand tot afstand, leiden de hoogste galerijen naar gewelfsgewijs uitgehouwen zalen, die door een cirkelvormige opening in de kruin met de buitenlucht gemeenschap hebben. Wanneer de zon hare stralen door deze soort van vensters schiet en over den door zware schaduwen omringden grond laat wemelen, stijgt de vocht als rook naar de opening op, alsof de rots door deze stralen in brand was gestoken.

Ik was koud toen ik deze sombere necropolis verliet, en met vreugde koesterde ik mij op nieuw in den gloed der zonne van het Zuiden, en hernam ik mijne wandeling over de witachtige rotsen, waartusschen hier en daar eenige schrale olijfboomen wassen. Op sommige plekken was de grond, even als in een woestijn, slechts met schaarsch struikgewas bedekt. Eensklaps, aan den anderen rotswand, ontwaar ik eene deur in een rotsspleet; de gids opent die, en ik daal in een afgrond langs een slingerpad neder en bevind mij in een soort van toovertuin, rijk aan groen en schaduw; het is de Latomia de’ Greci of de Intagliatella. Oranje-, citroen-, japansche mispel- en perzikenboomen, in de open lucht groeiende en naar het licht des hemels opstijgende, verheffen zich tot op de reusachtige hoogte van vijftien en twintig ellen; massieve heesters omringen de boomstronken; guirlanden van slingerplanten vermengen zich met de twijgen; bloemen en vruchten bestrooien de lanen, en tallooze vogels kwinkeleeren in het gebladerte. Boven dit elyseum van geurend en bloeiend geboomte rijzen de spitse rotsen der steengroeven op; eenigen zijn nog naakt en wit als in de dagen toen zij door de instrumenten der atheensche slaven bewerkt werden; anderen zijn van boven tot beneden met klimop begroeid, of heinde en verre langs hare hellingen met dicht heestergewas overdekt. Overigens ontbreekt alle symmetrie en regelmatigheid op deze rotswanden, waardoor de tuin omsloten is. Hier verheft zich geheel op zich zelve een kalkachtige rots, als een groote toren te midden van het groen; een weinig verder ontwaart men boven haar hoofd een over den afgrond geworpen brug tusschen twee gelijkstandig loopende steilten; elders vormen geweldig groote van de zijden der rotsen afgetuimelde brokken zoo vele heuveltjes, van waar men op zijn gemak het verwonderlijke schouwspel geniet, door den bochtigen en groenenden afgrond aangeboden.

Het theater is, even als een groot altaar en amphitheater, een der schoonste overblijfsels der grieksche oudheid. Het overtrof in uitgebreidheid al de andere schouwburgen van Sicilië en kon meer dan vier-en-twintig duizend toeschouwers bevatten. Twee derden der opgaande banken zijn nog in bijna volmaakten staat, en de scherpe blik van een archeoloog kan er zelfs opschriften ter eere van Jupiter en de koningen op ontcijferen. Van hunne steenen zetels konden de burgers van Syracuse met een oogopslag het tooneel overzien, waar de grootste feiten hunner geschiedenis waren voorgevallen. Zij zagen te gelijk de muren en tempels van Ortygia, gedekt door het schitterende en beschuttende schild van Minerva, de boorden van den Anapus, waar hunne vaderen zulke vreeselijke gevechten tegen de Atheniënsers hadden gestreden, het in de verte gelegen voorgebergte van Plemmyrium, en den ingang der haven, waar achtereenvolgens zulke schitterende overwinningen waren behaald geworden; en daar beneden naar het westen, aan den voet der bergen, die passen, waar eenige dagen vóór de groote ramp, de op de vlucht gejaagde legers van Demosthenes en Niciás waren doorgetrokken. Onder het toejuichen der roemrijke daden hunner door de tooneelspelers voorgestelde helden, konden de verzamelde inwoners van Syracuse in het ronde, als in de lijst van een geweldig groote schilderij, de plaatsen zelven aanschouwen waar al deze heldendaden volvoerd waren, en nog verder de blauwe golven der Ionische zee, eens door de vaartuigen hunner korinthische voorvaderen doorkliefd. Boven dezen schouwburg, waar eertijds duizende toeschouwers elkander verdrongen, staat in deze dagen een molen, welks water met dunne stralen langs de banken nedersijpelt en eenige waterplanten tusschen de losgelaten voegen der steenen onderhoudt.

Terstond voorbij den molen heeft men een grafweg, die naar het bergplat van Epipolis, ten westen van Neapolis, en andere gedeelten van Syracuse geleidt. In dezen hollen weg zou men wanen midden in het Griekenland van eertijds, en wel vijf-en-twintig eeuwen terug verplaatst te zijn. Aan weêrszijden van den weg staan de graven, die gereed schijnen de lijken te ontvangen; de rots die den bodem van den weg vormt, is nog met diepe voren doorgroefd, door de wagens der grieksche helden er in gegraven. Volgens de overlevering heeft eertijds Timoleon, de Washington der oudheid, dezen weg ingeslagen, toen hij zich van zijn landhuis naar het theater begaf om het woord tot het volk te richten. In dezen nauwen weg, waar alles aan het verleden herinnert, was het mij soms of ik den krachtigen grijsaard op de schouderen van het volk zag ronddragen.

Op het groote bergplat van Epipolis, dat zich op verscheidene ellen afstands tusschen de golf van Agosta en de vallei van Anapus uitstrekt, is geen enkele steen meer aanwezig, geen enkel stuk puin der pilaren en tempels die het Syracuse van oudtijds uitmaakten: alles is verdwenen, alsof de wind tot zelfs het stof der stad had weggevaagd. Alleen het ruischen van het water, dat nu eens boven, dan weder onder den grond voortmurmelt, roept voor een oogenblik diegenen voor de herinnering op, die tijdens de stichting van Syracuse de waterleiding hebben gebouwd. Na een wandeling van een paar uren bereikt men het hoogste punt van het bergplat, door de grieksche forteres van Euryalus, de best onderhoudene die nog bestaat, gekroond. Dit verdedigingswerk, welks bouw door den grooten Archimedes bestuurd werd, bestaat uit twee hooge door een gracht ter diepte van acht ellen gescheiden muren, waarin overdekte wegen zijn uitgespaard, in welke zich de krijgsknechten verscholen om zich op de belegeraars te werpen. De tweede muur, die het hoogst is, is met vier pyramiden gekroond, waartusschen de werp-machines geplaatst waren, even als in de nieuwere wallen de kanonnen in de daarvoor bestemde openingen. Van deze pyramiden, waar de hagedis zich in de zon ligt te koesteren, en die eertijds door het bloed van zoovele dapperen waren roodgekleurd, geniet men een betooverend uitzicht, dat op Sicilië zijn wedergade niet heeft.

Den volgenden dag, bij mijn bezoek aan het fort Euryalus, ging ik in de vlakte van den Anapus geen door de Grieken en Romeinen vernield monument bezichtigen, maar een werk der natuur, dat nog even bekoorlijk is als het ten tijde van Moschus en Theocritus was. Het is de bron van Cyana, de azuren, zooals de zachte grieksche naam aanduidt. Om er te komen, moet men eerst het moerassige water van den Anapus overvaren; maar aan den voet van een dadelboom, die over de plek waar deze wateren ineenvloeien zijne takken uitspreidt, dringt de boot tot in de zuivere kom der bron door. Aan den voet van het terras, waarop nog heden twee geknotte kolommen van den tempel van den Olympischen Jupiter zichtbaar zijn, doorkronkelt zij de vlakte.

Allerhande vlottende zilverachtige planten vertragen den voortgang der boot; groote massa’s van egyptischen papyrus, die men destijds voor de eenige van geheel Sicilië hield, rijzen ter hoogte van vier en vijf ellen op, en buigen zich bevallig over de beek, terwijl zij hare gepluimde vezels op de fijnste zijde gelijkende, zachtkens heen en weder wiegelen.

Aan de boorden der bron van Cyana nam ik afscheid van Syracuse en het grieksche landschap, waardoor de stad is omringd, van den voet des Etna’s, die zich als een boog over mijn hoofd spande, en van Sicilië zelf. Het was mij niet gegeven, zooals ik gehoopt had, de prachtige zuilen van Girgenti, de kaap van den berg Eryx, de rotsachtige bergpassen van Catalafimi en den tempel van Segeste te zien.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings