← Table of contents
Een Jaar aan Kaap Hoorn

I

Reading edition

De Oranjebaai, die in April 1830 door Robert Fitz-Roy, en in Februari 1839 door den Amerikaan Wilkes was bezocht en beschreven, scheen eene geschikte gelegenheid aan te bieden voor de vestiging van onze missie, en was dan ook als zoodanig aangewezen, tenzij onvoorziene omstandigheden onze installatie daar ter plaatse onmogelijk mochten maken: in dat geval moesten wij een geschikter plek opzoeken op het in de nabijheid gelegen eiland Hermitte.

Zoodra de Romanche het anker had uitgeworpen, was dan ook ons eerste werk aan land te gaan, om eene geschikte plaats voor onze nederzetting op te zoeken. Wij behoefden onze eischen niet hoog te stellen: een vlak terrein, waarop wij onze barakken konden opslaan; voorts de nabijheid van eene rivier of althans van drinkbaar water; eindelijk eene geschikte aanlegplaats voor de sloepen die ons materieel aan wal moesten brengen en later, bij den terugkeer van de Romanche, onze gemeenschap met het schip moesten verzekeren. De eerste van deze drie voorwaarden bleek niet voor vervulling vatbaar. Overal waar zich een vlak terrein bevond, was de grond zoo drassig, dat het zeer moeilijk viel daarop te loopen; wij moesten dus een hooger terrein kiezen, waar wij de hutten boven elkander zouden kunnen plaatsen, hetzij op natuurlijke terrassen, hetzij op kunstmatige platformen van boomstammen. Wij aarzelden aanvankelijk in de keus tusschen een landpunt, later Pointe Lephay genoemd, en een kleinen heuvel een weinig ten noorden van die landpunt. Ten slotte kozen wij dit laatste punt, vooral van wege de onmiddellijke nabijheid van eene rivier; en in den vroegen morgen van den achtsten September begonnen de werklieden der missie, bijgestaan door eene talrijke afdeeling matrozen van de Romanche het terrein te ontginnen: welke arbeid de volgende dagen ijverig werd voortgezet.

Den zes-en-twintigsten September 1882 werden de eerste waarnemingen gedaan, die gedurende een geheel jaar onafgebroken moesten worden voortgezet. Eigenlijk hadden zij reeds op den eersten September moeten beginnen; maar wij waren eerst op den zesden aangekomen, en de sedert verloopen twintig dagen waren volstrekt noodig geweest voor onze installatie. Het met dicht kreupelhout en struikgewas begroeide terrein moest worden gezuiverd en geëffend, waarbij op sommige plaatsen de rots moest worden afgehakt. Nadat de barakken waren opgeslagen, moesten de wanden en de zoldering van binnen met een laag vilt, en de vloer met linoleum worden bekleed, om zoo veel mogelijk de koude en de vocht af te weren.

Met de onderzoekingen betreffende de natuurlijke historie was aanstonds een aanvang gemaakt; evenzoo hadden wij al dadelijk kennis kunnen maken met de inboorlingen. Reeds den volgenden dag na onze aankomst in de Oranjebaai waren verschillende prauwen van boomschors naar het schip gekomen; de inboorlingen vroegen om levensmiddelen en voornamelijk scheepsbeschuit, en boden in ruil daarvoor eenige produkten hunner kinderlijke nijverheid aan, zoo als halskettingen van beenderen of schelpen, beenen punten van harpoenen en dergelijken. Deze Vuurlanders schenen in het minst niet ongerust of verbaasd over onze verschijning: veel meer trachtten zij zoo veel beschuit, brood of andere spijzen te krijgen als maar mogelijk was. Zij vroegen noch om brandewijn, noch om tabak, waarmede zij waarschijnlijk geheel onbekend waren; oude kleeren namen zij ook gewillig aan, maar toch was het hun hoofdzakelijk om eetwaren te doen.

Het is niet gemakkelijk, met juistheid den eersten indruk weer te geven, dien de verschijning van deze inboorlingen op ons maakte. Naar het scheen zonder eenig wantrouwen of vrees te koesteren, kwamen zij ons bezoeken of liever om voedsel vragen, in hunne kano's van boomschors, allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, geheel naakt of hoogstens bekleed met een stuk otter- of zeehondenvel, dat over hunne schouders was geworpen. Gedurende onzen overtocht hadden wij alles gelezen wat vroegere zeevaarders, zoo als Weddell, Fitz-Roy, Darwin, Wilkes, over de bewoners van Vuurland geschreven hadden; wij wisten dus dat zij, naar de eenstemmige verklaring van al deze schrijvers, ongeveer op den allerlaagsten trap van menschelijke ontwikkeling staan. Zoodra wij de Vuurlanders zagen, meenden wij hen dan ook te kennen, en zochten wij reeds naar de voornaamste karaktertrekken, door de vroegere onderzoekers aangewezen. Onze verrassing was dus minder groot dan zij anders geweest zou zijn; vooral verwonderde het ons dat wij geen woord van hunne taal verstonden, hoewel wij ijverig de woordenlijst van Fitz-Roy en de taalkundige mededeelingen van andere schrijvers hadden bestudeerd. Het eenige woord dat wij verstonden was het woord beschuit, dat zij biskit of biskir uitspraken en dat als in hun mond bestorven lag. Pogingen om uit te maken met welken stam wij eigenlijk te doen hadden, waren aanvankelijk ten eenemale vruchteloos.

Eerst den volgenden dag, nadat wij de inboorlingen bij herhaling in hunne hutten hadden bezocht Bladzijde 91en nauwkeurig gelet op een zeker aantal woorden, die zij telkens gebruikten, kwamen wij tot de zekerheid dat de aan de Oranjebaai gevestigde stam dezelfde was, waaraan Fitz-Roy den naam van Tekinika geeft. Onze eerste gesprekken met deze inboorlingen werden grootelijks vergemakkelijkt omdat een hunner eenige woorden engelsch verstond en sprak. Hij zeide Jack te heeten, had eene vrouw en twee kinderen bij zich en had in zooverre iets voor boven zijne stamgenooten, dat hij een mondvol engelsch verstond; voor het overige verkeerde hij in even ellendigen toestand als alle anderen. Hij ontving ons in zijne hut met de grootst mogelijke koelheid; hij antwoordde vrij vlug op de eerste vragen die wij tot hem richtten, maar bleef weldra hardnekkig zwijgen, hetzij uit vermoeidheid, hetzij uit wantrouwen, of om welke reden ook. Over het algemeen was er een merkwaardig verschil tusschen de manier van doen van deze Vuurlanders, als zij in hunne prauwen langs de Romanche dobberden, en als wij hen aan land in hunne hutten bezochten. Op het water schenen zij in hun element; zij waren dan vroolijk en opgewekt, praatziek en familiaar tot lastig wordens toe; aan land daarentegen was hunne houding wel niet vijandig, maar toch teruggetrokken, wantrouwend, gedwongen, als van lieden wien het hindert door vreemden bespied te worden. Verschillende redenen kunnen ter verklaring van deze handelwijze der Vuurlanders worden aangewend. Op zee gevoelen zij zich veiliger; kwam er eene botsing, dan konden zij zich dadelijk met hunne prauwen uit de voeten maken; bovendien was bij hunne bezoeken aan de Romanche hun eigenbelang in het spel en deden zij zich zoo gunstig mogelijk voor, om spijzen te krijgen, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Toen zij zagen dat wij ons aan land kwamen vestigen, zonder dat zij vermoeden konden wat ons doel was, was het vrij natuurlijk dat zij zich over onze verschijning op hun eigen grondgebied ongerust maakten en van onze tegenwoordigheid niets dan overlast vreesden. Dit zijn echter slechts onderstellingen: zij hebben hunne gevoelens nooit uitgesproken, en zij bezitten in hooge mate het vermogen om hunne gewaarwordingen te verbergen en daarvan niets op hun onbewegelijk gelaat te laten blijken.

Op Zondag, 1 October 1882, omstreeks vier uren in den namiddag, liep een amerikaansche schoener de Oranjebaai binnen, en wierp het anker uit tegenover de missie, naast de Romanche. Dit schip, dat jaarlijks deze zeeën bezoekt om robben te vangen, verschijnt dan in den regel in de Oranjebaai, om water in te nemen en zich van brandhout te voorzien. De gezagvoerder had te Punta Arénas, in de straat van Magelhaens, hooren spreken van de voorgenomen vestiging eener fransche missie aan de Oranjebaai, en kwam nu de hulp van onzen geneesheer inroepen voor een zijner matrozen, die ernstig ziek was.

De schoener heette de Thomas Hunt; in vijf dagen had de bemanning, bij de Diego-Ramirez-eilanden en vooral op het eiland Ildefonso, ongeveer driehonderd robben gedood; het hoogste cijfer der op een dag gedoode dieren was ditmaal zeventig geweest. Een paar jaren geleden, had men op een dag vijfhonderd robben gevangen. De robben worden, als zij aan land zijn, omsingeld en dan doodgeschoten, somwijlen ook doodgeslagen; de zeer jonge dieren blijven gespaard, maar alle anderen, mannetjes en wijfjes zonder onderscheid, gedood. De bemanning van de Thomas Hunt bestond uit acht-en-twintig koppen, en er waren zeven geweren aan boord. Men doodt de robben enkel om hun vel; zoodra zij aan boord zijn gebracht, wordt hun het vel afgestroopt, waarna de lichamen in zee worden geworpen. De huid wordt, na ingezouten te zijn, naar Engeland verzonden om daar bewerkt te worden; zij levert eene bekende en zeer gezochte soort van bont op.

De gezagvoerder van de Thomas Hunt was nu reeds gedurende zeven jaren ter robbenvangst gevaren. Hij verklaarde dat die vangst steeds minder voordeelen opleverde en dat het getal dezer robben snel afnam: hetgeen inderdaad niet te verwonderen is bij de ruwe, moorddadige wijze waarop de jagers te werk gaan! Er behoort in waarheid eene groote mate van avontuurlijken zin en liefhebberij voor het vak toe, om het beroep van robbenjager te kiezen, dat tegenwoordig maar eene zeer geringe winst oplevert. Het leven toch dezer robbenvangers is alles behalve gemakkelijk of aangenaam. Hun voedsel bestaat, voor het grootste gedeelte, uit het vleesch der pingouins, die zij dooden of levend vangen; de kapitein van de Thomas Hunt, die zich ook daarmede tevreden moest stellen, verklaarde mij echter dat dit vleesch zeer goed smaakte. De robbenjagers brengen echter niet hun geheelen tijd aan boord door. Op hun schip zijn zij aan tallooze gevaren blootgesteld; maar nog veel erger is hun toestand, wanneer zij, in het belang van de jacht, op een of ander onbewoond eilandje moeten achterblijven en daar gedurende weken of maanden op de terugkomst van hun schip wachten. Blijft dan het schip langer weg dan waarop gerekend was, dan zijn de achtergeblevenen aan de grootste ellende ter prooi. De kapitein van de Thomas Hunt had, voor zijne aankomst in de Oranjebaai, op het eiland Diego-Ramirez acht mannen gevonden, die door eene amerikaansche goëlet daar waren achtergelaten om robben te vangen en van levensmiddelen voor drie maanden voorzien, maar die nu reeds sedert vier maanden op de terugkomst van hun schip wachtten. Hun voorraad was geheel opgeteerd: zij hadden geen ander voedsel dan de vogels, die het hun van tijd tot tijd gelukte te vangen. De Thomas Hunt had deze ongelukkigen opgenomen en hen naar het Beagle-kanaal, naar Ooshooia, gebracht, waar zij aan de verzorging van de protestantsche zendelingen waren overgelaten.

Weldra zouden wij zelven met deze zendelingen in aanraking komen: tot onze groote verwondering zouden wij in dit wilde, onherbergzame land, aan den uitersten uithoek der wereld, beschaafde mannen vinden, sedert lange jaren hier gevestigd. Bladzijde 92

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings