← Table of contents
Een twaalftal samenspraken

DE BEDEVAART

N. J. Singels translation

MENEDEMUS, OGYGIUS.

Door Erasmus werden de misbruiken in de kerk aangetast. Niet de kerk zelve in haar geloof, doch de kwade praktijken (maar al te veelvuldig in zwang) moesten zijn geeselstriemen voelen. En Erasmus stond in zijn ergernis over de verfoeielijke misbruiken niet alleen. Vele weldenkenden waren het met onzen Rotterdammer eens, dat de door hem gehekelde vergrijpen tegen 't gezond verstand en den reinen godsdienstzin ten volle verdienden belachelijk gemaakt te worden.

"In de Bedevaart" (zoo zegt Erasmus in 't Nut der Samenspraken) "vaar ik uit tegen diegenen, die stormenderhand de beelden uit de kerken hebben geworpen; verder tegen hen, die dol gesteld zijn op reizen, onder voorwendsel van godsdienstzin ondernomen en waaruit thans geheele broederschappen ontstaan zijn. Die naar Jeruzalem geweest zijn, heeten Gulden Ridders. Zij noemen elkander broeders en vieren op Palmzondag in allen ernst een belachelijk feest, daar ze dan een houten ezel aan een touw voorttrekken, terwijl er tusschen hen en den ezel niet veel onderscheid is. Dit is ook nagevolgd door de bedevaartgangers, die naar St. Jacob van Compostella in Gallicië geweest zijn. Men gunne hun die liefhebberijen, maar men dulde niet dat zij zich die als daden van godsvrucht toerekenen. Ook hen teeken ik met zwarte kool, die relieken van onzekeren oorsprong voor echte en heilige overblijfselen verkoopen of er meer kracht aan toekennen dan billijk is, en ik haal hen over den hekel die uit zulke relieken een bron van vuige winst maken."

MENEDEMUS: Wat is dàt voor vreemds? Zie ik daar niet mijn buurman Ogygius, die al zes maanden lang voor iedereen onzichtbaar was? Men vertelde dat hij dood was. Ja waarachtig, hij is 't in eigen persoon of ik lijd aan hallucinaties. 'k Zal naar hem toegaan en hem aanspreken. Goeden dag, Ogygius.—OGYGIUS: 't Zelfde, Menedemus.—MENEDEMUS: Uit welke streek ben je nu heelhuids teruggekeerd? Want de droeve mare had zich hier verbreid dat je naar de onderwereld verzeild geraakt waart.—OGYGIUS: Neen, God zij dank! in dien tusschentijd was ik zóó gezond als ik vroeger zelden of nooit geweest ben.—MENEDEMUS: Nu ik hoop dat je steeds dergelijke praatjes op dezelfde manier kunt weerleggen. Maar wat zie je er vreemd versierd uit? Bekranst ben je met aaneengeregen schelpjes, aan alle kanten zit je vol met tinnen en looden beeldjes en je bent omhangen met halsketens van gevlochten stroo en aan je pols bungelt een rozenkrans, net een sliert slangeneieren.—OGYGIUS: Ik ben bij Sint Jacob van Compostella geweest. Toen ik van daar was teruggekeerd, ging ik naar de Heilige Maagd aan zee, die zoo in eere is bij de Engelschen. Of liever: ik heb haar weer opnieuw bezocht, want voor drie jaren was ik er ook al geweest.—MENEDEMUS: Zeker terwille van je zieleheil?—OGYGIUS: Neen, met godsdienstige oogmerken.—MENEDEMUS: Dan heeft zeker de Grieksche litteratuur die godsdienstige ideeën bij je gewekt?—OGYGIUS: Neen, mijn schoonmoeder had een gelofte gedaan dat als haar dochter een zoon ter wereld bracht, ik in eigen persoon aan Sint Jacob van Compostella onzen dank zou gaan betuigen, een bewijs van onze dankbaarheid zou gaan geven.—MENEDEMUS: En toen ben je den Heilige gaan begroeten alleen maar uit je eigen naam en dien van je schoonmoeder?—OGYGIUS: Neen, uit naam van onze gansche familie.—MENEDEMUS: Nu, ik denk dat je familie even welvarend zou geweest zijn als je den Heiligen Jacob van Compostella niet was gaan begroeten. Maar zeg eens op, wat antwoordde hij toen je hem kwaamt danken?—OGYGIUS: Niets. Alleen verbeeldde ik me dat hij me toelachte en eventjes met 't hoofd knikte, toen ik hem mijn gave bracht en tegelijk liet hij me dit snoer van schelpen overreiken.—MENEDEMUS: Waarom geeft hij je dat bij voorkeur?—OGYGIUS: Wel, daarvan heeft hij een grooten voorraad, omdat de zee in de buurt hem die aan de hand doet.—MENEDEMUS: Wat een vriendelijke Heilige, die kraamvrouwen bijstaat en voor zijn bezoekers ook nog wat over heeft! Maar wat is dat voor een vreemde manier van geloften doen, dat men zelf rustig thuis blijft en door een ander de moeite laat doen, zooals uw schoonmoeder deed? Als jij nu een gelofte gedaan hadt, dat ik (als 't een of ander wat je ondernomen hadt, gelukkig zou uitkomen) tweemaal in een week zou vasten, denk je dan dat ik zou doen wat jij beloofd hadt?—OGYGIUS: Neen, ik denk van niet, zelfs al had-je uit je eigen naam die gelofte gedaan. Want jij maakt er een spelletje van om de Heiligen te bedotten. Maar in mijn geval was 't mijn schoonmoeder; ik moest haar zin wel doen. Je weet hoe 't met vrouwen gesteld is als ze zich eens iets in het hoofd gehaald hebben. En bovendien—'t ging mij toch óók aan.—MENEDEMUS: Wat voor gevaar liep je, wanneer je nu de gelofte eens niet hadt vervuld?—OGYGIUS: 't Is waar, de Heilige kon me niet voor 't gerecht dagen, maar hij zou in 't vervolg doof kunnen zijn voor mijn gebeden of stil een ongeluk over mijn familie kunnen brengen. Je weet: hoe 't met groote heeren gaat!—MENEDEMUS: Zeg me eens, hoe gaat 't met de zaken daar bij dien goeden Jacob?—OGYGIUS: Vrij wat minder florissant dan vroeger.—MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Wordt hij oud?—OGYGIUS: Och, jij grappenmaker. Je weet wel dat Heiligen niet oud worden. Maar die nieuwe leer, die zich zoo over de wereld, verspreidt, maakt dat men hem niet meer zoo druk komt begroeten als vroeger wel de gewoonte was. En áls de menschen nog komen, dan komen ze alleen maar met een begroeting. Geschenken brengen ze niet mee, of 't zijn heel geringe, omdat ze beweren dat men het geld beter kan besteden voor de armen.—MENEDEMUS: Wat een goddelooze leer!—OGYGIUS: En zoo staat daar nu die machtige Apostel die altijd placht te blinken en schitteren van edelsteenen en goud, als een houten pop, ternauwernood met een enkel vetkaarsje.—MENEDEMUS: Nu, wanneer 't waar is wat ik hoor vertellen, dan loopen ook de andere Heiligen groot gevaar dat hun 't zelfde gebeurt.—OGYGIUS: Er is zelfs een brief in omloop die eigenhandig daarover door de Heilige Maagd Maria geschreven is.—MENEDEMUS: Welke Maria?—OGYGIUS: Maria bijgenaamd "Van Steen."—MENEDEMUS: Je bedoelt Maria uit 't land bij Bazel?—OGYGIUS: Juist, die.—MENEDEMUS: Je spreekt me daar dus van een steenen Heilige. Maar aan wien heeft ze geschreven?—OGYGIUS: De naam staat in den brief zelf.—MENEDEMUS: Door wien is de brief bezorgd?—OGYGIUS: Zeker door een engel, die den brief had neergelegd op den preekstoel van den prediker aan wien de brief geadresseerd is. En opdat je niet 't minste bedrog zoudt kunnen vermoeden, zul-je den eigenhandig geschreven brief zelf zien.—MENEDEMUS: Kent ge dan de hand van den engel die particulier secretaris van de Heilige Maagd is?—OGYGIUS: Zeer zeker.—MENEDEMUS: En op welken grond wel?—OGYGIUS: 'k Heb het grafschrift van Beda gelezen, waarvan men zegt dat 't ook door engelen is ingebeiteld. De vorm van de letters in dat grafschrift komen geheel met die van den brief overeen. Ik heb ook het briefje gelezen dat aan den Heiligen Egidius gezonden was. Ook die gelijken precies op de anderen. Is dat alles geen duidelijk bewijs?—MENEDEMUS: Zou ik den brief eens mogen inzien?—OGYGIUS: 't Mag wanneer je er een eed op doet dat je er over zult zwijgen.—MENEDEMUS: 'k Zal zwijgen als een mof.—OGYGIUS: Ja, maar er zijn ook wel moffen, ja zelfs in de geschiedenis zijn zelfs steenen bekend, die op dit punt in kwaden naam staan, omdat ze niets kunnen stilhouden.—MENEDEMUS: Beschouw me dan maar als een stomme, als je een mof zoo weinig vertrouwt.—OGYGIUS: Nu, op die voorwaarde wil ik je den brief voorlezen: spits je beide ooren!—MENEDEMUS: Ze zijn gespitst.—"Maria de Moeder van Jezus groet den priester Donkerschat. Dat gij, in navolging van Luther, de menschen tracht te overtuigen dat het overbodig is de Heiligen aan te roepen, daarvoor ben ik u in zeker opzicht grooten dank verschuldigd. Want vroeger werd ik door de onbeschaamde gebeden der menschen tot vervelens toe gekweld. Zij vroegen van mij alleen alles, alsof mijn Zoon nog eeuwig een kind bleef, omdat hij altijd zoo wordt afgebeeld en afgeschilderd op mijn schoot, alsof hij nog van de genade van zijn moeder afhing en niets aan iemand die hem wat vroeg zou kunnen weigeren, natuurlijk uit vrees, dat ik hem dan wederkeerig de borst zou weigeren als hij zou willen zuigen. Somtijds vraagt men mij, die toch een maagd ben, dingen welke een ingetogen jongman ternauwernood van een gemeene koppelaarster zou durven vragen en welke ik niet waag neer te schrijven. Soms komt een koopman die voor handelszaken naar Spanje op reis gaat, mij de kuischheid van zijn bijzit aanbevelen. Dan weer komt een nonnetje, die vluchten wil uit 't klooster en den sluier wil afwerpen mij vragen, of ik haar ongerepten naam wil beschermen dien ze zelve te grabbelen gaat gooien. Een brutaal soldaat die gehuurd is ter slachting, roept uit: "Heilige Maagd geef me een rijken buit." Een dobbelaar roept: "Begunstig mij, Heilige Maagd: gij zult de winst met mij deelen." En wanneer de dobbelsteen dan geen gunstigen uitslag geeft, dan overladen ze mij met scheldwoorden en moet ik allerlei verwenschingen hooren omdat ik geen schurken wil helpen. De lichtekooi, die met haar lichaam den kost wint, roept mij aan en zegt: "Geef mij een ruime verdienste." En als ik iets weiger, dan moet ik dadelijk hooren: "Dan ben je ook geen Moeder der barmhartigheid!" De beden van anderen weer zijn niet zoo zeer slecht dan wel laf. Een ongehuwde juffrouw bidt: "Maria geef me een rijken en mooien bruigom." Een getrouwde vrouw: "Schenk mij mooie kinderen." Een zwangere vrouw: "Maak mij mijn bevalling licht." Een oude vrouw: "Maak dat ik lang mag leven zonder hoest en zonder dorst." Een oude malle gek: "Geef dat ik weer jong mag worden." Een wijsgeer roept uit: "Maak dat ik onontwarbare wetenschappelijke knoopen kan leggen." Een priester vraagt: "Geef mij een mooie priesterplaats." Een Bisschop vraagt: "Bescherm mijn Kerk." De zeeman: "Verleen mij een veilige vaart." Een gouverneur zegt: "Laat mij uw Zoon zien vóór ik sterf." Een hoveling: "Doe mij in mijn stervensuur eerlijk en naar waarheid mijn zonden biechten." Een boer bidt: "Geef mij regen op tijd." Een boerin: "Bewaar ons klein en groot vee in gezondheid."—Weiger ik iets, dan heet ik dadelijk onbarmhartig. Zoo ik hen naar mijn Zoon verwijs, dan moet ik hooren: "Hij wil alles wat gij wilt." Moet ik in mijn eentje, die maar een vrouw en nog al een maagd ben, hulp verleenen aan varenslieden, krijgers, handelaars, spelers, trouwende paren, zwangere vrouwen, gouverneurs, vorsten en boeren? Maar alles wat ik daar gezegd heb, is nog maar een klein deel van 't geen ik te doorstaan heb. Van dat alles heb ik tegenwoordig veel minder last dan vroeger, en daarom zou ik u van harte dank zeggen, ware het niet dat dit voordeel een veel grooter nadeel met zich meesleepte. Ik heb nu wel veel meer vrijen tijd, maar minder eerbewijzen en minder inkomsten. Vroeger werd ik begroet als "Hemelskoningin," "Meesteres der Wereld," nu hoor ik ternauwernood uit den mond van enkelen een "Ave Maria." Vroeger behing men mij met kostbare steenen en goud, kreeg ik fraaie kleedingstukken in overvloed, werden mij giften in goud en edelsteenen gebracht, tegenwoordig krijg ik ternauwernood een klein manteltje en dat nog wel een waaraan de muizen geknabbeld hebben. De jaarlijksche inkomsten zijn zóó gering geworden, dat ik er ternauwernood een armzaligen kerkdienaar van kan onderhouden om een lampje of een vetkaars voor mij aan te steken. En dat alles zou nog te dragen zijn, wanneer men niet vertelde dat gij nog grooter plannen koestert. Men zegt dat gij 't daarop aanstuurt: alle Heiligen uit de kerken te jagen. Bedenk echter wèl wat gij gaat doen. Den anderen Heiligen ontbreekt 't niet aan de macht om zich te wreken over 't onrecht hun aangedaan. Wanneer ge Petrus uit de kerk werpt, dan kan hij voor u op zijn beurt de deur van den hemel sluiten. Paulus heeft zijn zwaard. Bartholomeus is met een mes gewapend. Wilhelmus heeft onder zijn monnikspij een volledig harnas en draagt daarbij een flinke lans. En wat wilt ge tegen den Heiligen Joris uitrichten, die te paard zit en geheel geharnast is, schrikwekkend door speer en zwaard? Antonius is ook niet ongewapend: hij heeft zijn heilig vuur. En ook de overigen hebben hun wapens of hun kwalen, die ze toezenden aan wien ze willen. Maar mij, ongewapend als ik ben, zul je er niet uitwerpen of 't moest wezen tegelijk met mijn Zoon, dien ik op mijn arm draag. Van hem laat ik me niet scheiden. Ge moet hem met mij uitstooten, of ge moet ons beiden met rust laten, of ge moest soms liever een kerk hebben zonder Christus. Dat wilde ik u even doen weten. Bedenk wat ge mij meent te moeten antwoorden. Want de zaak ligt mij na aan 't harte.—Geschreven uit onze Kerk van Steen den 1en Augustus van het jaar van 't lijden mijns Zoons 1524. Door mij, maagd van Steen eigenhandig onderteekend."—MENEDEMUS: Wel, die brief klinkt dreigend en schrikaanjagend. Pastoor Donkerschat zal dunkt me wel oppassen.—OGYGIUS: Als hij ten minste verstandig is.—MENEDEMUS: Waarom heeft die goede Sint Jacob hem óók niet over dezelfde aangelegenheid geschreven?—OGYGIUS: Dat weet ik niet; misschien omdat hij wat ver af woont en tegenwoordig alle brieven onderschept worden.—MENEDEMUS: Welke goede hoogere Macht heeft je naar Engeland gebracht?—OGYGIUS: Een bijzonder gunstige wind lokte mij er heen en ik had ook zoowat half beloofd aan de Heilige Moedermaagd aan de Zee dat ik haar na twee jaren wéér zou komen bezoeken.—MENEDEMUS: Wat was je van plan haar te vragen?—OGYGIUS: Och, niets bijzonders. Alleen maar die gewone dingen: dat mijn familie gezond mocht blijven, vermeerdering van mijn vermogen, een lang en gelukkig leven hier op aarde en altijddurende gelukzaligheid in 't toekomende.—MENEDEMUS: Kon de Heilige Moeder Gods bij ons u dat dan niet geven? Zij heeft te Antwerpen een vrij wat mooier kerk dan die in Engeland is, aan de zee.—OGYGIUS: 'k Zal niet zeggen dat ik 't niet kàn, maar de Heilige Maagd schenkt hier dit en daar dàt, hetzij dat 't haar nu eens zoo in den zin komt, hetzij dat ze zich naar onze neigingen en verlangens schikt, welwillend als ze is. Van Sint Jacob van Compostella heb ik dikwijls gehoord: maar vertel me eens iets, als je wilt, van 't rijk van die Heilige Maagd aan de Zee.—OGYGIUS: Goed, ik zal 't zoo beknopt doen als ik kan. Het is een Heilige die in geheel Engeland geëerd wordt en men zal op dat eiland niet licht iemand vinden die hoopt dat 't hem goed zal gaan of hij komt haar jaarlijks met een kleine gave naar gelang van zijn fortuin begiftigen.—MENEDEMUS: Waar huist ze?—OGYGIUS: Aan den uithoek van Engeland, in het Noordwesten, niet ver van de zee, ongeveer drie mijlen. Het is een dorpje dat nauwelijks van iets anders bestaat dan van de talrijke pelgrims. Er is een college van Kanunniken, die den latijnschen bijnaam van Regulieren dragen. 't Is een midden-slag geestelijken tusschen monniken en kanunniken die men "wereldlijke" noemt.—MENEDEMUS: Zoo'n soort van amphibieën dus, zooiets als de bevers.—OGYGIUS: Ja, en ook de krokodillen. Maar, alle gekheid ter zijde. In drie woorden kan ik zeggen wat ge wilt weten. Kanunniken zijn gehaat, monniken staan in de gunst.—MENEDEMUS: Je spreekt nòg in orakeltaal.—OGYGIUS: Laat ik er dan een wiskundige verklaring bijvoegen. Als de Paus te Rome eens alle monniken met zijn banbliksem trof, dan zouden dezen hier zich als Kanunniken beschouwen en niet als monniken. En als diezelfde Paus alle monniken toestond een vrouw te nemen, dan zouden ze verklaren monniken te zijn.—MENEDEMUS: 'k Wou dat ze bij die gelegenheid mijn vrouw meenamen!—OGYGIUS: Maar, om op ons onderwerp terug te komen: dit college heeft eigenlijk geen andere inkomsten dan die welke de goedgunstige beschikking van de Heilige Maagd hun toestaat. De grootere kerkgeschenken worden bewaard. Maar wat er aan geld binnenkomt of aan zaken van minder waarde, dat wordt gestort in de kas om er de Orde en haar hoofd van te onderhouden. Deze heet bij hen Prior.—MENEDEMUS: Zijn 't menschen van goeden levenswandel?—OGYGIUS: Daar hoort men niet over praten. Ze zijn rijker in vroomheid dan in jaarlijksche inkomsten. Het is een aardige en smaakvolle kerk. Maar de Heilige Maagd woont daarin niet, eershalve heeft ze die aan haar Zoon afgestaan. De Heilige Maagd heeft haar eigen kerk, om rechts van haar Zoon te verblijven.—MENEDEMUS: Rechts? Waar ziet haar Zoon dan heen?—OGYGIUS: Goed opgemerkt! Als hij naar 't westen ziet, dan heeft hij zijn moeder rechts; wendt hij zich naar 't oosten, dan bevindt zij zich links. Maar zij woont daar niet. Haar kerk is nog niet gereed: de wind kan er nog overal doorheen spelen omdat deuren en vensters nog openstaan: en de zee waarop alle winden ontstaan, ligt vlak bij.—MENEDEMUS: Dat is hard. Waar woont ze dan?—OGYGIUS: Wel in de kerk, waarvan ik vertelde dat ze nog niet af is, bevindt zich een kapelletje, van planken in elkaar gezet, waarin aan weerskanten door een nauw deurtje de bezoekers worden toegelaten. Er is slechts weinig licht en alleen maar van waskaarsen en het riekt er heerlijk.—MENEDEMUS: Dat behoort alles zoowat bij de uitoefening van den godsdienst.—OGYGIUS: Ja, wanneer je naar binnen ziet, Menedemus, dan zou je zeggen: dat is een verblijfplaats voor Heiligen, zoo schittert alles van edelsteenen, goud en zilver.—MENEDEMUS: Je doet me van verlangen branden om er ook eens heen te gaan.—OGYGIUS: Nu, je zult geen berouw hebben van de genomen moeite.—MENEDEMUS: Is daar ook niet de een of andere heilige olie te krijgen?—OGYGIUS: Dommerik! Die wordt immers alleen maar door de graven van enkele Heiligen uitgezweet, bijv. van Andreas en Catharina. Maria is immers niet begraven.—MENEDEMUS: Je hebt gelijk, ik vergiste me. Maar maak je verhaal af.—OGYGIUS: Om de vereering meer en meer te bevorderen wordt op de eene plaats dit, op de andere dat getoond.—MENEDEMUS: En misschien ook wel om de goedgeefschheid te bevorderen, volgens 't zeggen van den latijnschen dichter Ovidius:

"Veel handen geven rijken buit, Strekt veler hand zich beedlend uit."

OGYGIUS: Overal staan dan ook "gidsen door de heilige plaatsen" den bezoeker ten dienste.—MENEDEMUS: Van de Kanunniken?—OGYGIUS: Neen! Die neemt men daarvoor niet. En wel hierom: men wil niet dat zij ten gevolge van den godsdienst van hun godsdienst vervreemden en terwijl ze de Heilige Maagd dienen, hun eigen maagdelijkheid te grabbelen gooien. Alleen bevindt zich in de kapel, waarin ik zei dat de Heilige Maagd vertoeft, bij het altaar een kanunnik.—MENEDEMUS: Waartoe?—OGYGIUS: Om de gaven in ontvangst te nemen en te bewaren.—MENEDEMUS: Is men verplicht te geven of men wil of niet?—OGYGIUS: Neen, volstrekt niet. Maar sommige bezoekers brengt een soort van vrome schaamte er toe om te geven, wanneer er iemand bij staat, terwijl ze niets zouden geven als er niemand bij was. Of ook wel: ze geven heel wat meer dan ze anders zouden geven.—MENEDEMUS: Je noemt daar een echt menschelijk zwak dat ik bij ondervinding ken.—OGYGIUS: Er zijn er die zóó verknocht zijn aan de Heilige Maagd dat ze onder den schijn van een gave op 't altaar te leggen met een bewonderenswaardige handigheid wegstelen wat een voorganger er had neergelegd.—MENEDEMUS: En als er nu eens niemand stond, zou dan de Heilige Maagd zulke schurken niet onmiddellijk met haar bliksem treffen?—OGYGIUS: Waarom zou de Heilige Maagd dit eerder doen dan God in den Hemel, voor wien sommige menschen zóó weinig eerbied hebben dat ze hem van zijn kerksieraden durven berooven, zelfs zóó, dat ze door de muren van de kerk heen breken?—MENEDEMUS: Ik ben 't nog niet met mij zelven eens waarover ik meer verwonderd moet zijn: over de verregaande onbeschaamdheid van die heiligschenners of over Gods lankmoedigheid.—OGYGIUS: Nu dan. Aan de noordzijde is een poortje, niet van de kerk (je mocht je soms eens vergissen) maar van de omheining waarmee 't geheele terrein bij de kerk behoorend wordt omsloten. Die poort heeft weer een klein deurtje zooals wij die in de groote dubbele deuren van de adellijke kasteelen zien. Ieder die wil binnentreden, loopt eerst gevaar zijn scheenbeen te schaven en ziet zich daarna gedwongen flink te bukken om zijn hoofd niet te stooten.—MENEDEMUS: 't Is maar veiliger om door zoo'n deurtje 't huis van je vijand niet binnen te gaan.—OGYGIUS: Dat is een goede opmerking. De "gids door 't Heiligdom" vertelde dat indertijd een Ridder te paard door dat deurtje aan een hem vervolgenden vijand ontsnapt was, die hem op de hielen zat. De ongelukkige die reeds wanhoopte aan redding had door een plotselinge ingeving zijn leven aanbevolen aan de Heilige Maagd die in de buurt was. Want hij was van plan om tot Haar altaar te vluchten als de groote poort openstond. En hoor nu eens het ongehoorde wonder! Eensklaps stond de ruiter met paard en al binnen de omheining van het kerkhof, terwijl zijn vervolger tevergeefs buiten voor de poort stond te razen en te tieren.—MENEDEMUS: En wist de gids je dit verhaal aannemelijk te maken?—OGYGIUS: Ja zeker.—MENEDEMUS: Dat ging bij zoo'n wijsgeer als jij bent, toch zeker zoo héél gemakkelijk niet.—OGYGIUS: Hij wees mij op de deur een koperen plaat met spijkers er op vastgehecht, waarop een afbeelding van den geredden ridder stond in de kleedij die het Engelsche volk toen placht te dragen, zooals wij die ook op schilderijen van ouden datum zien weergegeven. Als die niet liegen, dan hadden de barbiers van die dagen weinig te doen, evenals de lakenververs en lakenwevers.—MENEDEMUS: Hoe dat zoo?—OGYGIUS: Omdat de man een baard had als een geit en omdat er geen enkele plooi zat in zijn kleedingstukken, die zóó weinig ruimer waren dan zijn lichaam, dat dit er nauw door was ingesnoerd. Daar was ook nog een andere plaat die de afbeelding en de grootte van de kapel voorstelde.—MENEDEMUS: Ja, dan màg men niet meer twijfelen.—OGYGIUS: Onder aan het deurtje was een ijzeren vlechtwerk, om alleen voetgangers door te laten. Het paste toch niet dat een ander paard weer de plaats zou betreden, vroeger door dien Ridder aan de Heilige Maagd gewijd.—MENEDEMUS: En te recht!—OGYGIUS: Als men nu van hier oostwaarts gaat, komt men aan een kapel vol van allerlei heilige overblijfselen. Daar ga ik heen. Een andere tempelgids neemt er de leiding over. Wij prevelen eerst eenige gebeden. Nu wordt ons een lid van een menschenvinger getoond, en wel van een middelvinger. Ik kuste dien en vroeg van wien die relikwieën waren. Hij zei: van Sint Pieter. Toch niet van den Apostel? Hij beweerde van ja. Terwijl ik daarop de lengte van 't vingerlid aandachtig bekeek, dat wel een aan reus kon hebben toebehoord, zei ik: "St. Pieter moet wel een man van buitengewoon groote lichaamsgestalte geweest zijn." Bij die woorden schoot één van de omstanders in een luiden schaterlach. Dat kon ik niet uitstaan. Als hij zich stilgehouden had zou de kerkbewaarder ons al de andere relikwieën getoond hebben. Wij brachten hem zoo goed en zoo kwaad als het ging weer in zijn humeur door hem eenige geldstukjes te geven. Vóór de kapel bevond zich een afdakje waarvan hij verzekerde dat het op een winterdag, toen de sneeuw alles bedekt had, plotseling daarheen van een verre plaats was aangebracht. Onder dat afdak heeft men twee putten tot den rand toe vol. De bronwel daarvan is naar men zegt aan de Heilige Maagd gewijd. Het water is bijzonder koud en werkt heilzaam naar men zegt voor hoofd- en maagpijn.—MENEDEMUS: Als koud water hoofd- en maagpijn geneest, dan zal later ook nog wel eens olie dienen om een brand te blusschen.—OGYGIUS: Maar mijn waarde: 't is immers juist een wonder dat ik vertel. Wat zou 't anders voor een wonder wezen als koud water dorst leschte?—MENEDEMUS: Dit is nu zeker 't ééne deel van 't historietje.—OGYGIUS: Ze verzekerden dat die bron plotseling was ontsprongen op bevel van de Heilige Maagd. Ik bekeek alles in het rond nauwkeurig en vroeg: hoeveel eeuwen er verloopen waren sedert die luifel daar was aangebracht. Hij zei: "Al verscheidene." "De muren van de kapel zien er anders niet erg oud uit," zei ik. Hij ontkende dat niet. "Zelfs niet die houten kolommen." Hij ontkende dan ook niet dat ze daar onlangs neergezet waren en trouwens men kon dat ook duidelijk zien. "En verder," zei ik, "lijken dat dak en stroo nog al van nieuwe bouwstof te wezen." Hij moest dat toegeven. "En zelfs die dwarsbalken en de schuine balken waarop 't riet en 't stroo steunen, schijnen me nog niet zoo héél lang daar te liggen." Hij knikte van ja. En toen ik dus merkte dat er geen stuk meer van de hut uit den ouden tijd overbleef, zei ik: "maar hoe kan men dan met zooveel zekerheid zeggen dat dit afdak van verre is aangebracht?"—MENEDEMUS: Hoe heeft zich die tempel-rot daaruit weten los te praten?—OGYGIUS: Nu, eerst toonde hij ons een zeer oude beerenhuid die van den balk afhing en hij lachte bijkans om onze onverschilligheid, dat wij voor zulk een bewijsgrond geen oogen hadden. Zóó werden we dan overtuigd en terwijl we vergiffenis vroegen voor onze traagheid van begrip, gingen wij over tot 't bezichtigen van de hemelsche melk der Heilige Maagd.—MENEDEMUS: Wat lijkt die Moeder op Haar Zoon! Hij heeft ons zooveel van Zijn bloed op aarde gelaten, terwijl Zij ons zooveel van Haar melk schonk, dat het nauwelijks te gelooven is dat één vrouw met één kind zooveel voedsel zou hebben gehad, ook al had het kindeke er niets van gedronken.—OGYGIUS: Met diezelfde bezwaren komen ze ook aandragen tegen 't Kruis van onzen Heiland, waarvan 't hout op zooveel plaatsen, particuliere en publieke, wordt getoond, dat als de brokstukken ervan bij elkander werden gebracht, men een scheepslading bijeen zou hebben. Intusschen heeft onze Heer en Heiland dat kruis toch alléén gedragen.—MENEDEMUS: Nu, komen u al die stukken van het kruis ook niet verwonderlijk voor?—OGYGIUS: Vreemd mag 't misschien genoemd worden, maar ongeloofelijk volstrekt niet, daar immers de Heer, die dit naar Zijn welbehagen kan vermeerderen, almachtig is.—MENEDEMUS: Gij legt dit nu wel op een vrome wijze uit, maar ik zou bang zijn dat veel van dergelijke verhalen worden verzonnen om er een zoet winstje mee te behalen.—OGYGIUS: Ik geloof niet dat God het zal gedoogen, wanneer men hem op die manier wil bedotten.—MENEDEMUS: Ja maar, wanneer door kerkeschenners roof gepleegd wordt, dan verroert noch de Heilige Moeder Gods, noch Haar Zoon, noch de Vader of de Heilige Geest zich ook maar in 't minst, of verschrikt 't zij door een knik, 't zij door een geluid den schuldige. Zóó groot is Hunne lankmoedigheid.—OGYGIUS: Ja, het is zoo. Maar hoor nu verder. De melk waarvan ik sprak, wordt op het hoogaltaar bewaard. Midden daarop staat een Christusbeeld met de Moeder Gods eershalve aan Zijn rechterzijde. De melk toch stelt de Moeder voor.—MENEDEMUS: Kan men dan de melk zien?—OGYGIUS: Natuurlijk, in een kristallen omhulsel.—MENEDEMUS: Dus vloeibaar.—OGYGIUS: Wat wou je nu praten van vloeibaar, terwijl de melk meer dan vijftienhonderd jaren geleden uit de borst gekomen is. Neen, de melk is samengeronnen: men zou haast zeggen fijn gewreven krijt met wit van een ei vermengd.—MENEDEMUS: Waarom toont men ze dan niet onbedekt?—OGYGIUS: Wel natuurlijk dat de melk van de Maagd niet bezoedeld zal worden door de kussen van mannen.—MENEDEMUS: Dat laat zich hooren. Want er zijn, dunkt me, mannen, die er een niet reinen en niet maagdelijken mond zouden aanzetten.—OGYGIUS: Zoodra de kerkegids ons in 't oog kreeg liep hij op ons toe, schoot een linnen gewaad aan, voegde er een priesterlijke stool over zijn schouders aan toe, knielde eerbiedig neer en lag in aanbidding. Daarna reikte hij ons de Heilige Melk toe om die te kussen. Toen knielden ook wij op de onderste trap van het altaar eerbiedig neer. Na eerst Christus gegroet te hebben, sprak ik tot de Heilige Maagd het volgend gebed uit dat ik juist hiervoor had opgesteld: "Moedermaagd, Gij die waardig gekeurd zijt met Uwe maagdelijke borsten den Heer van Hemel en aarde, Uwen Zoon Jezus te laven, wij spreken de bede uit dat wij, door Zijn bloed gereinigd, mogen toenemen in braafheid en dat wij mogen bereiken die gelukkige jeugd van duivenonschuld welke, onbekend met slechtheid, bedrog en list, bij voortduring dorst naar de melk van de wetenschap van het Evangelie, totdat die kindsche staat opgegroeid zij tot volmaakten mannelijken leeftijd, naar de mate van de volheid van Christus, wiens zalige gemeenschap gij ten eeuwigen dage moogt genieten met den Vader en den Heiligen Geest. Amen!"—MENEDEMUS: Nu, dat is een vroom gebed. En wat deed de Heilige Maagd?—OGYGIUS: Wel 't scheen me toe dat Zij beiden, Zij en Haar Zoon, mij toeknikten, als ik me ten minste niet heelemaal vergis. Ik verbeeldde mij dat die Heilige Melk een weinig opsprong en 't scheen mij toe alsof de avondmaalskelk wat glanzender blonk dan te voren. Intusschen kwam de tempelgids weer op ons af, wel zonder een woord te zeggen, maar terwijl hij ons een bordje voorhield, zooals bij ons de menschen dat hebben, die bruggetolgeld innen.—MENEDEMUS: Ja 'k heb wat dikwijls die bedelbordjes verwenscht, toen ik in Duitschland reisde.—OGYGIUS: We gaven eenige muntstukken, die hij de Heilige Maagd aanbood. Hierop liet ik hem door bemiddeling van een jongen man, die de taal goed verstond en die heel aardig praten kon (ik geloof dat hij Robert Aldrisius heette) zoo beleefd mogelijk vragen, welke bewijzen hij er voor had, dat dit werkelijk melk van de Heilige Maagd was. Ik was uit echt vrome belangstelling nieuwsgierig dit te weten, om enkele ongeloovigen, die gewoonlijk met al dergelijke dingen den spot drijven, den mond te kunnen snoeren. Eerst fronsde de kerkegids zijn voorhoofd en zweeg stil. Ik liet mijn tolk nader aandringen, en hij deed dit dan ook heel vriendelijk: en wel zóó, dat als hij de Heilige, pas bevallen van Haar kindje, zóó had aangesproken, Zij hem dit niet kwalijk zou hebben genomen. Maar de kerkegids, als door een hoogere macht bezield, keek ons met verschrikte oogen aan, alsof hij met een gevoel van afschuw onze godslasterlijke taal vervloekte. "Wat behoeft ge daarnaar te vragen," zei hij, "daar er toch een authentiek stuk van aanwezig is?" En 't had er heel veel van dat hij ons als ketters wilde wegjagen, iets wat zeker gebeurd zou zijn, als we hem niet door 't geven van wat geld een beetje zachter hadden gestemd.—MENEDEMUS: En wat deedt jelui intusschen?—OGYGIUS: Wij? Ja, dat kun je denken! Wij dropen af alsof we een pak slaag gekregen hadden of door den bliksem getroffen waren, terwijl we onderdanig om vergiffenis vroegen voor onze drieste vraag. Zoo behoort 't in zaken die 't heilige raken. Van daar gingen we nu naar 't kapelletje, de eigenlijke verblijfplaats van de Heilige Maagd. Toen we daarheen stapten, vertoonde zich een monnik van de orde der Minderbroeders. Vorschend keek hij mij aan. Even daarna een tweede, die mij óók weer van hoofd tot voeten opnam. Daarna nog een derde.—MENEDEMUS: Ze wilden misschien je portret maken.—OGYGIUS: Nu, ik had een heel ander vermoeden.—MENEDEMUS: Wat dan?—OGYGIUS: Dat de een of andere tempelroover iets uit 't kostbare kapelletje van de Heilige Maagd gestolen had en dat 't vermoeden op mij gevallen was. Toen ik dus de kapel was binnengetreden stortte ik het volgend gebed uit voor de Heilige Moeder Gods: "O Gij, de Eénige onder alle vrouwen die moeder zijt en maagd, zaligste Moeder, reinste Maagd: wij, onrein en bezoedeld komen tot U, Reine, met onzen groet, om U, hoe we dan ook mogen zijn, met onze geschenken te eeren. Moge Uw Zoon ons de genade verleenen dat wij, Uwen vlekkeloozen wandel navolgende, ons waardig maken, dat ook wij, door de gunst van den Heiligen Geest op een geestelijke wijze, Jezus ontvangen in ons binnenste binnenste en wanneer wij hem éénmaal hebben opgenomen, hem nimmer weer verliezen. Amen!" Terwijl ik het altaar kuste, legde ik wat geld neer en verwijderde mij.—MENEDEMUS: En wat deed daarop de Heilige Maagd? Gaf ze door geen enkelen wenk te kennen dat ze uw gebed verhoord had?—OGYGIUS: Het was er, zooals ik je al zei, slechts twijfelachtig licht en Zij stond daar in 't duister aan de rechterzijde van het altaar. Ook hadden mij de woorden van den vorigen kerkegids zóó uit 't veld geslagen dat ik mijn oogen eigenlijk niet vrij durfde opslaan.—MENEDEMUS: De afloop van dien tocht was dus niet zoo héél vroolijk?—OGYGIUS: Integendeel, allerprettigst.—MENEDEMUS: Je geeft mij weer moed. Want mijn moed was me in de schoenen gezonken, zooals uw dichter Homerus dat zegt.[1] Na iets genuttigd te hebben gaan we weer naar de kerk.—MENEDEMUS: Durfde je dat, jij die van tempelroof verdacht waart?—OGYGIUS: Misschien dachten anderen dat van mij; maar ik wist mij zelf onschuldig. Iemand die zich van geen kwaad bewust is, kent geen vrees. Ik voelde me sterk aangetrokken tot de oorkonde, waarnaar de bewaarder ons verwezen had. Na lang zoeken vonden we die eindelijk: maar zij was ergens in de hoogte opgehangen, zoodat ze maar niet door een ieders oogen kon worden gelezen. Mijn oogen zijn zóó dat 't wel geen oogen zijn als van een lynx, maar dat ik toch ook niet kippig ben. Toen dus Aldrisius ons het stuk voorlas, volgde ik de woorden met mijn oogen, daar ik hem in zoo'n gewichtige zaak niet in allen deele vertrouwde.—MENEDEMUS: En is alle twijfel bij je weggenomen?—OGYGIUS: Ja, ik schaamde me over mijzelven, dat ik ook maar één oogenblik had kunnen twijfelen, zóó duidelijk werd hier alles voor oogen gesteld: de naam, de plaats, de gebeurtenis, precies zooals 't geschied was, in korte woorden en toch zonder iets over te slaan. Er wordt n.l. verteld dat er een man was, met name Willem, te Parijs geboren, een man vroom ook in andere opzichten, als wel voornamelijk vol godsdienstijver in 't opsporen van heilige relikwieën over de heele wereld. Na veel streken doorreisd te hebben, na overal kloosters en kerken te hebben doorsnuffeld, kwam hij ook eindelijk te Constantinopel aan. Een broer van gezegden Willem was daar Bisschop. Toen hij zich al gereed maakte voor zijn vertrek, wees zijn broer er hem op dat daar een non was die melk van de Moedermaagd bezat; dat hij overgelukkig zou zijn wanneer hij voor geld of goede woorden of zelfs op slinksche manier een deel van die melk machtig kon worden. Want dat alle andere relikwieën die hij tot nog toe verzameld had, niets beteekenden in vergelijking met die heilige melk. Willem rustte toen niet vóór hij door bidden en smeeken de helft van die melk had gekregen. In het bezit van dien kostbaren schat rekende hij zich rijker dan Croesus.—MENEDEMUS: Nou, dat wil ik gelooven en dat nog wel boven verwachting.—OGYGIUS: Regelrecht reist hij naar huis. Onderweg wordt hij ziek.—MENEDEMUS: Hoe kortstondig is toch 't geluk van de menschen en hoe weinig is men in alle opzichten voorspoedig!—OGYGIUS: Toen hij begreep dat hij in levensgevaar verkeerde liet hij heimelijk den Franschman bij zich komen, die hem trouw op zijn reis had vergezeld. Onder eede liet hij zich geheimhouding beloven. Hij vertrouwt hem de melk toe op voorwaarde dat hij den schat, als hij ongedeerd naar huis terug keert, op 't altaar van de Heilige Maagd zal neerleggen, die te Parijs in de heerlijke kerk wordt aangebeden, waar de Seine aan twee kanten omheen stroomt. Het is alsof de rivier uit eerbied voor de Heilige Maagd uit den weg gaat. Om de zaak nu in 't kort samen te vatten: Willem sterft en wordt begraven, de ander reist verder en wordt óók ziek. Toen ook hij geen hoop meer had op beterschap vertrouwt hij aan een Engelschen graaf de melk toe, terwijl ook hij hèm onder heilige eeden laat beloven, dat deze zal doen wat hij anders zou gedaan hebben. De Franschman komt te overlijden. De Engelsche graaf neemt de melk mee en deponeert die op 't altaar in de Notre Dame in tegenwoordigheid van de Kanunniken dáár, die toen nog Regulieren heetten, zooals ze dit nòg zijn van de kerk der Heilige Genoveva.[2] Van die Kanunniken kreeg hij de helft der melk ten geschenke. Hij bracht ze naar Engeland over en wijdde ze aan de kerk van de Maagd aan Zee waarheen hij door een goddelijke bestiering werd gedreven.—MENEDEMUS: Dat verhaal staat zeker goed op pooten.—OGYGIUS: En opdat er geen twijfel zou kunnen overblijven waren de namen van de stemgerechtigde Bisschoppen er bij geschreven, die aan de bezoekers van de melk, welke met een niet al te klein geschenk komen, zóóveel aflaat van zonden schenken, als ze naar het hun[3] verleende vermogen kunnen geven.—MENEDEMUS: En hoeveel bedraagt die?—OGYGIUS: Die aflaat duurt veertig dagen.—MENEDEMUS: Telt men dan in de onderwereld ook bij dagen? OGYGIUS: Daar is ten minste ook een tijdrekening. Maar als die bisschoppen nu eenmaal 't hun geschonken aflaat-vermogen hebben weggegeven, hebben ze dan niets meer over om weg te schenken?—OGYGIUS: Ja, zeker wel! Daar borrelt nog wel weer wat zoo wat van onderen op om weg te schenken en hier gebeurt zoo precies 't tegenovergestelde van 't geen er met 't vat der Danaïden geschiedde. Terwijl dat telkens gevuld werd, liep 't altijd maar leeg; uit dit vat daarentegen kan men voortdurend putten, zonder dat er daarom iets minder in overblijft.—MENEDEMUS: Als nu eens bijv. aan honderdduizend menschen veertig dagen aflaat wordt gegeven, heeft dan ieder afzonderlijk veertig dagen voor zich?—OGYGIUS: Ja.—MENEDEMUS: En zoo nu enkelen vóór het middageten om veertig dagen gevraagd hebben en ze komen tegen het avondeten nog eens weer om veertig, zijn er dan altijd maar weer voorhanden om ze hun te geven?—OGYGIUS: Ja zeker, ook al vroegen ze tienmaal in hetzelfde uur.—MENEDEMUS: Och, had ik thuis zóó'n geldkistje; ik zou er maar enkele schellingen in wenschen, mits ze steeds maar zoo op nieuw weer opborrelden.—OGYGIUS: Waarom wensch je niet om héélemaal van goud te worden, want ten gevolge van je wensch krijg je dat toch gedaan. Maar ik keer tot mijn verhaal terug. Men voerde voor de heiligheid van de melk ook nog dit bewijs van echt vromen zin aan, dat de melk der Moedermaagd elders vertoond, wel de vereering waardig was, maar dat deze dáárom meer eer verdiende, omdat die andere melk van de rotsen was afgeschrapt, deze daarentegen zoo uit de borsten der Heilige Maagd was gevloeid.—MENEDEMUS: Hoe wist men dat zoo vast en zeker?—OGYGIUS: Wel, dat nonnetje te Constantinopel had dat gezegd, die de melk had gegeven.—MENEDEMUS: En haar had de Heilige Bernard 't zeker bericht?—OGYGIUS: Ja, dat denk ik wel.—MENEDEMUS: Toen deze al volwassen was viel hem de eer te beurt melk te mogen proeven uit dezelfde borst waaraan 't Kindeke Jezus gezoogd was. Daarom verwondert 't mij dat men Hem niet liever "zoo zoetvloeiend als melk" dan met zijn gewonen bijnaam "zoet als honig" noemt. Maar hoe kan men bij die andere melk spreken van melk van de Heilige Maagd, als ze niet uit Haar borsten gevloeid is?—OGYGIUS: Die melk is óók wel uit Haar borst gekomen, maar op een rots, waarop zij toevallig zat toen ze 't Kindje de borst gaf, gevallen en gestold. Verder is die melk door een goddelijke bestiering zoo vermeerderd.—MENEDEMUS: Zoo zal 't wezen. Ga door!—OGYGIUS: Terwijl wij ons hierna tot de reis gereed maken en nog zoowat heen en weer drentelen en rondkijken of er ook nog iets is, de moeite waard om bezien te worden, staan daar de kerkegidsen weer vóór ons, zien ons van ter zijde aan, wijzen met de vingers naar ons, komen aanloopen, gaan weer heen, komen weer terug, wenken en 't scheen wel of ze ons wilden aanspreken als ze maar durf genoeg hadden.—MENEDEMUS: En was je toen niet bang?—OGYGIUS: Wel neen, ik draaide mijn gelaat juist naar hen toe, hen toelachend en hen aankijkend alsof ik hen wilde uitlokken om mij aan te spreken. Eén van hen slechts komt naar mij toe en vraagt hoe ik heet. Ik zeg mijn naam. "Of ik het was die een paar jaar geleden dat votief-tafeltje had opgehangen met een Hebreeuwsch opschrift." Ik zei van ja.—MENEDEMUS: Kun-je dan Hebreeuwsch schrijven?—OGYGIUS: Wel neen, maar wat zij niet begrijpen, dat noemen die kerels Hebreeuwsch. Door den een of ander gehaald (zoo vermoed ik) komt de Eerst-laatste van 't klooster aanloopen.[4]—MENEDEMUS: Wat is dàt voor een waardigheid? Hebben ze daar dan geen abt?—OGYGIUS: Neen.—MENEDEMUS: Hoe dat zoo?—OGYGIUS: Omdat ze geen Hebreeuwsch verstaan, waaruit abt is afgeleid.—MENEDEMUS: En geen bisschop ook?—OGYGIUS: Ook al niet.—MENEDEMUS: Waarom dat?—OGYGIUS: Omdat de Heilige Maagd daar te arm is om een bisschopsstaf en een mijter te koopen, die veel te duur zijn.—MENEDEMUS: Ook misschien geen Hoofd?—OGYGIUS: Ook dàt niet.—MENEDEMUS: Welk beletsel is daartegen?—OGYGIUS: Omdat Hoofd een titel is voor een waardigheid, niet een titel van vroomheid. Om die reden verwerpen ook de kapittels der Kanunniken den titel van abt, maar nemen ze dien van Eerst-laatste graag aan.—MENEDEMUS: Maar ik had toch dien naam van Prior (in dien zin) nooit te voren gehoord.—OGYGIUS: Ja, maar je bent op 't gebied van de grammatica ook tamelijk slecht thuis.—MENEDEMUS: Nu ja in 't taalgebruik ken ik wel een figuur "eerst-laatst" geheeten.[5]—OGYGIUS: Precies. Hij die hier 't naast is na den Prior van 't klooster, is de Prior die volgt.—MENEDEMUS: Ge bedoelt dus eigenlijk den Onder-prior?—OGYGIUS: Deze groette mij nog al beleefd. Hij vertelt mij hoeveel moeite 't den monniken gekost had, die regels van mij te lezen: hoeveel brillen er vergeefs op waren afgeveegd. Zoo dikwijls de een of andere oude doctor in de godgeleerdheid of in de rechten bij hen was gekomen, was hij vóór de votieftafel gebracht: de een zei dat 't arabische letters waren, de ander verklaarde: "'t zijn maar verzonnen letters." Eindelijk was er een gevonden die het opschrift had kunnen lezen. Dit was geschreven met latijnsche woorden en latijnsche letters; maar ... met hoofdletters. De Grieksche verzen waren met Grieksche hoofdletters geschreven die op het eerste gezicht op latijnsche hoofdletters gelijken. Op zijn verzoek schreef ik den zin van de versregels in 't Latijn er onder, ze woord voor woord vertalend. Ik weigerde nadrukkelijk voor deze geringe moeite een cadeautje aan te nemen dat men mij aanbood, terwijl ik verzekerde dat mij nooit iets te bezwaarlijk zou zijn, dat ik niet ter wille van de allerheiligste Moeder Gods met bereidwilligheid zou doen, ja al gaf Ze mij ook een brief van hier naar Jeruzalem te brengen.—MENEDEMUS: Och kom! waarvoor zou Zij u als brievenbesteller noodig hebben, daar Zij immers zooveel engelen als lijfbedienden tot Haar dienst heeft?—OGYGIUS: Hij haalde uit zijn tasch een stukje hout voor den dag, afgezaagd van een balk waarop men de Heilige Maagd had zien staan. Een verwonderlijk sterke lucht duidde onmiddellijk aan dat 't iets bijzonder heiligs was. Ik boog mij diep neer en kuste met den grootsten eerbied met ontbloot hoofd het kostelijk geschenk dat ik in mijn tasch stak.—MENEDEMUS: Mag ik het eens zien?—OGYGIUS: Wat mij betreft, graag. Maar als je niet nuchter bent, of als je in den afgeloopen nacht intiem met je vrouw geweest bent, dan zou ik je niet raden om 't te bekijken.—MENEDEMUS: Laat maar zien, er is geen gevaar.—OGYGIUS: Nu, daar dan.—MENEDEMUS: Wat ben jij een geluksvogel met zóó'n geschenk!—OGYGIUS: Ja, Menedemus, ik wil 't je wel bekennen: ik zou dat kleine stukje hout niet willen ruilen voor al het goud van den Taag. Ik zal het in goud laten vatten, maar zóó, dat men 't door een glazen deksel heen, kan zien. Toen de Onder-prior nu zag dat ik zoo van godsdienstigen eerbied voor dit geschenk vervuld was, dacht hij zeker dat ik iemand was die wel verdiende in nog gewichtiger dingen ingewijd te worden. Hij vroeg mij dus of ik soms 't meer verborgene der Heilige Maagd al gezien had. Die woorden maakten diepen indruk op mij. Ik durfde evenwel niet vragen welke verborgenheden hij bedoelde. Immers in zulke heilige zaken kan zelfs de minste verspreking al kwaad stichten. Ik zei dus van neen, maar dat ik bijzonder verlangend was het te zien. Nu werd ik als een door God bezielde, binnengeleid. Een paar waskaarsen worden aangestoken. Ze toonen me een beeldje, dat noch door grootte, noch door de stof waarvan 't gemaakt was, noch door kunstschoon iets merkwaardigs had, maar dat groote kracht scheen te bezitten door zijn heerlijke eigenschappen.—MENEDEMUS: De grootte doet er weinig toe, waar het geldt de kracht om wonderen te doen. Te Parijs heb ik den Heiligen Christoffel gezien: groot en reusachtig was hij als een bakbeest, neen als een echte berg, maar voor zoo ver ik heb kunnen vernemen heelemaal niet beroemd door wonderen die hij deed.—OGYGIUS: Aan de voeten van de Heilige Maagd ligt een edelsteen waarvoor bij Grieken en Romeinen nog geen naam bestaat. De Franschen hebben hem een naam gegeven naar 't woord "padde" omdat hij zóó precies op een pad lijkt, dat men hem met alle kunstvaardigheid niet zoo zou kunnen namaken. Om het wonder nog grooter te maken is de steen maar heel klein. De figuur van de padde steekt er niet boven uit, maar ligt als 't ware doorschijnend in den steen opgesloten.—MENEDEMUS: Misschien verbeeldt men zich wel de figuur van een padde te zien, zooals men zich wel voorstelt in een doorgeslagen keisteen den vorm van een arend te zien en zooals kinderen God weet wat voor voorstellingen in de wolken uitvinden: vuurspuwende draken, gloeiende vulkanen, strijdende legers.—OGYGIUS: Neen, neen, ik stel er prijs op dat je 't weet: geen levende pad lijkt meer op een pad dan deze die hierin is afgedrukt.—MENEDEMUS: Zeg eens, tot nog toe heb ik je verhaaltjes geduldig aangehoord, maar zoek nu in 't vervolg een ander om hem wat wijs te maken van je padden.—OGYGIUS: 't Is volstrekt geen wonder, Menedemus, dat je ongeduldig wordt. Ook ik zou 't me niet hebben laten wijsmaken, al was de heele theologische faculteit 't mij komen aanpraten, maar ik heb 't met mijn eigen oogen, mijn eigen oogen, zeg ik, gezien, bekeken, aanschouwd, als waarheid bevonden. Maar intusschen dunkt me dat je niet erg veel hart hebt voor de natuurlijke historie.—MENEDEMUS: Hoe dat zoo? Omdat ik niet wil gelooven dat ezels kunnen vliegen?—OGYGIUS: Maar zie je dan niet, hoe kunstig de natuur haar spel speelt met kleuren en allerlei gestalten en vormen, zoowel in andere substanties als voornamelijk in de edele steenen? Verder, welk een bewonderenswaardige krachten zij heeft gelegd in die steenen, haast ongeloofelijk, wanneer niet de ondervinding ze ons van nabij bevestigde? Zeg eens: zou je 't gelooven, dat 't ijzer door de magneet wordt aangetrokken, ook al wordt het nog niet eens aangeraakt en dat het ook door 't ijzer, zonder aanraking wordt afgestooten, als je 't niet met je eigen oogen hadt gezien?—MENEDEMUS: Neen nooit, al hadden ook tien Aristotelessen 't mij bezworen.—OGYGIUS: Dan moet je ook niet dadelijk voor een verzinsel uitschelden, wat je hoort en wat je nog niet bij ondervinding kent. In den dondersteen zien wij den weerschijn van den bliksem; in de Boheemsche granaat flikkeren vurige vlammen; in den zoogenaamden hagelsteen de gedaante en de hardheid van den hagelkorrel ook al werp je hem midden in het vuur. In den smaragd ziet men het diepe en doorschijnende zeewater. De kreeftsteen lijkt in kleur veel op de zeekreeft, het katteoog is precies 't oog van een poes, en zoo zijn er weer andere steenen die veel hebben van varkensoogen, van menschenoogen, van wolfsoogen in vier kleuren; sommige gelijken op hout, andere op boombladen, andere geven een erwt te zien. En zoo op onnoemlijk veel manieren. Waartoe zou ik doorgaan met de opsomming? Er is geen voorwerp in de natuur, 't zij in de elementen, 't zij onder de bezielde wezens, 't zij in de planten, dat de natuur niet spelenderwijze in de edelgesteenten heeft nagebootst. En zul-je er nu nog verwonderd over wezen dat zich in dien steen de afbeelding van een padde vertoont?—MENEDEMUS: Het komt mij alleen maar vreemd voor, dat de natuur zóóveel vrijen tijd heeft om uit de grap allerlei voorwerpen na te bootsen.—OGYGIUS: Wel, ze wilde de weetgierigheid van de menschen opwekken en ons zóó van niets-doen afhouden. En toch, alsof er niets ware waarmee wij onzen tijd konden dooden, zijn we dol verzot op hansworsten, dobbelsteenen en goochelaars.—MENEDEMUS: Je hebt groot gelijk.—OGYGIUS: Sommige goed betrouwbare menschen willen beweren dat als je op dit soort van steenen azijn giet, ze daarin gaan zwemmen en zelfs de pooten bewegen.—MENEDEMUS: En waarom brengen ze nu juist een padde bij de Heilige Maagd te pas?—OGYGIUS: Omdat Zij alle vuilheid en giftigheid, alle laatdunkendheid en hebzucht, al wat er verder aan begeerlijkheden des vleezes te vinden is, heeft overwonnen, onder den voet heeft getreden, heeft uitgedoofd.—MENEDEMUS: Wee ons! dat wij zooveel padden in ons binnenste dragen.—OGYGIUS: Rein zullen we worden, wanneer wij volijverig de Heilige Maagd eeren.—MENEDEMUS: Hoe wordt zij het liefst geëerd?—OGYGIUS: Ge zult Haar de schoonste hulde brengen, wanneer gij Haar in 't goede nastreeft.—MENEDEMUS: Ge zegt dat zoo kort en krachtig, maar het is hoogst moeilijk.—OGYGIUS: Zeker is het dat. Maar tevens is het zeer schoon.—MENEDEMUS: Kom ga nu weer verder met je verhaal.—OGYGIUS: Verder liet hij mij gouden en zilveren beeldjes zien. Van 't ééne zei hij, dat 't van massief goud was, van 't andere van verguld zilver; hij vertelde er ook bij van elk stuk het gewicht, de waarde, den naam van den schenker. Toen ik bij ieder stuk mijn bewondering toonend de Heilige Maagd om haar grooten rijkdom geluk wenschte, zei mijn geleider: "Ik zie dat gij een vroom bewonderaar zijt en daarom reken ik het mij tot plicht niets voor u verborgen te houden. Ik zal u het allergeheimste laten zien wat de Heilige Maagd bezit. En tegelijk haalde hij van binnen uit 't altaar zelf een schat van bewonderenswaardige zaken voor den dag. Als ik ze alle één voor één wilde gaan opnoemen dan zou een dag niet genoeg zijn om ze op te tellen. Zoo liep dus die bedevaart voor mij al heel gelukkig af. Ik heb naar hartelust mijn oogen kunnen verzadigen aan 't zien van allerlei moois en ik breng bovendien deze onschatbare gift mee naar huis, een pand mij door de Heilige Maagd zelve geschonken.—MENEDEMUS: Heb je nog niet eens geprobeerd hoe groot de wonderkracht is van je stuk hout?—OGYGIUS: Zeker heb ik dat. Een dag of drie geleden trof ik in een herberg een krankzinnige aan, die men reeds de boeien wilde aanleggen. Zonder dat hij 't merkte hebben we hem dit stuk hout onder zijn hoofdkussen gelegd. Hij viel in een diepen en langdurigen slaap: den volgenden morgen stond hij op, geheel genezen, geheel bij zijn verstand.—MENEDEMUS: Dan zal 't geen krankzinnigheid geweest zijn, maar een gewone roes. Voor die ziekte is slaap 't beste geneesmiddel.—OGYGIUS: Als je wilt schertsen, Menedemus, dan moet je dit over andere dingen doen. Den draak te steken met de Heiligen is goddeloos en gewaagd. 'k Zal je nog meer zeggen! De man zelf vertelde dat hem in den droom een vrouw van verwonderlijke schoonheid was verschenen die hem een beker voorhield.—MENEDEMUS: Met nieskruid zeker.—OGYGIUS: Dat weet ik niet. Maar wèl weet ik, dat de man weer geheel bij zijn zinnen was.—MENEDEMUS: Heb-je Thomas, den Aartsbisschop van Canterburry geen bezoek gebracht?—OGYGIUS: Wel zeker. Geen bedevaart deed ik met grooter nauwgezetheid.—MENEDEMUS: Nu, dat zou ik graag eens willen hooren, als 't je niet te lastig is.—OGYGIUS: Zeker niet: ik vind het juist prettig als je er naar hooren wilt. Kent is dat deel van Engeland dat tegenover Frankrijk en Vlaanderen ligt. Canterburry is er de hoofdstad van. Daar bevinden zich twee kloosters in de stad zoowat naast elkaar gelegen: in beide wonen Benedictijner monniken. 't Klooster dat naar den Heiligen Augustinus heet is 't oudste. 't Andere dat aan Sint Thomas gewijd is, schijnt de zetel van den Aartsbisschop geweest te zijn, waar hij in gezelschap van enkele monniken zijn leven sleet, zooals ook nu nog de Superieuren van 't klooster een huis hebben, wel grenzend aan 't klooster, maar toch afgescheiden van de huizen der overige Kanunniken. Oudtijds toch leidden zoowel bisschoppen als ook Kanunniken zoowat een monnikenleven. Duidelijke sporen zijn daarvan nog te zien. De kerk aan Sint Thomas gewijd, verheft zich zóó majestueus ten hemel, dat ze, ook al zien we haar maar van verre, toch al grooten indruk maakt. En ziet men ze van dichtbij, dan worden onze oogen door haar glans en luister verblind en ze verdonkert om zoo te zeggen alles, wat zich in die van oudsher zoozeer vereerde plaats bevindt. De Kerk heeft twee hooge torens, die als het ware uit de verte de vreemdelingen groeten en het prachtig gegalm van haar bronzen klokken wijd en zijd in den omtrek doen weerklinken. In het vóórportaal van de kerk, dat op 't Oosten ligt, staan in steen gehouwen, drie gewapende mannen, die met misdadige hand den allerheiligsten bisschop ombrachten. De namen van hun geslacht zijn er bij gevoegd: Tuscus, Fuscus en Berry.—MENEDEMUS: Waarom wordt aan die schurken zooveel eer bewezen?—OGYGIUS: Hun wordt natuurlijk dezelfde eer bewezen als aan Judas, Pilatus, Caiaphas en aan de bende hunner booswichten van soldaten die men overal mooi gebeeldhouwd op de vergulde altaren kan zien. Hun namen staan er bij vermeld, om te maken dat nooit iemand die namen voortaan eershalve zal dragen. Hun beelden worden hier onder de oogen van het publiek gebracht, opdat geen hoveling ooit meer de handen sla aan een bisschop of aan de bezittingen der kerk. Want die drie trawanten zijn na 't volbrengen van het schelmstuk krankzinnig geworden en ze hebben hun verstand slechts teruggekregen op voorbede van Sint Thomas.—MENEDEMUS: Wat zijn die martelaren toch oneindig in hun goedmoedigheid!—OGYGIUS: Bij 't binnentreden vertoont zich de ruimte van de kerk in al haar machtige werking. Dat voorste deel is toegankelijk voor iedereen.—MENEDEMUS: Is daar niets te zien?—OGYGIUS: Niets dan den omvang van den bouw en enkele boeken die aan de kolommen vastliggen met het Evangelie van Nicodemus en verder 't graf van den een of ander.—MENEDEMUS: En wat verder?—OGYGIUS: Dan heeft men er een ijzeren hekwerk dat wel den toegang afsluit, maar toch den doorkijk toelaat op de ruimte, welke tusschen 't achterste gedeelte van de kerk en 't zoogenaamde koor ligt. Daarheen klimt men langs verscheidene treden op, onder welke een soort van koepelgewelf den toegang geeft tot den noordelijken vleugel van de kerk. Men toont er een houten altaar aan de Heilige Maagd gewijd, klein en om geen andere reden bezienswaardig dan om zijn ouderdom—als een protest tegen de weelde van dezen tijd. Dáár (zegt men) heeft de vrome man zijn afscheidsgroet aan de Heilige Maagd gebracht, toen de dood hem zou treffen. Op 't altaar bevindt zich de punt van het zwaard waarmee de schedel van den braven kerkvoogd is verbrijzeld en zijn hersens zijn verpletterd, om den dood des te meer te bespoedigen. De heilige roestplekken op dit staal hebben we uit liefde voor den Martelaar eerbiedig gekust. Van daar betraden wij de onderaardsche kerk of krypt. Ook dáár vindt men weer geleiders: men ziet er in de allereerste plaats den gekloofden schedel van den Martelaar. De geheele schedel is bedekt met zilver, uitgezonderd 't bovenste deel van de kruin, die opengelaten is, om ze te kunnen kussen. Tevens toont men er een looden plaatje, waarop de naam is gegraveerd van Thomas uit Acra. In 't duister hangen daar de haren hemden, de gordels en de onderkleeren waarmee de Bisschop zijn lichaam kwelde en kastijdde en bij wier aanschouwen men reeds een rilling voelt opkomen, terwijl ze ons onze tegenwoordige verwijfdheid en weelde verwijten.—MENEDEMUS: Misschien mogen de monniken dat óók wel doen.—OGYGIUS: Dat waag ik niet te beslissen: 't gaat mij trouwens ook niet aan.—MENEDEMUS: Je hebt gelijk.—OGYGIUS: Van daar keerden wij terug naar 't koor. Aan den noordkant heeft men de relikwieën opgeborgen. Hemel! Wat een gebeente wordt dáár voor den dag gebracht! Schedels, kinnebakken, tanden, handen, vingers, heele armen. Aan allen brachten wij onze eerbiedige hulde en kusten ze. Er zou geen eind aan gekomen zijn, wanneer niet mijn reisgezel die voor zoo'n pelgrimstocht een weinig geschikt personage was, een spaak in 't wiel had gestoken bij dien overgrooten ijver om met relikwieën te pronken.—MENEDEMUS: Wie was dat?—OGYGIUS: Een Engelschman, Grafianus Pullus, een ontwikkeld en vroom man, maar op 't punt van godsdienst wat minder gevoelig dan ik wel zou gewild hebben.—MENEDEMUS: Misschien wel een aanhanger van John Wicleff?—OGYGIUS: Neen, dat geloof ik niet. Hij had diens boeken wel gelezen, maar waarvandaan hij die had, weet ik niet.—MENEDEMUS: En beleedigde hij jelui geleider?—OGYGIUS: Er werd een arm voor den dag gehaald waaraan nog een stuk bloedig vleesch zat. Hij toonde zijn afgrijzen om dien arm te kussen en op zijn gezicht was duidelijk afkeer te lezen. De geleider bergde dan ook zijn zaakjes spoedig op. Verder bezagen wij 't altaarblad en de sieraden en alles wat onder het altaar werd bewaard, alles even prachtig. Als je die macht van goud en zilver hadt gezien, dan zou je zeggen dat Midas en Croesus daarbij vergeleken bedelaars waren.—MENEDEMUS: Viel daar niets te kussen?—OGYGIUS: Neen, maar een ander soort van godsdienstige verzuchting uitte ik daar: n.l. dat ik bij mij thuis geen enkele van dergelijke relikwieën bezat.—MENEDEMUS: Een goddelooze verzuchting.—OGYGIUS: Ik moet bekennen dat je gelijk hebt en ik heb dan ook God om vergiffenis gevraagd vóór ik mijn voeten uit de kerk gelicht had. Daarna kwamen we in de sacristij. Goede God! wat een pracht van zijden kleeren, wat een kostbare gouden luchters! Daar zagen we ook den bisschopsstaf van den Heiligen Thomas. Het leek wel een riet met zilveren plaatjes beslagen: hij was heel licht, er was in 't geheel geen kunst aan te zien, hij kwam mij niet hooger dan tot aan den gordelriem.—MENEDEMUS: Was er geen kruis bij?—OGYGIUS: Ik heb er ten minste geen kruis aan gezien. Wel werd ons een mantel van hem getoond, geheel van zijde, maar grof van draad, zonder eenig versiersel van goud of kostbare steenen. Ze lieten er ook een zakdoek zien met nog duidelijk zichtbare sporen van het zweet aan den hals afgeveegd, zelfs met bloeddruppels er bij. Die herinneringen aan ouden eenvoud kusten wij van harte gaarne.—MENEDEMUS: Wordt dat alles niet aan ieder die 't maar zien wil, getoond?—OGYGIUS: Neen, waarachtig niet, waarde heer!—MENEDEMUS: Hoe kwam 't dan dat men in u zóóveel vertrouwen stelde, dat men voor u niets geheim hield?—OGYGIUS: Wel, ik had kennis aan den eerwaarden vader, den Aartsbisschop Willem Warham. Deze had mij met een enkel woord aanbevolen.—MENEDEMUS: Van verscheidene personen heb ik gehoord dat hij een man is van buitengemeene wellevendheid.—OGYGIUS: Zeg liever dat hij de beleefdheid in eigen persoon is, als je hem goed kent. Hij is zóó geleerd, zóó eenvoudig van karakter, zóó echt vroom van levenswandel, dat hij al de eigenschappen bezit van een waar kerkvorst. Door hem nu werden we naar 't hooger gelegen deel van de kerk gebracht. Want achter het altaar klimt men weer als tot een tweede kerk op. Daar wordt in een kapelletje 't geheele gelaat van den Heiligen Thomas, verguld en met veel steenen versierd, getoond. Maar een onverwacht toeval vergalde bijkans al ons genoegen.—MENEDEMUS: Ik ben nieuwsgierig te hooren wat voor een ongeluk je ons vertellen zult.—OGYGIUS: Mijn reismakker Gratianus werd er niet heel vriendelijk om aangezien en aangesproken. Na een kort gebed vroeg hij den kerkedienaar die er bij zat: "Och, eerwaarde vader, is 't waar wat ik hoor, dat de Heilige Thomas bij zijn leven zoo hoogst weldadig was jegens de armen?" "Ja zeker is dat waar," antwoordde de man en hij begon veel van die weldaden te vertellen jegens de menschen die 't niet ruim hadden. Toen zei Gratianus: "Ik denk niet dat die gezindheid bij hem veranderd is, of 't moest zijn, nog meer ten goede." De kerkedienaar stemde dat gaarne toe. Mijn vriend zei daarop: "Wanneer dan de heilige man zoo vrijgevig was tegenover behoeftigen toen hij nog arm was en zelf ondersteuning in geld noodig had voor de nooddruft van zijn lichaam, denkt ge dan niet dat het zijn goedkeuring zeker zou wegdragen, wanneer, nu hij zoo rijk is en niets meer noodig heeft, een arm vrouwtje met een troep hongerige kinderen thuis, of meisjes die uit armoede gevaar loopen haar kuischheid te verliezen, of een man die ziek neerligt van alle hulp verstoken; wanneer, zeg ik, zoo iemand, na den Heilige om vergiffenis gevraagd te hebben, van dien grooten rijkdom een enkel stukje wegnam om haar gezin te helpen en dit beschouwde als iets wat ze van iemand kreeg, die 't haar ten geschenke of te leen aanbood?" Toen de bewaker van 't gouden hoofd daar niets op antwoordde, zei Gratianus, die een beetje heftig en driftig is uitgevallen: "Ik ben er in mijn ziel van overtuigd dat de Heilige man zich zelfs zou verheugen dat hij ook na zijn dood nog de bezwaren der armen kon verlichten." Toen fronste de bewaker 't voorhoofd, stak zijn lippen minachtend vooruit en keek ons met flikkerende en boosaardige oogen aan. Ik twijfel er geen oogenblik aan of hij zou ons in 't gezicht hebben gespogen en onder een vloed van scheldwoorden uit de kerk gejaagd hebben, als hij niet geweten had dat we een aanbeveling van den aartsbisschop hadden. Ik trachtte zoo goed ik kon met vriendelijke woorden den toorn van den man tot bedaren te brengen. Ik zei dat mijn vriend Gratianus het niet zoo meende, maar dat hij zoo'n beetje gekscherenderwijze gesproken had, zooals hij dat wel meer deed. Tegelijk legde ik een paar schellingen neer, als een pleister op de wonde.—MENEDEMUS: Ik kan geen woorden genoeg vinden om je godsvrucht te prijzen. Maar als ik er zoo nu en dan eens ernstig over nadenk, dan vraag ik mij wel eens af, hoe de menschen 't met hun geweten kunnen overeenbrengen, wanneer ze zooveel schatten zoekbrengen met 't bouwen van kerken, met 't bovenmatig versieren en verrijken er van. Ik wil graag toegeven dat de kerk in haar plechtgewaden en haar vaatwerk bij den heiligen dienst een passende waardigheid moet ten toon spreiden. Ook moet het kerkgebouw een passende statigheid bezitten. Maar waarvoor zijn zooveel doopvonten, zooveel luchters, zooveel gouden beelden noodig? Waartoe die buitensporige kosten aan die zoogenaamde orgels? En dan zijn we daarmee nog niet eens tevreden. Waarom al dat muziek-getjingel dat met groote kosten moet betaald worden, terwijl intusschen onze broeders en zusters, die allen de levende kerk van Christus uitmaken, van honger en dorst verkwijnen?—OGYGIUS: Ieder vroom en verstandig mensch zal daaraan gaarne paal en perk gesteld zien. Maar omdat dit euvel voortvloeit uit een soort van vroomheid die geen maat kent, zou 't eenige aanmoediging verdienen, vooral wanneer men bedenkt dat er tegenwoordig sommige menschen zijn, die geheel tegenovergesteld van zin, de kerken van al haar schatten willen berooven. Die kostbaarheden worden doorgaans gegeven door machtige heeren en vorsten en dat is toch beter dan dat ze in spel of oorlog worden verkwist. En als men iets daarvan vervreemdt, dan wordt dit in de eerste plaats als heiligschennis beschouwd; verder openen zij die gewoon waren te geven, niet zoo licht meer de milde hand en worden bovendien gelokt om zelf ook te gaan rooven. Ten slotte zie ik liever een kerk die weelderig versierd is met rijke benoodigdheden voor den heiligen dienst, dan, zooals er sommige zijn, naakt en slordig, die meer hebben van paardenstallen dan van kerken.—MENEDEMUS: Ja, maar we hebben toch wel eens gelezen dat oudtijds bisschoppen hoog geprezen werden, die heilig vaatwerk overal heen verkochten, om met 't geld daarvoor verkregen de armen tegemoet te komen.—OGYGIUS: Men prijst die menschen tegenwoordig nòg. Maar navolgen: dat mag men niet en mij dunkt, dat wil men ook niet.—MENEDEMUS: Maar kom aan: ik houd u maar op in uw verhaal. Ik zie verlangend uit naar 't slotbedrijf van uw avontuur.—OGYGIUS: Luister maar: ik zal 't in enkele woorden afmaken. Terwijl onze woordenwisseling daar plaats greep kwam het hoofd van die kerkegidsen bij ons.—MENEDEMUS: Wie is dat? De abt van het gesticht?—OGYGIUS: Hij draagt een mijter en heeft de inkomsten van een abt. Alleen draagt hij niet den naam: hij wordt Prior genoemd, omdat de Aartsbisschop zelf als Abt fungeert. Vroeger was iedere Aartsbisschop van die streek tevens ook monnik.—MENEDEMUS: Voor mijn part mogen ze mij "kameel" noemen, als ik een inkomen krijg als dat van een abt.—OGYGIUS: 't Leek mij een vroom en tevens schrander man te zijn en vrij goed op de hoogte van de theologie van Scotus.[6] Hij maakte voor ons een doos open waarin men zegt dat de rest van 't gebeente van den Heiligen Thomas wordt bewaard.—MENEDEMUS: Kon je 't zien?—OGYGIUS: Neen, dat mag niet en 't zou ook alleen maar kunnen met behulp van ladders. Maar de houten doos bevat weer een gouden kistje en toen dit met touwen naar boven was getrokken liet hij ons onschatbare dingen zien.—MENEDEMUS: Wat zeg-je?—OGYGIUS: 't Minste van alles was nog maar 't goud. Alles flonkerde van zeldzame en bijzonder groote steenen; alles schitterde en glinsterde. Sommige steenen waren grooter dan ganzeneieren. In diepen eerbied stonden daar eenige monniken omheen; toen het deksel er afgenomen werd stonden wij allen in biddende houding. Met een witten staf wees de Prior ons de edelgesteenten elk afzonderlijk aan, terwijl hij er den naam in 't Fransch bijvoegde en tevens hoeveel de steen waard was en wie hem geschonken had. Want de voornaamste steenen waren door vorsten ten geschenke gegeven.—MENEDEMUS: Die Prior moet wel goed van memorie wezen.—OGYGIUS: Dat moet hij. Maar, oefening doet er ook veel toe! Hij heeft dat zoo vaak bij de hand gehad. Van hier brengt hij ons weer in een ander gewelf. Daar heeft de Heilige Moeder Gods haar verblijf. Maar 't is er een beetje donker en ze is door een paar traliehekken afgesloten.—MENEDEMUS: Waarvoor is ze bang?—OGYGIUS: Ik denk alleen maar voor dieven. Nooit zag ik ergens meer rijkdom opeengestapeld.—MENEDEMUS: Wat je me daar vertelt is met recht een blinde rijkdom.—OGYGIUS: Er werden lantaarns bijgehouden en toen zagen we een meer dan koninklijk schouwspel.—MENEDEMUS: Is de Heilige Maagd hier dan nòg rijker dan Die aan de zee?—OGYGIUS: Voor zoo ver het uiterlijk aangaat overtreft deze de andere verre: 't verborgene kent Zij zelf 't best. Dit wordt alleen maar aan groote heeren getoond en aan bevoorrechte vrienden. Eindelijk komen we weer in de sacristij terug. Daar ontdoen ze een kistje, met zwart leer bedekt van 't omhulsel en zetten 't op tafel neer. 't Gaat open en we buigen ons neer op onze knieën.—MENEDEMUS: Wat was er in?—OGYGIUS: Gescheurde linnen lappen, waarvan de meesten nog sporen van snot en slijm droegen. Met die doeken wischte zich, naar men zeide, de vrome man 't zweet van zijn gezicht en zijn hals; daarin snoot hij zijn neus of dergelijke vuiligheden meer, waarvan 't menschelijk lichaam niet vrij is. Mijn goede vriend Gratianus oogstte daar ook al weer niet den allerbesten dank in. Hem bood de Prior, als Engelschman, als bekende en als man van veel invloed, welwillend een der doeken ten geschenke aan, denkend dat hij hem een hoogst welkom cadeau aanbood. Maar Gratianus toonde zich hiervoor alles behalve dankbaar, vatte den doek met zijn vingers aan met een tamelijk minachtend gebaar, en legde hem weinig eerbiedig weer neer, terwijl hij de lippen vooruit stak als wilde hij gaan fluiten. Dat was zoo zijn gewoonte, als hem iets overkwam, waarover hij zijn minachting meende te moeten uiten. Ik schaamde mij dood en hield mijn hart vast hoe dit zou afloopen. De Prior deed alsof hij niets merkte van 't geen gebeurd was, nam beleefd afscheid en liet ons vertrekken, na ons eerst een glas wijn te hebben geschonken. Toen we naar Londen terugkeerden....—MENEDEMUS: Waartoe was dat noodig, daar je nu niet ver van je vaderlandsche kust af waart?—OGYGIUS: 't Is zoo. Maar ik wilde liefst die slecht ter naam en faam bekend staande kust vermijden, slecht befaamd om de rooverijen en knevelarijen, erger dan die bij kaap Malea in de Oudheid tegenover schipbreukelingen werden gepleegd. Ik zal je eens vertellen wat ik bij mijn laatsten overtocht van Frankrijk naar Engeland heb gezien. We voeren, verscheidene reizigers in getal, van de kust bij Calais in een sloep naar ons schip, dat op de ree lag. Onder de medereizigers bevond zich ook een jong Franschman, arm en berooid in zijn plunje. Ze vroegen hem een halven frank veergeld. Zóóveel zetten ze iemand af voor dat kleine eindje overvaren. Hij verontschuldigde zich dat hij arm was. Als in scherts gingen ze hem onderzoeken en toen ze zelfs tot zijn schoenen toe hadden uitgetrokken, vonden ze tusschen een paar dubbele zolen tien of twaalf franken. Die ontnamen ze hem zonder complimenten, lachend, terwijl ze hem nog met schimpwoorden een schavuit van een Franschman noemden.—MENEDEMUS: En hoe hield zich de jonge man?—OGYGIUS: Hoe zou hij zich houden? De tranen stonden hem in de oogen.—MENEDEMUS: Maar hadden zij het recht om zoo te handelen?—OGYGIUS: 't Zelfde recht waarmee die bandieten de bagage van reizigers rooven, waarmee ze aan dezen de beurs afnemen als zij hun kans schoon zien.—MENEDEMUS: 't Is toch verwonderlijk dat zij zulk een boevenstreek durven uitrichten in tegenwoordigheid van zooveel getuigen.—OGYGIUS: Ze zijn er zóó aan gewend dat ze werkelijk meenen dat 't hun recht is. Een aantal passagiers uit 't groote schip zag 't aan, in onze sloep bevonden zich eenige Engelsche kooplieden die vruchteloos tegenpruttelden. Alsof 't een grapje gold beroemden de schurken er zich op, dien schavuit van een Franschman zoo lekker gesnapt te hebben.—MENEDEMUS: Ik zou zulke zeeschuimers wel eens voor de grap aan de galg willen zien bungelen.—OGYGIUS: En toch krioelt 't aan de kusten aan weerskanten van dat volk. Ga nu maar eens na of de versregel van Vergilius hier niet van toepassing moet wezen: "Wat moeten wel de groote heeren kunnen doen, wanneer de gemeene dieven zoo iets durven wagen!"[7] Zoo komt 't dan ook dat ik later liever den grootsten omweg maak, dan ooit dien korteren weg weer te nemen. Daarbij komt nog dat, evenals de gang náár de onderwereld door denzelfde dichter Vergilius heel gemakkelijk werd genoemd, de terugkeer evenwel zeer moeilijk[8], zoo ook langs deze kust de toegang heel licht, het weggaan daarentegen heel bezwaarlijk is. Te Londen vertoefden juist eenige Antwerpsche kooplieden: ik besloot mij met hen aan de zee toe te vertrouwen.—MENEDEMUS: Heeft dan die streek zulke heilige varenslieden?—OGYGIUS: Nu, ik moet bekennen: evenals een aap altijd een aap blijft, zoo blijft een schipper altijd een schipper.[9] Maar wanneer je ze gaat vergelijken met dat andere geboefte, dat geleerd heeft van roof te leven, dan zijn het engelen.—MENEDEMUS: Nu, ik zal er aan denken wanneer ik soms eens lust mocht krijgen dat eiland te gaan bezoeken. Maar keer weer terug op den weg waarvan ik je heb afgebracht.—OGYGIUS: Toen wij nu naar Londen terugkeerden kwamen wij niet ver van 't door ons verlaten Canterburry in een weg die hol en tevens eng was. Bovendien liep de weg sterk af en aan weerskanten was de wal zóó steil dat men er niet uit kon. Een anderen weg nemen, kan men niet. Links van den weg stond een bedelhuisje waarin zich eenige arme oude sukkels ophielden. Een van dezen gaat naar buiten, zoodra ze merken dat er een ruiter aankomt: hij besprenkelt hem met wijwater en toont dan 't bovenstuk van een schoen waarom een metalen band zit. Hierop zit een stuk glas dat een edelsteen moet voorstellen. Dat kust men en de bedelaar krijgt een geldstuk.—MENEDEMUS: In zoo'n hollen weg zou ik liever een oude bedelaarskolonie zien, dan een troep flinke struikroovers.—OGYGIUS: Gratianus reed te paard naast mij links, 't dichtst bij den bedelaar. Hij wordt besprenkeld, hetgeen hij zoo goed en zoo kwaad als 't ging verdroeg. Toen hem nu de schoen voorgehouden werd, vroeg hij wat dat moest beteekenen. De bedelaar zei dat 't de schoen was van den Heiligen Thomas. Gratianus werd wit van boosheid en terwijl hij zich tot mij wendde zei hij: "Wat verbeeldt zich dat vee wel, dat we de oude schoenen van alle goede menschen zullen kussen? Waarom houden ze ons niet wat speeksel of eenig ander uitwerpsel van een heilig lichaam voor?" Ik had medelijden met den ouden stakkerd en ik troostte hem met een fooitje.—MENEDEMUS: Ik moet zeggen dat ik de boosheid van Gratianus wel eenigszins kan begrijpen. Als schoenen en sandalen bewaard werden als een aandenken aan de vroegere levenswijze, dan zou ik daar niets tegen hebben. Maar onbeschaamd lijkt 't mij den menschen sandalen en schoenen en ondergoed onder den neus te duwen, om dat alles te laten kussen. Als iemand dat uit eigen beweging, uit een soort van vroomheids-aandrift wil doen, nu, laat hij het doen.—OGYGIUS: 'k Wil niet ontkennen dat 't beter was het niet te doen: maar aan al wat zich niet zoo onmiddellijk laat veranderen pleeg ik de goede zijde op te merken, als die er ten minste is. Zoo maakte ik nu bij mij zelven de opmerking, dat een goed mensch veel heeft van een schaap, een slecht mensch van een schadelijk dier. Als een adder bijv. dood is, kan hij wel niet meer bijten, maar hij kan door den stank en den zwadder den omtrek nog wel verpesten. Zoolang een schaap leeft, geeft het ons voedsel door zijn melk, kleeding door zijn wol en verrijkt het ons met de lammetjes. Na zijn dood geeft 't ons het zoo nuttige leer en dient het ons tot spijs. Zoo zijn ook hartstochtelijke menschen, die de slaven zijn van hun lusten, bij hun leven allen tot last. Na hun dood hinderen zij de levenden door het klokgelui en door al de drukte die bij hun begrafenis wordt gemaakt, dikwijls ook door de zoogenaamde inwijdingskosten, n.l. door de uitgaven voor hunne opvolgers. Goede menschen verschaffen in elk opzicht groot nut. Bijvoorbeeld nu deze Heilige Thomas: hij spoorde door voorbeeld, geleerdheid, vermaningen, allen tot vroomheid aan; hij troostte de verlatenen, hielp de behoeftigen en—na zijn dood doet hij haast nog méér nut. Hij heeft gemaakt dat deze rijke kerk gesticht is, hij heeft in geheel Engeland aan 't priesterdom een groot aanzien gegeven. Dat stukje oude schoen geeft onderhoud aan een geheele bedelaarskolonie.—MENEDEMUS: Ja, dat is nu wel een heel vrome beschouwing van de zaak, maar ik verwonder er mij over dat jij, als je er zóó over denkt, nooit de spelonk van den Heiligen Patrick[10] hebt bezocht, waarover men algemeen verbazingwekkende mirakels vertelt. Mij komen ze, onder ons gezegd, niet erg waarschijnlijk voor.—OGYGIUS: Waarschijnlijk? Er kan niets zoo wonderbaarlijk verteld worden of 't geen men werkelijk ziet, overtreft 't nog.—MENEDEMUS: Ben je dan ook al tot die spelonk doorgedrongen?—OGYGIUS: Ik heb den echten stroom van den Styx bevaren; ik ben in den muil van den Avernus afgedaald. Ik heb gezien hoe 't in de onderwereld toegaat.—MENEDEMUS: Je zult me een groot plezier doen als je daarvan 't verhaal niet voor je houdt.—OGYGIUS: Mij dunkt, de inleiding van ons gesprek is al lang genoeg. Ik ga naar huis om te zeggen dat ze mijn avondeten moeten klaarmaken: want ik heb van middag nog niet gegeten.—MENEDEMUS: Niet gegeten? Waarom niet? Uit godsdienstige bezwaren?—OGYGIUS: Volstrekt niet. Ik deed het uit haat en nijd.—MENEDEMUS: Ben je dan afgunstig op je eigen maag?—OGYGIUS: Neen, maar wèl op die inhalige herbergiers, die, niettegenstaande ze hun gasten geen fatsoenlijk maal willen voorzetten, er toch geen bezwaar in zien een onbillijke rekening in te dienen. Ik sar hen op die manier. Als ik kans heb op een lekker avondbroodje bij een goeden vriend of bij een herbergier die wat minder karig is, dan heb ik maagpijn net tegen etenstijd. Brengt 't geluk me 's middags echter ergens een lekker maal, dan krijg ik die maagpijn tegen 't avondeten.—MENEDEMUS: Maar ben je dan niet bang dat ze je aanzien voor gierig en schriel?—OGYGIUS: Menedemus, hoor eens. Die zich over zoo iets schamen, zetten hun kapitaal van schaamte op lagen interest uit. Ik voor mij heb mijn schaamte wel voor wat beters leeren bewaren.—MENEDEMUS: Nu ik brand van verlangen naar de rest van je bevindingen. Daarom inviteer ik mij zelf bij u aan tafel als gast. Daar kun je 't mij dan op je gemak vertellen.—OGYGIUS: Ik vind 't heel aardig dat je je zelven als gast aanbiedt, omdat er velen zijn die blijven bedanken, ook al worden ze nog zoo dringend uitgenoodigd. Maar je zult me nog driemaal meer plezier doen, wanneer je thuis wildet blijven soupeeren. Ik wil dezen avond in den huiselijken kring doorbrengen. Maar ik heb een plannetje dat voor ons beiden geschikter is. Laat morgen voor mij en mijn vrouw bij jou thuis een lekker maaltje klaarmaken. Dan kunnen wij tot 't avondeten toe blijven doorpraten, tot je zelf zegt dat je er genoeg van hebt en als je wilt dan zullen we ook nog bij je blijven soupeeren. Waarom krab je je hoofd? Maak jij 't maar klaar: wij beloven plechtig op tijd te komen.—MENEDEMUS: Ik zou liever hooren vertellen zonder dat 't mij wat kostte. Maar komaan! Een dinertje zal worden gegeven, doch 't zal vervelend en laf zijn als gij 't niet met goede vertellingen weet te kruiden.—OGYGIUS: Maar zeg eens. Jeukt 't je niet en tintel je niet van lust om ook zulke pelgrimstochten te gaan doen?—MENEDEMUS: Misschien krijg ik die tinteling als je uitverteld hebt. Zooals ik nu gestemd ben, heb ik genoeg aan mijn Roomsche Staties.—OGYGIUS: Hoe, Roomsche? En ge zijt nooit te Rome geweest.—MENEDEMUS: Ik zal je zeggen wat ik bedoel. Die toeren met pleisterplaatsen maak ik thuis. Eerst ga ik de huiskamer binnen en zorg ik dat mijn dochters geen kwaad kunnen aan haar kuischheid en ordelijk van gedrag zijn. Dan ga ik naar de werkplaats; ik ga na, wat de dienstboden, meiden zoowel als knechts, verrichten. Daarna ga ik naar de keuken, rondziende of er ook iets te ordonneeren valt. Verder trek ik dan hierheen, dan daarheen, terwijl ik naga hoe mijn kinderen 't maken en mijn vrouw, om te zorgen dat alles op zijn plicht past. Dat zijn mijn Roomsche Staties of bedevaarten naar Rome.—OGYGIUS: Ja, maar daar zou in uw plaats Sint Jacob wel voor zorgen.—MENEDEMUS: De Heilige Schrift schrijft mij voor dat zelf te doen. Dat ik 't aan de Heiligen mag overlaten heb ik nog nergens gelezen.

Noten

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings