Hoofdstuk XXI.
Reading edition
“Nou; en toen?” vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap en opgewondenheid.
“Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat ’k er wel ’n hoofd voor had.”
“Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al ’t andere?”
“Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat ’k er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik ’t op ’n loopen gezet, hier naar toe, met ’n zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog ’n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis.”
Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in ’n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong ’n paar maal over de canapé, liet zich toen met ’n plof buiten adem er op neervallen: “Waarachtig, Gootje, je zou ’n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig veel plezier ’t me doet. ’t Móest ook wel goed gaan; je wist ’t, je verdiende ’t.”
“Of niet ’n groot deel van de verdienste bij jóu ligt,” antwoordde Go, ’m de hand toestekend. “Of jij me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit ’t werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,—om te fietsen, of te tennissen—; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis kwam.”
Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar Katwijk fietsen.”
“Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar vanmiddag begin ’k Den Hertog te repeteeren.”
“Laat ’r,” zei Mary rustig, “als ’t heilige vuur brandt....”
“Ik vind ’t dom. Maar dan zal ’k m’n excerpt nog even gaan afmaken; breng ’t je vanmiddag.”
“’t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik ’n goed tentamen doe, met zóóveel hulp.”
“Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te denken. En ’t is zoo heerlijk buiten.”
Het “zwarte pad” was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in ’t gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar ’n langzame schuit door ploegde, ’n bruine man aan ’t roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met ’n goeiig: “goe-mèrge” de stilte brak.
En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar hart wijd worden van genot. “Leiden, lief, heerlijk Leiden,” zong ’t in haar; “wat ben-je mooi en stil in ’t licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe láát je je leven.” En dan weer: “Wereld, mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de verkleurde blaren, ’t water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe blij ben ik, dat ik leef.”
Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z’n gedachten haar altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele lucht; als ’n bloem in ’t licht wilde ze zich voelen. Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na ’t eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot ’t leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de ten-winter-neigende zon.
’n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde. Eén blik op z’n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, ’t hart hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te loopen, Bruno’s vroolijk herkennen negeerend.
Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht vreugdegehuil legde hij z’n breede voorpooten op haar ontwijkende schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, geroerd door z’n hartelijkheid, met ’t oude gebaar haar handen zacht om z’n kop legde, sprong hij op met ’n luid, juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over ’t malle figuur, dat de hond ’m deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met ’n kalme beweging van in-bezit-nemen.
Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. “Híj kent me nog; hij is me nog niet vergeten,” zei ze glimlachend tegen Eddy, met zacht verwijt.
“Hij lijdt niet aan “stemmingen”,” verweerde hij zich, “ik was niet ín ’n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te nemen.”
“Ga-je dan weg?”
“Ja, ’n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te snuffelen, voor m’n dissertatie.”
“O, en dan promoveeren?”
“I think so, ja. Zullen we wat oploopen?”
“Nee, als je nu tégen je wil...”
“Welnee, dat was maar ’t eerste oogenblik. M’n eerste opwelling, als ik ’n kennis zie, is altijd weg te loopen.... kun-je ’t begrijpen? Ik heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik ’t al weer heel gezellig. Ik heb je zoo lang niet gezien.”
“Een kennis; niets dan maar ’n kennis,” dacht ze teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: “Wat ’n zalig weer,” en liep naast ’m voort, stil, de hand op Bruno’s kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.
“En vertel me ’s: hoe heb-je ’t tegenwoordig? Je bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt.”
Z’n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar ’n met moeite bedwongen onrust trilde telkens om z’n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor ’t moest zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als ’n “verklaring” tusschen hen beide, met tranen en verwijten, waarbij hij met z’n figuur geen raad zou weten; en hoewel twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,—zoo’n spontaan kind als Go zou ’n grief toch wel niet kunnen verzwijgen—deed hij alles om ’t gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig.
Ze ging er dadelijk op in. “Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink aangepakt. Vandaag heb ’k m’n eerste tentamen gedaan. Nu, ’t wordt tijd in je vierde jaar...”
“In je vierde; ja, ’t is waar; ’k word ’n oude man. Ik zag gisteren ’n lange, witte haar tusschen m’n zwarte; en jij draagt ’n sleepjapon... Ja, ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?”
“O goed. Ik hou van m’n werk.” Maar ’t bezadigde glimlachje, waarmee ze ’t zei, intrigueerde ’m: God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z’n voorzichtigheid, zei, uit gewoonte blagueerend: “En de idealenwinkel? Nog niet failliet?”
Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, die alleen maar spotten kon; wat ging ’t hem aan? En met ’n lichte ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: “Ja, erg in trek zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf grootendeels weg gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, practische dingen.”
“Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? Heeft Frieda je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen ideeën, zoodat je niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of is de verandering van binnen uit begonnen?”
“Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf ouder geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn hebt gehad om... om allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent er iets... Ik weet niet, of ’k overdrijf; ’t is zoo moeilijk iets van je zelf te weten,... maar ik ben wel minder expansief, dan vroeger. Dat ’s zeker.”
Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, alsof ze zich steeds bedwong.
“Ik heb vooral gemerkt, hoe ’k veranderd was, ’n paar dagen geleden,” vertelde ze door. “Gerard stuurde ’n groen met ’n paar dictaatcahiers, en Mary en ik lieten ’m boven komen en gaven ’m thee en koekjes. ’t Was ’n aardig jongetje en we begonnen te praten met ’m. En toen hij vertelde, wat hij allemaal van z’n leven verwachtte, en wat hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, onwilkeurig, omdat ik ’t niet geloofde. Er is heel veel, dat ’k niet meer geloof.” Zij liepen zwijgend den weg terug. In de verte blakerden de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het houten dak van ’n huis in aanbouw flikkerde als ’n spiegel.
“Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog wel...” begon ze weer. “Nu heb ik ingezien, dat ’t “ieder voor zich” toch eigenlijk ’t eenige mogelijke is. Zelf je best doen... en dan soms ’n kleinigheidje, bij toeval, voor ’n ander... het is zoo weinig meestal.”
“Go,” zei hij zacht, “weet je dien avond nog in je kamer, toen je m’n steun wilde zijn?”
En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan vroeger herinnerde, riep ze uit: “O Eddy, ik weet nog alles precies, en ik vóel ’t nog, al is ’t dwaasheid... en soms denk ik, dat ik nóóit zal leeren wijs te zijn, omdat ik zoo anders ben dan de anderen....”
Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans.
“Ik wist wel, dat er nog iets van je over was,” zei hij, niet begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou haar misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste samenzijn, was van ’n vreemd-schoonen weemoed; en z’n stem trilde van treurigheid, toen hij, haar hand vasthoudend, zei:
“Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit leven...”
Toen ’n buiging, ’n hoedzwaai—en als in ’n droom liep Go langs ’t smalle trottoirtje naar haar huis.
Mary zat voor haar schrijftafel. “De cahiers van Gerard zijn er al,” zei ze, zonder opzien.
Maar Go kwam dadelijk naast ’r staan. “Ik heb ’m gesproken; hij gaat weg,” zei ze dof, en zóó somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, wien ze meende, en, met haar hand op die van Go, zacht troostte:
“Het is hard, kindje, zoo’n afscheid, en toch... je wist al zoo lang, dat je niet aan ’m denken mocht,—misschien geeft dit je rust.”
“Ik weet niet. ’t Was eigenlijk ’t zelfde, of hij er was of niet; ik sprak ’m toch nooit. En nu ook hebben we ’t over niets bizonders gehad. Maar ’t laatste oogenblik was ’t, of er iets openscheurde, of alle ellende nu weer opnieuw beginnen zou.” Ze liet zich in ’n laag stoeltje vallen, verslagen, gebroken.
“Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, wees nú sterk,” praatte Mary, toch éven teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo down kon zijn, zoo gebroken door iets van buiten af.
“Ik geloof niet eens, dat ik nog van ’m houd... ’t is alles onzin; maar ’t is zoo moeilijk iets heelemaal op te geven...”
Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er nog ’t werk, dat troostte, omdat ’t kracht eischte en aandacht, omdat ’t den heelen mensch in beslag nam.
“Ja; “allons travailler,” zuchtte Go; “bij groot en klein verdriet is dat ’t eenige.”
En toen ze ’n half uur later, na veel afdwalend naar-buiten-staren en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in geraakt was, keek Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, en peinsde: En àls meisjes nu ’s dooreengenomen minder praesteeren konden op ’t gebied van studie dan mannen; en àls ’t nu eens waar was, dat zelfstandig, zuiver wetenschappelijk werk van ’n vrouw zeldzaamheid was;—is dan nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen helpt over de eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze niet den eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt naar nieuwe verschieten; en, àls ’t volle vrouweleven komt, haar er aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, omdat ze niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt ’t schoonste niet.... voor hoevelen komt ’t niet tegenwoordig, dan is ’t géén verloren leven, dan kan ’t waardevol zijn,—al is ’t ook niet heerlijk.