← Table of contents
Een jaar in de Molukken

Persoonlijke ervaringen bij ’t vestigen eener cultuuronderneming.

Reading edition

Door H. R. Roelfsema.

So sehnt sich der unruhigste Vagabund zuletzt wieder nach seinem Vaterlande und findet in seiner Hütte, an der Brust seiner Gattin, in dem Kreise seiner Kinder, in den Geschäften zu ihrer Erhaltung all die Wonne, die er in der weiten, öden Welt vergebens suchte.

Goethe.

Die Leiden des jungen Werthers. Erstes Buch. Am 21 Junius.

Halmaheira. Sagobereiding bij Loloda. (Phot. Baretta).
Halmaheira. Sagobereiding bij Loloda. (Phot. Baretta).

Halmaheira. Sagobereiding bij Loloda. (Phot. Baretta).

Hoofdstuk I.

Doel mijner Reis.

Voor een avontuurlijk gemoed was de opdracht, waarmede ik naar Indië was vertrokken en me nu in October 1912 te Ternate bevond, om in de wolken te zijn.

Het doel mijner reis was, in ’t kort, het onderzoeken der geschiktheid van reeds aangevraagde concessieterreinen op Halmaheira en omliggende eilanden voor de cultuur van klappers en, zoo mogelijk, een onderneming voor een dergelijke cultuur op een dier terreinen te vestigen. Een planter van ervaring, die hiervoor twee weken eerder uit Holland was vertrokken, zou mij daar ter zijde staan. Op Java hadden we elkaar ontmoet en wij hadden te zamen de reis naar de Molukken aanvaard.

Zoo waren we dan ter hoofdplaats der Residentie Ternate aangekomen en hadden ons geïnstalleerd in het eenige hotel van dit plaatsje. Om ons op de hoogte te stellen van land en volk, menschen en toestanden, was daar de beste gelegenheid, daar alle verkeer van dit gewest over de hoofdplaats gaat. Regelingen konden hier gemaakt, maatregelen genomen worden, terwijl we de laatste voorbereidingen konden treffen voor de tenuitvoerlegging der plannen, waarvoor we gekomen waren.

Nu is het verschil tusschen plannenmaken in Holland en de uitvoering daarvan in Indië wel zeer groot, vooral wanneer die plannen moeten worden uitgevoerd in een weinig bekende streek, waarvan alle gegevens, die men ontvangt, nog even onbetrouwbaar zijn.

Van de terreinen, die ons voor onderzoek waren aangewezen, werd door den oorspronkelijker aanvrager, die eenige jaren in deze streken vertoefde, een als het meest geschikte genoemd, waarom men in Holland besloten had op die plek met de eerste ontginning aan te vangen.

Kaart van Halmaheira.
Kaart van Halmaheira.

Dit terrein lag op de zuidwestelijke punt van het eiland Morotai, dat ten Oosten van Halmaheira gelegen, slechts door een zeestraat ervan gescheiden was. Klimaat en bodem moesten er zeer gunstig zijn, werkvolk zou men er in voldoenden aantal kunnen vinden, terwijl de aanvoer van goederen en levensmiddelen en de afvoer van producten zeer gemakkelijk zou gaan. Nu vindt men in de Molukken en vooral op Halmaheira terreinen in overvloed voor de voordeelige klappercultuur, terwijl het klimaat op de laaggelegen gronden overal gunstig is.

Echter, naast deze groote vruchtbare complexen van maagdelijken grond, waarop zwaar oerwoud staat, is voor de ontginning daarvan, op Halmaheira, behoefte aan goed werkvolk. De betrekkelijk schaarsche bevolking, die uitsluitend aan de kust woont, heeft hier van de vroegste tijden af gezeten en sinds die tijden nauwelijks een hand uitgestoken om in haar levensonderhoud te voorzien. De weinige behoeften in dit warme klimaat, de overvloed van levensmiddelen, welke in deze streken, waar de sagoboom inheemsch is, op de gemakkelijkste wijze door dezen boom wordt geleverd, leidden tot eene luiheid, waarvan men in Europa geen denkbeeld heeft. Voor eenigen geregelden, zelfs lichten arbeid waren deze menschen voorloopig nog zeer ongeschikt.

De eerste kennismaking met de Ternataansche bevolking en de verhalen, die ik van de daar wonende Hollanders vernam over de luiheid van het menschdom in deze streken, waren van dien aard, dat ik al spoedig inzag mijn energie, versch uit Holland meegebracht, tegenover deze inerte massa in geduld om te moeten zetten. Het eenige middel er iets te bereiken, zou zijn mee te leven met den zooveel langzameren polsslag hier, aan te sporen, op te wekken en naar omstandigheden te handelen.

Toch was ik niet gaan twijfelen aan de goede uitvoering van een gedeelte mijner aantrekkelijke opdracht, namelijk om de eerste grondslagen te leggen voor een klapperonderneming, waar ontgonnen en geplant zou worden naar de nieuwste eischen. De invoer van contract-koelies uit andere residenties, een der noodzakelijke voorwaarden om te kunnen slagen, bleek, hoewel bezwaarlijk, mogelijk; het gewestelijk bestuur betoonde sympathie met mijn plannen en beloofde alle hulp. Daarbij zou de cultuur van klappers op de gronden dezer streken zeer eenvoudig en daardoor ook zeer lucratief zijn, en tevens bleken de overige voorwaarden, om met goeden uitslag te kunnen planten, geheel naar verlangen te zijn. Omtrent het tweede gedeelte mijner opdracht, het onderzoek van diverse concessieterreinen voor de klappercultuur zeer in het groot en het vestigen van ondernemingen op verschillende punten tegelijk, was ik minder gunstig gestemd geworden. Deze streken bleken naar den eersten indruk voor zulke groote plannen nog niet rijp te zijn; integendeel leken zij hier bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Wij zouden echter nader zien.

Eerst eens iets over klappercultuur en hare vooruitzichten.

Van oudsher is de klapperboom of cocospalm (de cocos nucifera) de zegen der tropen geweest. Nuttiger boom is moeilijk denkbaar, en het is geen wonder dat men schreef, dat de klapperboom, alleen, reeds in staat is aan een primitieve inlandsche maatschappij alles te leveren, waaraan zij behoefte heeft. In alle tijden is de cultuur van dezen palm in handen der inlanders geweest en door hen op inlandsche wijze gedreven, wat zeggen wil, dat men nooit veel heeft nagedacht over de eischen, die deze boomen stellen om tot volkomen ontwikkeling te komen. Men plantte waar men toevallig woonde, plantte altijd veel te dicht naast elkaar, en droeg slechts weinig of geen zorg voor den nuttigen boom. Het toeval wilde echter, dat hij, dankbaar voor een geregelde bemesting en een schoongehouden grond, dit beide vond in de naaste omgeving dier huisjes, zoodat daar waar deze voorwaarden op grooter afstand van de woonsteden der inlanders gewoonlijk niet te vinden waren, de klapperboom een kommervol bestaan leidde.

Door de groote vraag op de wereldmarkt naar vetten gebeurde het, dat het gedroogde vleesch van de noot, de zgn. copra, waaruit de olie of het vet wordt bereid, jaar op jaar in prijs steeg, zoodat de cultuur in het groot steeds voordeeliger werd. Chineezen en Europeanen legden zich toen steeds meer daarop toe, met het gevolg dat men in den Indischen Archipel reeds uitgestrekte terreinen met dezen boom vindt beplant, welke waardevolle en groote winsten afwerpende bezittingen bleken te zijn.

Het was het schoone vooruitzicht der winsten met die cultuur te behalen, dat mij, naast de behoefte tot een daad, verleid had tot een reis zoo ver van huis, gedreven had van een veilig milieu naar een onbeschermde moeilijke positie in een streek, waar niemand mij kende en waar alles mij vreemd was.

Doch, laten we ’t maar eerlijk bekennen, nog altijd bezit het geld zijn oude aantrekkingskracht en spoort misschien meer dan ooit tot daden aan, waarvan de belooning in de verte schittert. Totdat we ook eenmaal moeten bemerken, als het doel is bereikt, dat het ook daar niet is, om dan tot onze verbazing in te zien, dat het geluk niet grooter is dan eertijds, neen, dat het gerafeld en gescheurd is op weg naar de fata morgana.

Maar nog lag het als doel in de verte voor me, en voelde ik ook door mijn leven en streven in de Indische maatschappij reeds bedenkelijke scheuren en rafels komen in ’t gelukskleed der rustige gedachte van een leven van meer contemplatie, toch ging ik zonder omzien verder, gedreven door den eenmaal aanvaarden plicht en begeleid door den lust tot avonturen.

In Holland hadden we onze plannen opgezet, die in de verte dikwijls zoo eenvoudig en zoo voordeelig lijken en het ook kunnen zijn, maar onverwachte en onvoorziene omstandigheden halen niet zelden in de praktijk meedoogenloos een streep door de mooiste rekening. Met dergelijke omstandigheden zal men, vooral in de verre Buitenbezittingen van onzen Oost, nog jarenlang rekening dienen te houden.

Halmaheira. Pakata’s met en zonder huisje. (Phot. Baretta).
Halmaheira. Pakata’s met en zonder huisje. (Phot. Baretta).

Halmaheira. Pakata’s met en zonder huisje. (Phot. Baretta).

Daar wonen buitendien nog menschen, die met een rijke fantasie belast, op gebrekkige of losse gegevens zonder deugdelijk onderzoek, plannen bouwen, die voor de uitvoering in de harde werkelijkheid veel te luchtig zijn opgezet en waardoor de verbeeldingrijken in Holland kunnen worden meegesleept. Hoeveel er op deze wijze in Indië gezondigd wordt is niet te zeggen. In de Buitenbezittingen echter is het schrikbarend en de plannen van ondernemende zwervers, die tijdens mijn verblijf in de Molukken met hun stokpaardjes bij mij kwamen, als ze vernamen met welk doel ik naar Indië was gegaan, waren zoo talrijk, dat ik weldra al die voorstellen, plannen en goede wenken voor kennisgeving aannam of hun aanried hun kostbare wetenschap toch in de eerste plaats ten eigen nutte aan te wenden. Ik voelde me, nu ik de toestanden met eigen oogen leerde kennen, reeds voldoende slachtoffer van deze richting, om mijn ondernemingszucht niet een strenge zelfbeperking op te leggen.

Ik was in dien eersten tijd te Ternate, terwijl mijn metgezel en ik weinig opbeurends voor onze plannen vernamen en nu aan alle zijden aan kritiek bloot stonden, daarbij kennis maakten met dat afgesloten leven op de Moluksche eilanden, waar uit den aard geen gang in zat, dikwijls genoodzaakt uren te verbeuzelen, nietsdoend, afwachtend, verlangend naar bedrijvigheid onder den druk eener vage onzekere toekomst.

Zoo was ik vaak weinig hoopvol gestemd en de zucht naar avontuur en geld, was somtijds nauwelijks een prikkel meer.

Hoofdstuk II.

Per prauw van Ternate naar Tobelo.

Mijn reisgenoot, de planter Verster, was van zijn eersten onderzoekingstocht naar Halmaheira en Morotai te Ternate teruggekeerd en had goede en slechte tijdingen meêgebracht. Het bleek ons na besprekingen alras, dat het terrein op het eiland Morotai, niet alleen door zijn ongunstige ligging voorloopig niet voor exploitatie in aanmerking kon komen, maar ook niet wegens gebrek aan werkkrachten, en dat alle verdere hulp ontbrak, daar de geheele landpunt uit vrees voor de booze geesten, de Soeangies, door de vroegere bewoners verlaten was en nog slechts enkele overblijfselen van vervallen nederzettingen aan hun voormalig verblijf herinnerden.

Het beste en meest gunstig gelegen terrein werd nu op de kaart door ons uitgezocht, en de keus viel op de vlakke vruchtbare gronden achter de kampong Tobelo, de belangrijkste plaats aan de Oostkust van Halmaheira en zeer gunstig gelegen. Eens in de maand werd het plaatsje aangedaan door een boot van de Paketvaart; we waren dus terstond in het verkeer opgenomen, een voorname factor om te kunnen slagen. Tevens hadden zich hier twee zendelingen van de Utrechtsche Zendingsvereeniging gevestigd, terwijl het gouvernement was vertegenwoordigd in den persoon van een civiel-gezaghebber. We mochten er op rekenen niet zonder hulp van deze Europeanen te blijven, wat van groote waarde zou zijn bij het moeilijk werk dat ons te wachten stond. Waar we onze werkzaamheden zouden aanvangen, moest alles van den beginne af worden opgebouwd; van het oerwoud moest een bewoonbaar cultuurland worden gemaakt, met loodsen en huizen enz.; zelfs moest in de wildernis eerst nog het gedeelte worden uitgezocht, dat in ontginning zou worden gebracht, zoodat het vooruitzicht in de nabijheid dier wildernis woonplaatsen van Europeanen te zullen vinden ons zeer welkom was.

Het was in alle opzichten een goede ruil, die we zouden doen, en met dit goede vooruitzicht maakten we ons gereed per prauw naar onze toekomstige standplaats te vertrekken. Intusschen hadden we een koeliewerver de opdracht gegeven naar Menado en de Sangir- en Talaut-eilanden te gaan, om de eerste contractkoelies aan te werven. Het zou drie à vier maanden moeten duren, alvorens wij dezen man met zijn aangeworven contractanten op Tobelo konden verwachten, in welken tijd er uitzicht bestond met behulp der kampongbewoners, die reeds een vijftiental jaren onder den invloed van Europeanen stonden, de allereerste werkzaamheden te kunnen beginnen.

Het was den 12den November 1912, toen we ’s morgens om 8 uur in twee prauwen van Ternate van wal staken, koers zettende naar het Oosten, de smalle landengte van Dodinga, die Noord- en Zuid-Halmaheira verbindt, tegemoet.

Prauwen aan het strand te Ternate.
Prauwen aan het strand te Ternate.

Prauwen aan het strand te Ternate.

Het was in de vroege uren van dien morgen een gepak en gesleep en geschreeuw van belang geweest, om tijdig weg te komen; en hadden we niet dankbaar den steun en het gezelschap van den zendeling Laschuyt aanvaard, die eveneens overstak om, na een reis door zijn afdeeling naar zijn post, waar we heden hoopten te overnachten, terug te keeren, dan hadden we allicht nog vele uren met heen en weer loopen verloren, alvorens we de luiaards in de prauwen hadden meegekregen.

In de eene prauw zaten, behalve de roeiers, drie Europeanen, nl. Laschuyt, Verster en ik, met onze voornaamste kostbaarheden, papieren en geld. Onder dit geld was een kistje met duizend rijksdaalders, dat door zijn waarde en onhandige zwaarte mij reeds heel wat zorg had gegeven. Dien morgen had ik het reeds een tijdlang in de onverschillige handen van een der roeiers boven het water zien bungelen, toen hij tot aan zijn buik in de zee wandelde om de prauw te bereiken, waarin hij het onverschillig neergooide. Ieder oogenblik had het, tot mijn niet geringe onrust, geleken of hij het in het water zou laten ploffen, waar het in den zachten, zandigen bodem aanstonds een eind zou wegzakken en allicht onvindbaar zou zijn.

Voor contante betalingen aan de inlandsche bevolking waren we wel genoodzaakt geweest deze rijksdaalders, de ringgits, zooals men ze hier noemt, mee te nemen. Deze munt is voor die menschen de eenheid waarmede zij rekenen, ja, is hier en daar, als in enkele streken van Nieuw-Guinea, nog het eenige gangbare geld. De ringgit is het geliefkoosde geldstuk, dat wordt opgepot en waarmede de betaling van gewichtige overdrachten geschiedt. Zoo betaalt de bruidegom den bruidschat in blanke ringgits aan zijn toekomstigen schoonvader. Guldens en pasmunt mogen te gebruiken zijn, maar niet in groote hoeveelheden, terwijl betalingen aan de oorspronkelijke bevolking in papier steeds bezwaren ontmoet. Men is dan genoodzaakt den zendeling of een ander vertrouwd persoon te hulp te roepen, die naast het papiergeld de waarde in ringgits legt, alvorens de Tobelorees of Galelarees of hoe al die stammen en stammetjes op Halmaheira heeten mogen, teleurgesteld het papier aanneemt.

In de andere prauw zat op een tiental koffers en kisten, de rest zou met de boot volgen, onbeweeglijk onze huisjongen, een Madoerees, die luisterde naar den bijnaam Ketjil, d. i. klein. Naast hem stond een mandje met twee miauwende katjes, die voor de toekomstige huishouding werden meegenomen, terwijl hij verder de zorg had voor een kakelbonte papegaai, een beest dat hier in bijna geen huishouding ontbreekt. Straks zonden we kleurige groote en kleine papegaaien en witte en gele kakatoe’s bij troepen in de hooge boomen zien en hooren, zooals we ze in grooten getale in Ternate aan het strand hadden zien te koop aanbieden, of hadden zien slingeren aan stokken en kettingen in de galerijen der huizen en van het hotel.

Met een zacht windje mee, voeren de prauwen over de wijde watervlakte, die begrensd wordt door de kusten van Halmaheira, de eilandjes Tidore en Ternate. Deze beide laatsten zijn niet anders dan twee vulkanen, die op hun ronde basis zacht glooiend uit de zee oprijzen, dan steeds steiler worden tot een hoogte van respectievelijk 1620 en 1579 M.

De eerste is totaal uitgedoofd, doch de laatste vertoont steeds een rookpluim en kan nog wel eens onheilspellend grommen en den grond doen sidderen. Of er nog eens gevaar dreigt voor de inwoners aan den voet, is bijna zeker bevestigend te beantwoorden; maar het “wanneer?” en “hoe erg?” doet de menschen rustig blijven wonen, evenals overal elders op de wereld, waar een noodlot eeuwenlang dreigt.

De huizen van Ternate, onder het zware groen verscholen, verdwenen spoedig uit het gezicht; de witte Kedaton, waar de Sultan woonde, met een open grasvlakte ervoor, bleef nog lang zichtbaar, evenals de lichtgekleurde romp van den gouvernementsstoomer, die ter beschikking van den resident soms wekenlang op de reede lag.

We lieten de beschaving achter ons en zwalkten in onzen notedop, in een verblindend zonlicht, dat uit den hemel viel en uit de zee weerkaatste, naar ’t lange eiland dat daar voor ons lag. Dat eiland van zijn noord- tot zuidpunt 350 K.M. lang, langer dus dan de langste rechte lijn die door Nederland valt te trekken, was behalve door de inlandsche bevolking, door 8 zendelingen en 2 civiel-gezaghebbers met hunne families bewoond, de eenige Europeanen, die er zich toentertijd hadden gevestigd. Wij, mijn reisgenoot en ik, zouden het dozijn vol maken en daarmede tevens den derden beschavingsfactor brengen, die naast het gouvernement en de zending in Indië bestaat—de cultures.

Terwijl we daar voeren, staande in de prauw en leunende tegen het afdakje, dat in het midden tot beschutting tegen den regen was gebouwd, werd de hitte, nu de middag naderde, steeds grooter, en steeds feller weerkaatsten de zonnestralen op het water, waartegen geen tropenhoed beschermde.

Ternate. Paleis van den Sultan met vulkaan op den achtergrond. (Phot. Baretta).
Ternate. Paleis van den Sultan met vulkaan op den achtergrond. (Phot. Baretta).

Ternate. Paleis van den Sultan met vulkaan op den achtergrond. (Phot. Baretta).

De zendeling met zijn breedgeranden hoed, zijn gebaard, bruin en ernstig gezicht, zijn pajong, waarmede hij zich tegen den allerergsten zonnegloed trachtte te beschutten, deed mij in dat primitieve vaartuigje, met een bruinen roeier aan zijn voeten, aan een lang vergeten plaatje uit mijn kinderjaren denken, toen ik van Robinson en zijn trouwen Vrijdag droomde en met een popelend hart dat romantische leven in gedachten meeleefde.

In de werkelijkheid is het vaak anders, en terwijl ik daar half luisterde naar het gesprek van mijn reisgezelschap, waren mijn gedachten niet bij avonturen, doch dwaalden terug naar Holland, naar den eigen haard, dien ik verlaten had, en onwillekeurig tuurde ik over de zee in de richting van het Noord-westen, waar dat alles gelegen was. Doch we gingen steeds nog verder naar het Oosten, zooals ik nu reeds maandenlang dienzelfden kant was uitgegaan.

Een hevig gekraak riep mij plotseling uit mijn droomerijen wakker. Het kleine afdakje in het midden der prauw was ingevallen door het gewicht der beide converseerende heeren, die ten slotte, moe van het lange staan, zich daarop hadden neergezet en nu tot amusement van alle opvarenden lagen te spartelen tusschen de gevolgen van hun onnadenkendheid.

Het intermezzo was mij welkom, we ontwaakten uit een zekere verdooving en zetten ons nu aan den maaltijd, waarvoor het reeds lang tijd was geworden. Intusschen naderden wij de kust van Halmaheira zoo dicht, dat we de inhammen en de kreken duidelijk konden onderscheiden en spoedig met zekerheid konden bepalen welke richting we moesten sturen om de monding der kali te vinden, die we nog een eindweegs hadden op te varen, alvorens voet aan wal te kunnen zetten.

Het water werd ondiep, de roeiers sprongen uit de prauw en duwden en trokken het lichte vaartuigje door het water de kali in, die aan beide oevers dicht met laag hout was begroeid. Zoo kwamen we tenslotte aan eenige huisjes en sprongen met blijdschap aan land, na 8 uren in het kleine ding te hebben gestaan en gezeten.

We waren op de landengte van Dodinga aangekomen, waar Halmaheira op z’n smalst is. Nog vóór het invallen van den avond wenschten we met onze talrijke bagage de andere zijde der landengte, die hier slechts 5 K.M. breed is, te bereiken, om met de daar wachtende prauw van den zendeling nog vóór den nacht in zijn huis op Pasir Poeti aan te komen.

Na eenigen tijd verscheen ook de prauw met onzen huisjongen, de katjes, de papegaai en de talrijke bagage.

De inlanders uit de kleine kampong aan den oever keken nieuwsgierig naar ons doen en laten, zonder neiging te toonen een hand uit te steken. Toch hadden we hen noodig, om de zware koffers aan lange houten palen over de landengte te dragen (te pikelen). Door den invloed van den zendeling kregen we het, na langen tijd wachten en na veel gepraat over de betaling, gedaan en een lange karavaan van menschen, die twee aan twee een zwaren koffer pikelden, zette zich over een veel beloopen pad in beweging. Wij volgden; voor mij uit ging mijn huisjongen, die de geldkist torste, terwijl de papegaai in veel benauwenis op zijn rug heen en weer bungelde.

Langzaam rees de weg die ons door velden van alang-alang en langs hoog geboomte voerde, terwijl overal laag bij den grond in het wild ananas groeide die haar roode kern vertoonde, waaruit de harde stekelige bladeren te voorschijn kwamen.

Reeds spoedig zagen we naar de andere zijde, op de pashoogte (40 M.), tusschen het geboomte de watervlakte van de Kaubaai glinsteren en een wijder panorama voor ons liggen. Het was tegen den tijd, waarop het al te felle licht, dat loodrecht uit den hemel viel, plaats maakte voor een licht dat over het landschap speelde; de atmosfeer scheen reiner en blanker te zijn geworden nu de hitte van de middagzon haar niet meer trillen deed; kleuren werden getooverd in de hoogste sferen boven ons, terwijl achter ons, in het Westen, een geweldige opstand kwam van kleurig licht. De dag ging scheiden en dit noopte ons tot spoed, want de Indische schemering is maar kort.

Rijstplanten te Pasir Poeti. Gezicht op de Kaubaai.
Rijstplanten te Pasir Poeti. Gezicht op de Kaubaai.

Rijstplanten te Pasir Poeti. Gezicht op de Kaubaai.

De Kaubaai, die daar voor ons lag, dringt in dit grillig gevormde eiland dieper door dan een der andere diep insnijdende baaien, de Boeli- en de Weda baai. Nog 5 K.M. verder en het eiland ware in tweeën gesneden geweest; nu echter ligt hier het knooppunt, van waar vier armen naar het Noorden, het Oosten en het Zuiden wijzen. Ook het naastbij-gelegene grootere Celebes heeft vier soortgelijke armen welke in die richtingen wijzen, waardoor een merkwaardige overeenkomst tusschen die grillig gevormde eilanden bestaat. Beiden hebben hun ontstaan aan vulkanische werkingen te danken, doch hoe zij die opvallende overeenkomst hebben verkregen, schijnt ook voor de geologen nog een onopgelost probleem te wezen.

Aan de dichtbegroeide steile en hooge kust aangekomen, leidde een kunstige, door inlanders aangelegde trap naar de oppervlakte van het water, waar we een kleinen inham vonden, die aan drie kanten door steile oevers en hoog geboomte was afgesloten, terwijl de vierde zijde naar de baai open lag.

Hier zou volgens afspraak de groote prauw van den zendeling met de roeiers moeten liggen, om ons naar Pasir Poeti te brengen, doch van die prauw was geen spoor te ontdekken. Wel lag er afgetakeld en met verroest ijzerwerk en kettingen een kleine klipper verlaten op het strandje, als een sombere, troostelooze verschijning, machteloos om te helpen. We zetten ons neer op de talrijke bagage en overlegden wat ons te doen stond. Kwam er geen prauw, dan zouden we hier den nacht moeten doorbrengen, tenzij het een der dragers nog mocht gelukken door het bosch te dringen en in een nabijzijnde kampong de menschen te bewegen ons over te roeien. Gelaten wachtten we, nu het inmiddels stikdonker was geworden, ons lot af bij het licht van een kaarslantaarntje.

Tusschen de omlijning der silhouetten van het hoog oprijzende geboomte was een stuk heldere sterrenlucht zichtbaar, waar we den Kraanvogel met zijne lange schitterende sterrebeenen zijn bedachtzamen stap zagen doen. De zwarte wanden van de diepte, waarin we zaten, waren verlicht door krioelende vuurvliegjes, als levende lichtjes op talrijke kerstboomen; uit het woud klonk het nachtelijk gesjirp en helsche geraas van duizenden insecten, en terwijl we daar zaten te wachten, voelden we over ons komen het geheimvolle van den Indischen nacht. Een bivak zou in deze omgeving zijn eigenaardige bekoring hebben, en reeds wilden we eenige toebereidselen maken, toen over het water, reeds zeer dichtbij, een vlerkprauwtje kwam aanglijden, door een tweede gevolgd.

Hoe nu in die duisternis al onze bagage in de prauwtjes werd gestuwd, is me een raadsel gebleven, doch na eenigen tijd zat ik goed en wel op de geldkist in het midden van een dier vaartuigjes te schommelen op de onstuimige golven van de baai. Het weer was omgeslagen, een sterke lauwe wind was opgestoken, de sterren begonnen te verdwijnen en een zware bui dreigde. Het zeewater lichtte, elke pagaaislag gaf een kolk van vuur te zien, elke klets van een der vlerken, die door het schommelen beurt om beurt uit en in het water gingen, werd tot een vurige streep. De tweede prauw hielden we door het licht, dat ook zij op die wijze in de duisternis uitstraalde, steeds in het oog. Weldra schommelden we als bezetenen te midden van die vurige strepen en kolken en toen de golven steeds hooger rezen, hadden ook zij lichtende kruinen, die op ons afkwamen als draken met vurige bekken. De branding bruiste met veel geweld tegen de kust en straalde eveneens licht uit. De lucht werd steeds zwarter, buien pakten zich samen en het werd de vraag of we nog droog het huis van den zendeling zouden bereiken. Het antwoord op die vraag duurde slechts kort, de regen begon te stroomen en maakte ons in korten tijd tot op de huid toe nat, doch het kon onze lachende stemmen niet dooven, opgewekt als we waren door het dolle spektakel der elementen in dien heksenketel rondom ons.

Eindelijk naderden we het punt waar geland moest worden, waar hooger op de kust een lichtje zichtbaar was, dat spetterde uit het huis van den zendeling.

De landing in de duisternis en in de geweldige branding, die de zwaarbeladen prauwen op het strand dreigde stuk te slaan, was uiterst lastig. Er bleef ons slechts over, uit het vaartuigje in zee te springen en tot aan de borst door het woelende water naar het land te waden. Mijn horloge, portefeuille en lucifers, hoewel reeds kletsnat, deed ik in mijn zonnehoed, die toen zoo vast mogelijk op het hoofd werd gedrukt. Mijn reisgenoot zorgde voor de papieren, in een city-bag geborgen, en ik zelf nam de geldkist voor mijn rekening. In het lauwe water, waarin een aanrollende golf mij bijna van de been had gegooid, bleef ik staan, dank zij die zware kist op mijn schouder. Op den tast waadden we in het diepe duister verder, tot het droge was bereikt.

We lieten onze koelies verder met de bagage scharrelen en gingen, door den zendeling geleid over het onbekende pad, het welkome huis tegemoet. De kletsnatte bagage volgde.

Groote reisprauwen.
Groote reisprauwen.

Groote reisprauwen.

Na een verkwikkenden slaap deed ik ’s morgens de deuren van mijn slaapkamer open en zag daar het mooiste panorama voor mij liggen, dat ik tot dusver in Indië had gezien. Werkelijk in dit landschap was op dit uur iets liefelijks en stemmingsvols, zooals het in het rijzende licht van den jongen dag voor mij lag.

Van den heuvel, die den omtrek beheerschte en waarop het huis stond, zag men de oevers van de Kaubaai zich evenwijdig naar het Noord-Oosten uitstrekken, tot zij in de verte in den teêren morgennevel verdwenen. Heuvelachtig, dichtbegroeid land, dat zich tot lagere bergen ontwikkelde, rees aan den horizon op, waartusschen een wijde waterspiegel blikkerde en glom. Over dit landschap welfde zich een transparante atmosfeer van fijngekleurde morgentinten.

Kort is in Indië het weldoende oogenblik van den morgen, als de zonnestralen over de aarde scheren. Snel rijst de zon en brengt ons den zomerdag met zijn hitte en steeds weer den zomer en steeds weer de hitte.

Deze natuur staat onder een eentoniger licht dan die der noordelijke landen, ook is zij zelve veel eentoniger. Van Padang tot Halmaheira doorreisde ik in eenige maanden den Archipel over een afstand van 3600 K.M., gelijk aan dien van de Noordkaap tot Athene, en over dien afstand had ik het karakter van het land zich niet merkbaar zien wijzigen, terwijl in elken tijd van het jaar het landschap hetzelfde voorkomen heeft.

Overal had het donkere zinnobergroen overheerscht; overal hadden de klapperboomen met hun wuivende kruinen, de pisangs met hun gladde stille bladeren dezelfde karakteristiek bij de nederzettingen der menschen aan het landschap gegeven; overal had dezelfde bergvorm, die van de lange oprijzende lijnen der vulkanen, gedomineerd; nooit hadden de wisselende grootsche vormen van een rotsgebergte mijn oog bekoord, overal was hetzelfde vlakke strand, soms van wit soms van donker zand, langs de kusten te zien geweest, en over dat alles had steeds, wanneer niet een regenwolk het licht onderschepte, een zon geschenen, die hoog uit de lucht haar stralen pardoes naar de aarde zond.

Zelden was de natuur liefelijk geweest, zelden grootsch, doch altijd ontzagwekkend, soms angstwekkend door haar macht, die nog de macht der menschen overheerschte. Deze natuur maakt ons klein, doch stemt niet bescheiden, gelukkig, noch wijst ten hemel en verheft. Het natuurgenot, zooals wij dat kennen, ’t welk ontstaat door de afwisselende pracht der jaargetijden en door de sterkere contrasten van kleuren, door fijne en wazige overgangstinten, ontbreekt. Deze altijd gelijke natuurtafereelen brengen ons in een droom, in den droom die ligt op de gezichten der inlanders, voor wie een eentonig droomleven gelukzaligheid beteekent, van hen, die nooit wisten van den opwekkenden prikkel der noordelijke landen. En zoo ontberen we hier, totdat we tenslotte de ontbering niet meer gevoelen, den weldoenden invloed van ontroeringen, die de natuur der gematigde luchtstreek ons zoo dikwijls schenkt.

In de galerij van zijn huis verscheen de zendeling in het gemakkelijke morgentoilet en noodigde ons aan het ontbijt. Hij was alleen, zijn vrouw en kinderen waren om gezondheidsredenen te Ternate achtergebleven, hoe gaarne zij ook naar Pasir Poeti waren teruggekeerd, waar zij zich in de eenzaamheid in eigen huis gelukkiger gevoelden, dan in het bedenkelijk slechte hotel, dat wij gisteren met vreugde hadden vaarwel gezegd.

Halmaheira. Albino-gezin te Pasir Poeti. (Phot. Baretta).
Halmaheira. Albino-gezin te Pasir Poeti. (Phot. Baretta).

Halmaheira. Albino-gezin te Pasir Poeti. (Phot. Baretta).

Aan tafel gezeten, volgden we naar het gebruik van het huis eerst de morgenwijding, die met bijbellezen begon en eindigde met gebed. Tijdens den maaltijd bespraken we onze plannen voor de verdere reis. De hulpvaardige zendeling was genegen ons zijn groote prauw met roeiers af te staan, waarin tevens alle bagage kon worden meegenomen.

De kerk te Pasir Poeti in aanbouw.
De kerk te Pasir Poeti in aanbouw.

De kerk te Pasir Poeti in aanbouw.

De duur van de reis, die nu voor ons lag, zou geheel van een meer of minder gunstigen wind afhangen. De afstand tot Tobelo bedroeg nog ruim 100 K.M., die door hem eens bij gunstigen wind in ruim 12 uren was afgelegd, doch waarvoor men meermalen met zulk een groote prauw 3 dagen en meer had noodig gehad.

Terwijl alles voor ons vertrek werd gereed gemaakt, bezagen we de geheele nederzetting, zooals die hier uit de wildernis door den zendeling was te voorschijn geroepen.

Een kerk, een school, een timmerwerkplaats en nette huisjes, waarin christen-inlanders woonden, stonden op een uitgezocht plekje bijeen als een kostelijk brandpunt van beschaving in de wildernis van de somber stemmende wouden, waarmede het achterland was begroeid, en te midden van de lugubere samenleving der primitieve heidensche bevolking. Noode nam ik afscheid van de veilige haven, die me zoo kort had geherbergd en van den man, die in zelfverloochenende plichtsbetrachting hier zijn nuttig leven sleet.

De prauw lag gereed, de bagage was onder het beschuttende dakje gestuwd, waar tevens een veldbed en een matras was gespreid, waarop we de eerstvolgende dagen voor een groot gedeelte zouden doorbrengen. Vier roeiers zaten voor en vier achter in de prauw. Onder hen was een albino, een man met witte haren, een licht rose huid en lichtschuwe roode oogen. Hij stak onsmakelijk af tegen zijn bruine broeders. Met hun gebronsde huid, gaven dezen in hunne naaktheid niet den minsten aanstoot, men went daaraan ook als totok spoedig; doch van den anderen met zijn berimpelde lichte huid, die vol wratten zat, zouden we gaan schuwen als van een melaatsche.

Met hartelijken handdruk namen we afscheid van onzen gastheer; toen dreven we, kalm voortgeroeid in onze hulk, de wijde Kaubaai in. De felle zon dwong ons weldra onder het beschuttende afdakje plaats te nemen, waar ik op mijn veldbed onder het zachte deinen der boot gelegenheid en rust vond om mij aan correspondentie en lectuur te wijden.

’s Morgens vroeg in een inlandsche kampong op Halmaheira. (Phot. Baretta).
’s Morgens vroeg in een inlandsche kampong op Halmaheira. (Phot. Baretta).

’s Morgens vroeg in een inlandsche kampong op Halmaheira. (Phot. Baretta).

Verdiept in een boek, dat me in klein burgerlijke toestanden naar Duitschland verplaatste, was het een vreemde gewaarwording eensklaps tot de werkelijkheid om mij heen te worden teruggeroepen en door de groote openingen van de wanden van het afdakje, de lichamen der naakte pagaaiende inlanders, het van zonlicht glinsterende water en nog na drie uren Pasir Poeti in de nabijheid te zien. Langzaam, heel langzaam gingen we verder, de hitte en de eentonigheid brachten ons dien dag in een dommel, en tijdens den koeleren nacht kwam het niet tot een verkwikkenden slaap.

Vier en twintig uren hadden we zoo in de prauw doorgebracht, soms eens even naar buiten kijkend, soms ook de roeiers aanmoedigend, die tijdens de uren van den nacht, toen de noordenwind dreigde ons weer terug te drijven, het liefst hadden gerust. Dan bliezen deze christenen op een groote schelp; een doffe doordringende toon klonk over het water, waarmede zij hoopten de geesten, die den tegenwind brachten, gunstiger te stemmen.

We voelden ons lusteloos, zwaar in het hoofd en slap, toen we na dat eerste etmaal in Kau aan land stapten en door dik, mul zand in een verschrikkelijke hitte tusschen kamponghuisjes naar een kleinen toko gingen om eenige inkoopen te doen. De eigenaar, Rompies genaamd, half Chinees half Ternataan, ontving ons met een natuurlijke wellevendheid en een zekere bescheidenheid, die al deze menschen eigen is. Ver boven den inlander staande, vormen zij den nuttigen middenstand van kleine tokohouders in deze afgelegen streken. Zijn vrouw bracht ons een kop thee, dat kostelijk verkwikte. Zoo verkwikte ons ook een bad, waarvoor hij ons de gelegenheid in zijn mandiekamertje aanbood, dat van bamboestijlen en wanden van gedek (platgeslagen bamboe) gemaakt, wel zeer primitief, doch voldoende was.

Van den eigenaardigen primitieven smaak dezer menschen getuigden de kleurige gladde prenten van vorstelijke personen in uniformen met veel rood en veel ordeteekenen, die in het voorgalerijtje hingen en die we later bij deze soort menschen als de gewone wand versiering zouden leeren kennen. Zoo hingen hier de keizer van Duitschland, de koningen van Engeland en van Roemenië in schitterende uniformen en ook onze Koningin, omgeven door een apothéose van vlaggen, waarin het felle rood domineerde.

Tegen den namiddag kwamen we in Gamlaha, waar we met een tweeden zendeling, den heer Ellen, zouden kennismaken. Het was twee uur, het uur van de middagrust, toen we zijn huis naderden, dat aan alle zijden gesloten was. Op een vloer van cement stond, aan vier zijden door een breede galerij omgeven, een flink vierkant gebouw voor ons, met vier ramen en een deur aan de frontzijde. Het was van ijzerhout en gaba-gaba (de nerf van het blad van den arènpalm) wanden gemaakt, en vertoonde zich in zijn bruine kleur in goede harmonie met zijn omgeving van donkergroen; stemmiger dan de Europeesche huizen in de grootere plaatsen, die met hun practische witte kleur vaak al te erg vloeken met het donkere bruin en groen, te midden waarvan zij zijn geplaatst.

Na eenigen tijd drentelen in de voorgalerij kwam een bleeke blonde man uit een der zijgalerijen naar ons toe. Hoewel het bezoek van Europeanen hier iets zeer bijzonders moest wezen (later vernamen we dat dit in een vol jaar niet had plaats gehad), scheen hij niet in het minst verrast. Hij verzocht ons plaats te nemen en het gesprek begon. Van onze plannen had hij reeds het een en ander vernomen, en hij wees ons met voldoening op eenige jonge klapperboomen voor zijn huis, door hemzelven geplant, die met zware stammen als ballen uit den grond kwamen. In de nabijheid had hij een klapperaanplant gemaakt, waarvan hij de beste verwachtingen koesterde.

Terwijl wij praatten en informeerden verscheen zijn vrouw met een blond slank meisje van een jaar of zes aan de hand; een zacht, teer kind buiten rumoer en sterke contrasten in de eenzaamheid geboren en opgevoed. Het was een kasplant, die een sterke tegenstelling vormde met de wildernis, welke zoo dicht om het huis lag, en toen we later met z’n beidjes alleen aan het strand liepen, alsof we elkaar jaren hadden gekend en mooie schelpen opraapten voor een jongetje ver in Holland, was het mij zonderling te moede, hier in deze omgeving dat helblonde babbelende kind naast me te zien.

Na de thee wilden we verder, doch de noordenwind stak zoo hard op, dat we eer achter dan vooruit zouden zijn gekomen, zoodat we besloten tot den avond te wachten, wanneer de wind zou zijn gaan liggen. We brachten den verderen tijd in het huisgezin door en gebruikten er den avondmaaltijd, om tegen tien uur de prauw op te zoeken, die langzaam de baai invoer, terwijl wij ter kooi gingen.

Toen ik wakker werd was het nog donker en lagen we stil voor Pediwang, een kampong in welker nabijheid een groot vlak terrein lag, waarop een concessie was aangevraagd voor de cultuur van klappers. Over de uitvoerbaarheid der ontginning van dit terrein hadden we ons oordeel naar Holland te berichten.

Pediwang zelf was een oud berucht rooversnest. Het gouvernement had echter een eind gemaakt aan het bedrijf dier kampongbewoners, die nu in vreedzame luiheid voortvegeteerden. Het concessieterrein, dat in de nabijheid lag, was 3000 bouws groot en moest geheel met oerbosch zijn bezet.

Toen het lichter werd, gingen we aan land en verrasten de inwoners bij het krieken van den dag in hun schamele huisjes. Vrouwen waren reeds met eenig huiswerk bezig, doch de mannen stapten, met een doek om hun naakte lijf geslagen, welke hen tegen de morgen koelte moest beschutten en met een sigaret in den mond, in trotsche houding als pauwen voor hun huisjes op en neer, en keken ons onbeschroomd en glimlachend met een aristocratisch nietsdoeners-air aan.

Geheel anders dan van den Javaan is de houding van den bewoner dezer streken tegenover den Hollander. Van onderdanigheid tegenover hem zag ik nooit een spoor, wel van vrees, vooral bij vrouwen en kinderen, die dikwijls, wanneer ze me later in de alang-alang zagen aankomen, ijlings de vlucht zouden nemen.

We verlangden den kapala kampong te spreken. Hierop verscheen een inlander met een langen grijzen baard, die zich als zoodanig bekend maakte, en wien wij de reden van onze komst mededeelden. We wenschten van hem een geleider, die ons bij de zuidelijke grenssteenen van het concessieterrein zou brengen. Het heerschap was, zooals we later vernamen, in zijn jeugd een bekend zeeroover geweest, doch nu door het gouvernement op verzoek der bevolking als haar hoofd aangesteld.

Het duurde geruimen tijd voor dat iemand verscheen, die genegen was met ons het bosch in te gaan en die de grenssteenen wist aan te wijzen. Het werd een lange marsch over een smal paadje het oerwoud in. Het terrein bleek vlak en overal met zwaar hout begroeid. Het was er vochtig en koel en het rook er naar vermolmd hout onder het zware bladerendak dier reuzenboomen, waardoor nooit een zonnestraaltje tot den bodem kan doordringen. Varens en laag hout stonden aan den voet van dunne en dikke, soms metersdikke stammen, waaronder er waren die, naar schatting 40 M. en hooger moesten zijn. Lianen hingen als koorden van de hoogste kruinen dier boomen tot den grond en vormden daar, verder slingerend, een net, waarin de voeten telkens verward raakten. Ook waren er lianen dik als menschenarmen, die dichter aan den stam naar boven kropen en zich als slangen om zware takken kronkelden.

Toen de eerste grenssteen was bereikt, een dikke vierkante, met cement bestreken steenen paal, waren we overtuigd een uitmuntend terrein voor de klappercultuur voor ons te hebben. De bodem was vlak, de gronde bleek na uitgraving uit poreuze tuf te bestaan en was met een dikke humuslaag bedekt, terwijl de regenval tegen de daarachter liggende bergen aanzienlijk moest zijn en twee altijd watergevende kali’s, volgens onze kaart en ook volgens onzen gids, het terrein doorsneden. Alle gunstige factoren voor het welslagen der cultuur, wat het terrein betreft, waren hier bijeen.

We gingen nog dieper het woud in, op weg naar een volgenden steen. Het werd een eindelooze, eentonige marsch over steeds denzelfden vlakken vruchtbaren grond, onder steeds dezelfde hooge boomkruinen, terwijl een hopelooze strijd met lianen was ontstaan, die zich om onze beenen kronkelden of ons, als touwen voor de borst gespannen, tegenhielden totdat we besloten terug te keeren.

We hadden echter de overtuiging gekregen, dat deze voor de klappercultuur zoo geschikte gronden door hun afgelegen ligging nog jarenlang een zwaar oerwoud zouden dragen.

Nu kwam voor onze roeiers het zwaarste werk. We waren de Kaubaai uit, maar nog niet onder de beschutting van de meer noordwaarts liggende eilanden, zoodat de volle zeedeining nu te trotseeren zou zijn.

In de schommelende prauw vervielen we in een loome, lustelooze stemming, nu we daar in de hitte van den dag uitgestrekt lagen; als eenig geluid hoorden we het eentonig plassen der pagaaien en het aanmoedigende geroep der roeiers. Tegen den avond bereikte ons het heugelijk bericht, dat we nog dezen nacht voor Tobelo zouden aankomen. De beschuttende eilanden waren bereikt, waarna het nog een kwestie van 6 uren roeien zou zijn.

Ik zette me op het stevige dak der prauw, terwijl rondom ons de avond viel en we dicht langs de kust der eilanden voeren. Inlanders, slechts met den lendengordel om de heupen, stonden op de witte strandjes der koraaleilanden en keken ons nieuwsgierig na. Het iets hoogere land achter die strandjes was dichtbegroeid met struikgewas en enkele hooge boomen, en cocospalmen wuifden met hun pluimen, waaronder zware vruchtentrossen zichtbaar waren, in den zeewind. Hier en daar lag een huisje van atap en bamboe tusschen al dat groen verscholen, en prauwtjes lagen teekenachtig op het strand, terwijl in de hooge boomen krijschende witte kakatoes en kleurrijke papegaaien rondvlogen. Tusschen de eilanden en ver de zee in waren de lange krullende golven der branding te zien, die op langgestrekte ondiepe koraalbanken braken. In de breede straat door het groote vulkanische moeder-eiland (Hale-ma-heira) en de kleine koraaleilanden en banken gevormd, dreven we omringd door een wijd panorama. Naar het Oosten de blauwe zee in het avondlicht, met de lange witte rollers, waartegen de eilanden met scherpe contouren afstaken. Naar het Westen het groote eiland, als een vastland met zwaar oerwoud begroeid, met steeds hooger oploopenden bodem, die in den kam der bergen (300 à 400 M.) in het Westen culmineerde. Achter de scherpe lijn van dien bergkam verdween de ondergaande zon, die zware blauwachtige wolken met helroode randen verlichtte. Het was een fantastisch, schouwspel, dat boeide als een suggestieve Böcklin-fantasie, als een theater-decoratie uit een Wagnerdrama.

In het Noord-oosten werd, wanneer geen der eilanden het uitzicht daarheen belemmerde, het eiland Morotai als een berg, die in wazige verte was te zien, voor het eerst zichtbaar. Daar lag dan eindelijk in de tastbare werkelijkheid, dat eiland voor ons, welks beeld mij de laatste maanden, door het vooruitzicht op zijn grond een eenzaam verblijf van een à twee jaar in de rimboe te moeten doormaken, steeds had achtervolgd.

Nog zat ik op het dakje, toen het reeds geheel nacht was geworden en ik hier, onder den evenaar, den noordelijken en zuidelijken sterrenhemel met nieuwe en van oudsbekende beelden in volle glorie boven mij zag. Orion, klein, maar des te schitterender, hoog in de lucht; de “drie knoopen” noemen de inlanders de drie heldere middensterren van de wapenrusting, Cassiopeia, Perseus, de Pleiaden, naar welk laatste beeld de Tobeloreezen hun plant- en oogsttijd regelen; ook stonden de Tweelingen hier als een groet van huis. Daar, in ’t Zuiden, de slingerende Schorpioen en weer de leuke Kraanvogel, de Zuiderkroon en ’t wonderbaarlijke Zuiderkruis, en dwars door al die beelden heen de Melkweg, zoo egaal geplaveid, als ik hem nog slechts in de ijle lucht van ’t hooge Zwitsersche bergland had gezien.

’t Was twaalf uur ’s nachts toen ik op mijn veldbedje uit een lichten sluimer ontwaakte, doordat een ongewoon gedruisch tot mijn bewustzijn doordrong. De roeiers roeiden niet meer, zij bewogen zich dooreen en ik hoorde het ploffen van een anker in het water. We lagen stil voor Tobelo.

Het land lag zwart onder den zachten schijn van het sterrenlicht, waarvan de gladde waterspiegel glom; de beelden in den vroegen avond gezien, waren verdwenen of naar het Westen gezonken en door een nieuw heirleger uit het Oosten vervangen. Doodstil was het in den nacht. Van het land drong geen geruisch tot ons door en aan boord van de prauw sliepen de roeiers, na het langdurige werk, aanstonds in de onmogelijkste en ongemakkelijkste houdingen op de kleinst denkbare plekjes, zooals alleen inlanders dat kunnen. De huisjongen zat, met gekruiste beenen, naast zijn korfje met de vies geworden katjes, op hetzelfde plekje te slapen, waarop hij nu reeds drie dagen had zitten te soezen. Wijzelven verlangden naar ruimte en beweging en naar een grondige reiniging. Voor het laatst kroop ik onder het afdakje, om nog gedurende vijf uren allerlei gedachten en beelden door mijn hoofd te laten spoken.

Hoofdstuk III.

Aankomst te Tobelo. Eerste Werkzaamheden.

16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.

Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.

Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.

Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.

Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.

Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: “Onmogelijk!”

Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.

Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hier onmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah’s voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.

Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega’s, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.

Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).
Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).

Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).

Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.

Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.

Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).
Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).

Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).

Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.

Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.

De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).
De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).

De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).

Het duurde niet lang of de vrouw des huizes informeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.

Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.

Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.

De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.

We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko’s van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in ’t voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.

De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.

De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.

Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.

Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé’s (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja’s en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.

Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.

Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.

Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.

Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk, die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.

Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.

Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.

De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.

In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:

23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.

Om half negen komt Mitita in ’t zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.

Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?

Heidensche Alfoer van Halmaheira.
Heidensche Alfoer van Halmaheira.

Heidensche Alfoer van Halmaheira.

Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.

De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringen en vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. ’t Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. ’t Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is ’t een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.

Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).
Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).

Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).

Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.

Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeer verinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.

’s Avonds in het posthuis muziek van de grammophoon van Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.

Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako’s) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.

Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).
Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).

Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).

29 Nov. 1912. ’s Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. ’t Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. ’s Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer’s “Amazone”. Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.

’s Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.

25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur ’s morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.

Bezoek aan de Dodola’s. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.

Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.

De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel en de vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.

Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): “Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist”, en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: “Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven.”

Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.

Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.

Zoo vind ik nog in mijn dagboek: “Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid.” En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: “Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden.”

Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer “Nora” had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.

Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.

Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.

Hoofdstuk IV.

Terug naar Ternate.

Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van ’t meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.

We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich ’s nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.

Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: “Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!”

Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.

Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had het uitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.

Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.

Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.

Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.

Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.

De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.

Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. ’t Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder ’t praten en ’t willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.

Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim—en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.

Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel’s Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.

Het dun gezaeit gestarnt verschiet Zijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet. De schaduwe is aen ’t overleenen. De morgenstar drijft voor zich heenen De benden van het hemelsch heir. De voerman van den grooten Beir, Op dat hij zijne beurt verwissel’, Vlught heen met omghekeerden dissel. De gouden Titan rijst alree Met blaeuwe paerden uit der zee.

Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.

Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.

Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.

Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestanden en las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.

Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).
Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).

Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).

Zag ik het fijne, wisselende mooi van ’t Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.

“Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt”. Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?

Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.

Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.

Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).
Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).

Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).

Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wie hier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.

Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.

Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: “Kom hier logeeren!”

Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.

Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.

Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij ’s avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. ’t Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.

Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.

Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodige correspondentie af te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama’s uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder ’t genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.

Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.

In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.

Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen “en famille” doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.

Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo’n sparreboompje weergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het “Stille Nacht, Heilige Nacht” en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.

Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.

Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.

Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.

De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als ’t ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.

In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).
In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).

In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).

Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.

Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden, ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo’n klein plaatsje.

De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan ’t klaarmaken van schotels, aan ’t verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.

Maar het was dan ’s avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjes waren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.

Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.

Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.

De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.

Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).
Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).

Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).

Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na ’t verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.

Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst ’s middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.

Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.

Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.

Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).
Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).

Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).

’t Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa’s kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van ’t eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings